Deel 7 – Corsica

Dag 46 donderdag – Peridundella

We worden wakker van de felle zon die in ons gezicht schijnt. Na een verfrissende douche vragen we ons af of we nu gewoon weg kunnen rijden zonder de gastvrouw te hebben gezien, als er een bruin autootje de poort binnen rijdt. Het is Melissa die ons een ontbijtje aanbiedt: koffie, thee, jus d’orange en een muf croissantje. We zitten op het terras in de schaduw en Melissa zegt in haar rappe Frans dat het ’tres chaud’ is vandaag. Gelukkig. Zijn we niet de enigen die last hebben van de hitte.

Bastia schijnt een leuke oude stad te zijn met een authentieke haven, maar we hebben geen zin om in de hitte naar een parkeerplaats te moeten zoeken of door de warme stad te lopen. Ik vind het wel een beetje spijtig om helemaal geen indruk te krijgen van Bastia, maar we besluiten naar de bergen te gaan in de hoop dat het daar wat koeler is.

We stoppen bij een luxe bakkerij met terras en doen net als de Fransen: we nemen een ontbijt met pain au chocolat en een koffie en thee. Voor de lunch kopen we een pain cereales en een hartige taart. Daarna koersen we naar de voormalige hoofdstad van Corsica, het plaatsje Corte dat midden in de bergen ligt en waar de enige universiteit van het eiland is gevestigd.
Vandaag verplaatsen we ons van airco naar airco. Van de airco in de auto naar de airco in de supermarkt. We doen uitgebreid inkopen, laden de kastjes en onze koelkast helemaal vol en rijden dan door naar camping Peridundella. De camping is een klein paradijs, vol oude bomen, uitzicht op de bergtoppen en gelegen in de middle of nowhere. Als we het terrein op rijden vragen we aan een man, die staat te harken, waar we de receptie kunnen vinden. ‘Le reception c’est moi’, krijgen we als antwoord. Zoek maar een plaatsje uit en kom tegen de avond langs voor de registratie.
Op de kleine camping zijn prachtige plaatsen met zicht op de bergen, maar wij kiezen toch voor een schaduwrijke plek onder een dikke oude eik. In de koelte van de boom komen we tot rust. Eind van de middag wandelen we naar een riviertje met het idee om daar te zwemmen en verkoeling te vinden. Ik volg de route naar de rivier op de OsmAnd app. Uiteindelijk vinden we de rivier. Maar het is niet wat we ervan hadden gehoopt. Het is een miezerig watertje vol insecten larven en met geitenkeutels en andere dierlijke uitwerpselen. In plaats van verfrist, komen we bezweet en met rode hoofden van de inspanning terug bij de camping. Gelukkig kunnen we wel koud douchen.

De eigenaar van de camping blijkt van koken te houden. Voor veertienvijftig kunnen we ons inschrijven voor een driegangen menu in het schattige restaurant onder het afdak met uitzicht op de bergen. We slaan het aanbod echter af, omdat we de vers ingeslagen ingrediënten van vandaag op willen maken.

Dag 47 vrijdag 3 juni – Lac de Melo

We staan voor dag en dauw op om een wandeling te maken naar Lac de Melo in de Restonica kloof. Snel pakken we de spullen en rijden dan eerst naar Corte om vandaar de weg naar de kloof in te gaan. De weg is extreem smal en verboden voor campers. Aan de rechterkant zijn hoge rotswanden, aan de linkerkant gaapt de afgrond. Omdat we zo vroeg zijn komen we gelukkig maar twee auto’s tegen, waarvoor we een  stukje achteruit moeten rijden om een kleine verbreding in de weg te vinden, zodat we elkaar kunnen passeren. De weg is vijftienkilometer lang en het duurt meer dan een uur voor we bij het einde van de weg komen waar een kleine parkeerplaats is. Op aanwijzingen van de parkeerwachter parkeert Frans de bus langs de rand van de weg, vlak langs het ravijn.
We ontbijten eerst in de camper en zoeken dan onze wandelspullen bij elkaar. Omdat we hoog de bergen in gaan, nemen we ook warme kleding en een regenjas mee, naast water, brood en zonnebrand. Frans komt op het idee om ook de wandelstokken mee te nemen.

Het is vandaag bewolkt en ik hoop dat het de hele dag bewolkt zal blijven, want we lopen boven de boomgrens en er is nauwelijks schaduw als de zon schijnt. Het pad begint direct al rotsig en we klauteren over stenen omhoog. In het dal zien we de Restonica rivier door de diep uitgesleten kloof, voor ons zien we een groot rotsplateau waar de rivier als een waterval vanaf glijdt. Dit rotsplateau moeten we beklimmen alvorens we bij Lac du Melo kunnen komen. Er zijn twee routes. Op goed geluk kiezen we de linkerroute, die ons een lange, steile beklimming vol grote stenen geeft. Voor het eerst sinds jaren gebruik ik de wandelstokken, die me helpen om de balans te houden en om de kracht wat meer tussen armen en benen te verdelen. Het is pittig om met je benen telkens een reuzenstap omhoog te moeten zetten. Gestaag klauteren we omhoog. En dan is daar de beloning: Lac du Melo, een donkerblauw meer te midden van rotsen. We picknicken op een grote rots aan het water en genieten van het uitzicht en de stilte. We besluiten via de rechterroute weer naar beneden te gaan. Deze route leidt ons via een aantal ‘klettersteige’ waarbij we drie metalen trappen moeten afdalen. Als ik bij één van de trappen beneden aankom, staan er twee mensen onderaan te wachten, ik draai me om en moet iets uitwijken omdat de wandelaars me geen ruimte geven, ik plaats mijn voeten schuin op een rots en voel me langzaam wegglijden, ik heb geen wandelstokken om me op te vangen, want die had ik voorafgaand aan de trappen in de rugzak gestoken, ik val op mijn rechterzij en glijd zachtjes de rots naar beneden. Het is niet gevaarlijk, want er zijn omringende hogere rotsen waar ik tegen tot stilstand kom. Ik krabbel weer overeind en de tocht gaat verder. Ik heb me licht bezeerd, maar schenk hier geen aandacht aan. Hierna volgt een stuk over grote, gladde rotsen waarbij je je vast kunt houden aan kettingen. Spectaculair en gaaf. Dit soort dingen vind ik echt leuk en ik ben dan ook blij dat we via de rechterkant naar beneden zijn gegaan.

Onderweg zien we een kleine waterval waar Frans een duik neemt in het frisse water en ik het bij pootjebaden houd. De terugweg is verder dan we in gedachten hadden en we zijn verwonderd hoeveel we vanochtend hebben gelopen. Moe en heel erg voldaan rijden we de weg door de kloof terug. Wat is dat genieten en wat heeft Corsica een ruige, woeste natuur.

We rijden weer terug naar camping Peridundellu waar we nu een plekje met uitzicht op de bergen uitkiezen. ’s Avonds eten we in het restaurantje van de camping een driegangen menu met een wijntje erbij om onze zestiende trouwdag te vieren.

Dag 48 – zaterdag 4 juni – Bijkomen

’s Nachts word ik wakker van de hoofdpijn, pijn in mijn nek en pijn in mijn borstspier en bij mijn ribben. Frans masseert het hele gebied met Arnica olie, waarschijnlijk is het spierpijn van het gebruik van de stokken en misschien ook wat verrekte spieren van de val. Mijn lymfetherapeut heeft me uitgelegd dat mijn borstspier door de bestraling niet veel belasting kan hebben; het is als een touw dat door zon en zeezout zijn trekkracht is verloren en dat als het te zwaar belast wordt gaat rafelen en uiteen valt.
De hele dag houd ik last van mijn nek en ribben en is het alsof ik een kei in mijn hoofd heb die tegen de binnenkant van mijn schedel bonkt als ik mijn hoofd beweeg.
Het wordt noodgedwongen een dagje uitrusten met uitzicht op de bergen, vers stokbrood, Franse kaasjes, beetje kletsen, beetje slapen en ’s avonds weer een lekkere Corsicaanse maaltijd bij het restaurant van de camping. De campingbaas houdt van koken en dat merk je aan de maaltijd: verse, pure ingrediënten en echt lekker van smaak. Goed eten.

Dag 49 – zondag 5 juni – Badderen in de rivier

Frans heeft gisteren een paragliding stek ontdekt in de bergen rond Vero in het midden van het eiland. Hij heeft vliegroutes voorbereid en vandaag gaan we bij de landingsplek kijken. Hij hoopt de komende dagen op goed weer om te vliegen.
We klimmen via een bergweg omhoog naar Col de Vizzavona, een geliefd wandelgebied waar ook de GR 20 – een honderdachtenzestig kilometer lange wandelroute over het eiland – passeert. De Col hangt in de wolken en het regent licht, terwijl het met tweeëndertig graden drukkend warm is.

In Vero gaan we even bij de landing kijken en Frans noteert een telefoonnummer van de lokale vliegschool. Er zijn geen paragliders actief vandaag en dat komt waarschijnlijk door de dreigende lucht en de harde windstoten.
We zoeken een camping in de buurt van Vero, zodat Frans de komende dagen in de buurt is van de vliegstek en kan vliegen mochten de omstandigheden goed zijn.
We vinden een camping aan een rivier. Vanuit onze camper hebben we zicht op het water en kunnen we zo een bad nemen in de natuurlijke zwempoelen, zodat we heerlijk afkoelen. We brengen de middag door met de was doen, zwemmen in de rivier, een ijsje eten en de finale van Roland Garros kijken op de laptop met uitzicht op de groene natuur en de rivier. We hebben het ultieme vakantiegevoel te pakken.
De eigenaresse van de camping had ons gewaarschuwd dat als het zou gaan regenen en onweren we direct uit het water moesten komen, omdat de waterspiegel in korte tijd ongekend hard kan stijgen. Maar de bui drijft over en het blijft droog, onze was wappert in de wind snel droog en ’s avonds wordt het koel. Voor het eerst in weken weer eens kippenvel en slapen onder een fleecedekentje. Met uitzicht op de maan vallen we in slaap.

Dag 50 – maandag 6 juni – Calanques de Piana

We worden wakker met uitzicht op de grote, groene boom waar we onder staan. We slapen tegenwoordig met de deur – en soms als het erg warm is ook met de achterklep – open, zodat we vrij zicht hebben op de natuur die ons omringt en we een nachtelijk briesje kunnen opvangen voor wat verkoeling.
Het is warm en droog voor de tijd van het jaar. De mensen op Corsica vertellen ons keer op keer dat het zo heet is en dat er zo weinig regen is gevallen dit jaar; ze maken zich zorgen over de klimaatverandering. Ze zijn bang dat hun eiland onbewoonbaar wordt als het vanaf begin juni al ver boven de dertig graden is.

Nog voor het ontbijt nemen we een bad in de rivier die allemaal leuke poelen heeft waar je languit in kan liggen. Het water is fris en dat is precies wat we nodig hebben. Na het ontbijt verlaten we de camping om richting West-Corsica te rijden. Frans heeft met de vliegschool in Vero gebeld, maar de komende dagen kan er niet gevlogen worden, er zijn gevaarlijke ‘wind gusts’: onverwacht, harde windstoten.
Rond de middag arriveren we in het schilderachtige plaatsje Piana. Bij het zoeken naar een parkeerplaats schampt de achterkant van de fietsendrager over de grond als we door een diepe kuil rijden. We horen een schurend geluid en stoppen. Het deel van de fietsendrager met het rechterlicht is afgebroken en sleept over de weg. Ook zijn we onze nummerplaat verloren. Ik loop terug om de nummerplaat te zoeken, Frans kijkt of er nog iets te repareren valt. Als ik terugkom hebben twee wegwerkers de fietsendrager met staaldraad gefixt. Ook het nummerbord zetten ze vast met staaldraad. Super tof die behulpzame Corsicanen.

We wandelen wat door het stadje zonder voorop gezet plan. Vandaag volgen we de flow. We besluiten te doen wat Fransen graag doen op hun vrije dag: uitgebreid lunchen. Het enige verschil is dat we er niet zoals de Fransen een fles wijn bij drinken. Met uitzicht op de Calanques de Piana verorberen we allebei een Corsicaanse maaltijdsalade. Ik iets met droge worst en artisjokken en Frans iets met geitenkaas en honing. Smullen.

Op aanraden van het toeristen bureau parkeren we hierna de auto bij het plaatselijke voetbalveld en starten van daaruit een wandeling met uitzicht op de Calanques: grillige, rozerode rotsformaties, die hoog boven de zee uittorenen. We klauteren omhoog en hebben een duizelingwekkend uitzicht naar beneden waar we ver beneden ons de auto’s tussen de rotsen door zien rijden. Het is adembenemend mooi.
Ineens voel ik me naar worden. Duizelig, slappe benen, bonkend hart. Ik denk dat ik last heb van de hitte, Frans denkt dat het misschien ‘hoogteangst’ is; een heftige, fysieke reactie van je lichaam op grote hoogte, een natuurlijke reactie bij het gevaar om te vallen. Hij heeft hoogteangst als onderdeel van de theorie bij het vliegen gehad. Het zou best kunnen kloppen, ik voelde me ineens bang en duizelig worden toen ik de diepte in keek.

In Piana doen we inkopen voor de avond en voor morgen als er een pittige wandeling op het programma staat. Over een extreem smalle weg die ons een uitzicht biedt op de blauwe zee en de rozerode rotsen dalen we af richting het strand van Arone waar de weg eindigt en waar wij een plekje vinden op de camping. Even bijkomen in de schaduw, eten koken en dan een avondduik in zee. Het zeewater is nauwelijks verkoelend, de golven komen zacht aanrollen zodat je er lekker op kan drijven.

Dag 51 – dinsdag 7 juni – Capo Rosso

Voor dag en dauw opgestaan en richting de parkeerplaats van Capo Rosso gereden. Een snel ontbijt en dan vertrekken we voor de beklimming van de rode kaap; een gigantische, rode rots die markant boven het landschap uitsteekt met op de top een toren, de toren van Linghini. Vanaf deze toren schijn je een prachtig 360 graden uitzicht te hebben op de Calanques, de baai, de bergen in het binnenland en de oceaan.
Om de warmte voor te zijn, zijn we zo vroeg mogelijk vertrokken. Het eerste stuk daalt en loopt gemakkelijk, we hebben direct al prachtige vergezichten op de baai met de bergen op de achtergrond. Als er een klein beetje schaduw is pauzeren we even voor een slok water, we hebben ons dik ingesmeerd met zonnebrandcrème en dragen een pet, mocht één van ons bevangen worden door de hitte dan hebben we een handdoek die we nat kunnen maken en in onze nek kunnen leggen. Maar voorlopig gaat het nog goed. We hebben ons voorgenomen gewoon te kijken tot hoever we komen, want de rots lijkt onneembaar. Zo steil, zo markant. Een onneembare vesting. Eerst lopen we door struikgewas omhoog, dan volgt een steile klim door een kloof, we stijgen hier heel snel, dan volgt een stuk over kale rode rosten waar we met handen en voeten over heen moeten klauteren. Dit deel is zo leuk en spannend dat we eigenlijk ongemerkt de toren zijn genaderd. Nog een kwartier flink door klimmen en dan bereiken we de top. We zijn euforisch. We hebben het gehaald. Wat een prestatie. Via ongelijke, smalle treden beklimmen we de toren om van het uitzicht te genieten. We krijgen er maar geen genoeg van.

Langzaam aan komen er ook andere wandelaars boven en wordt het tijd om rustig af te dalen. De afdaling is genieten. Eerst via de rode rotsen en dan het pad naar beneden. Vanuit zee waait er een verfrissende bries. Het laatste stuk terug naar de auto is weer klimmen, het is warm tussen de struiken, maar we doen rustig aan en pauzeren vaak. Aan het einde wacht een terrasje waar we ‘l’eau au sirope’ drinken, ons favoriete drankje op Corsica om af te koelen.

Via de imposante weg door de Calanques rijden we naar een camping les Oliviers in het plaatsje Porto gelegen aan een inham in zee. Het is een terrascamping met hele steile passages en het is erg vermoeiend om op de steile terrassen te zoeken naar een fijn plekje. We hebben de moed op een schaduwrijk plekje bijna opgegeven als we toch een goede stek voor onze bus vinden. Een grote plek, onder de bomen met uitzicht op de rotsformaties.
Op iedere camping moeten we eerst weer even wennen, de sfeer opsnuiven, ons plekje vinden en ons de plaats eigen maken en dan hebben we het naar de zin. Alle campings hebben voor- en nadelen; sommige hebben mooie ruime plekken in de natuur, andere hebben fijne voorzieningen zoals een restaurantje of een zwembad, andere campings zijn niet echt leuk maar kiezen we vanwege de centrale ligging om bijvoorbeeld een stad te bezoeken.
Het leuke aan de campings op Corsica is dat je geen afgebakende plaatsen hebt, meestal zijn het bosrijke gebieden waar je zelf je plek mag uitkiezen. Er is veel ruimte, privacy en natuur. Het sanitair is op z’n Frans; er staat een toiletpot en als je geluk hebt is er warm water. Maar met dit weer snak ik alleen maar naar een koude douche.

Als we ons hebben geïnstalleerd op de camping, klapt Frans het bed uit om een dutje te doen. Hij ligt in de camper en ik lig buiten op het picknick kleed naar de bomen te staren, als ik vanuit een ooghoek de camper zie bewegen. Heel langzaam glijdt de camper, met de klep open en de fietsendrager naar beneden geklapt naar achteren met Frans erin. ‘Hé Frans, de camper’, roep ik. Frans is snel wakker, komt overeind en trekt de handrem erop. Pff. Gelukkig net niet tegen de stenen gestapelde muur gereden. Mijn gympen staan nu klem onder het voorwiel. Alles bij elkaar toch een heel stuk naar achteren gegleden.

Trots over onze wandelprestatie van die dag gaan we slapen. Capo Rosso een echt hoogtepunt in onze vakantie.

Dag 52 – woensdag 8 juni – Werken en bloggen

We slapen lang uit. Het is zo heerlijk om zonder klok en zonder vast schema te kunnen leven, om de flow zijn werk te kunnen laten doen en gewoon te volgen wat zich op dat moment aandient. In plaats van ons gebruikelijke ontbijt met kwark en fruit nemen we vandaag pain au chocolat om de dag mee te starten. We kletsen lang over van alles en nog wat en dan gaat Frans wat werken en ik eindelijk weer eens bloggen, want ik loop een heel eind achter. Na twee uurtjes werken lopen we richting het zwembad voor een cappuccino en oefenen we ons Frans bij de dame van de bar. Sinds we op Corsica zijn volgen we Franse les op een app op de telefoon zodat we een klein praatje aan kunnen knopen met de lokale bevolking. De meeste Corsicanen spreken nauwelijks Engels en ze vinden het heel erg leuk als we proberen Frans te spreken.
Mij kijken ze meestal met grote vraagtekens in hun ogen aan als ik iets in het Frans probeer te zeggen, maar Frans begrijpen ze wel en hij krijgt regelmatig complimenten over zijn uitspraak. Ik kon veel makkelijker communiceren met de Italianen. Niet dat ik meer dan drie woorden Italiaans ken, maar bij hen praatte ik met mijn handen en zij communiceerden terug met hun handen en we begrepen elkaar.

Even een duik in het fraai aangelegde zwembad met rotsen en diverse op verschillende hoogte gelegen bassins. Als we in het water drijven hebben we uitzicht op de bergen. Imposante rode rotsformaties die hoog boven de pijnbomen, ceders en andere geurig ruikende bomen uittorenen.

Tegen de avond wandelen we langs de rivier naar het stadje Porto dat in een inham tussen de rotsen ligt. Het is een gezellig plaatsje met een haven en een vesting op de punt van een rots. We kiezen voor een hippie achtig visrestaurant en proberen de Corsicaanse wijn in combinatie met vis uit zee. De hemel is goudkleurig als de zon in de zee zakt en we langzaam terug wandelen naar de camping.

Dag 53 – donderdag 9 juni – Relaxen

Vandaag starten we de dag met een cappuccino, daarna gaan we uitgebreid douchen en dan pas ontbijten. Het lijkt erop dat Frans nu eindelijk echt kan relaxen: het werk is af, de vliegschool is even uit zijn hoofd, het gaat goed met zijn oog en we voelen ons sinds we corona hebben gehad weer fit. De hoest is over en we hebben weer energie.

Het wordt een luie dag. We praten en zwemmen, dutten en lezen, luisteren wat naar muziek, vallen in slaap, smeren ons in met zonnebrand, eten stokbrood met Franse kaas, wandelen even naar de rivier voor een dip. Frans zit al in een zwempoel als ik in het water twee slangen ontdek, of althans iets wat op een slang lijkt, het zou ook een vissoort kunnen zijn, hoewel ze heel onschuldig lijken en het vast niet op ons gemunt hebben, vind ik het toch geen aantrekkelijk idee om naast ze in het water te gaan zitten.

We borrelen bij de camper met hapjes en maken een maaltijdsalade klaar. Door al die cappuccino’s, pain au chocolat, wijntjes, ijsjes en stokbrood met Franse kaasjes ben ik veranderd in een dikke rolmops zonder taille. Terug in Nederland maar weer even gezond eten.

Dag 54 – vrijdag 10 juni – De kliffen van Bonifacio

Gisteravond realiseerden we ons ineens dat we niet meer zoveel tijd hebben: nog maar vier weken te gaan. Dat betekent één week Corsica, één week waarin Frans gaat paragliden want dat is er tot nu toe niet van gekomen, één week met goede vrienden en dan nog één week lesgeven met de vliegschool. Een beetje gênant natuurlijk om vier weken te ervaren als kort terwijl de meeste mensen vier weken vakantie als zeer royaal zullen beleven. Maar het is echt zo: de acht weken die we nu bijna onderweg zijn zijn omgevlogen, we hebben helemaal niet het gevoel dat we lang onderweg zijn. Wel zijn we het besef van dagen en weken kwijtgeraakt. Welke dag is het vandaag? Hoeveel weken zijn we nu onderweg? Daarom ben ik blij met mijn blog, dat houdt de herinneringen levend.
Het reizen smaakt wel naar meer. We hebben nu al zin om volgend jaar weer te gaan.

Omdat we ineens beseften dat we nog maar een week op Corsica hebben, hebben we een globaal plan gemaakt voor de komende dagen.
We vertrekken richting Bonifacio, het zuidelijkste puntje van Corsica, waar je het eiland Sardinië kunt zien liggen. Het is iets van tweehonderd kilometer maar door de slingerende bergwegen komen we niet boven de veertig kilometer per uur uit dus doen we er met een paar tussenstops de hele dag over om er te komen.
Het is een mooie route met uitzicht op zee en de bergen, we komen langs leuke strandjes en stoppen in slaperige dorpjes voor een koffie, een l’eau de sirope (mijn favoriete drankje) en een pannini. De camping die we hebben uitgekozen is een strategische keuze; vandaaruit kunnen we wandelen naar de haven en het oude centrum van Bonifacio. De camping is bommetje vol en het is warm. Maar gelukkig bemachtigen we een plaatsje in de schaduw, die we delen met een Franse fietser in een tentje en een groepje Duitsers. We staan vast tegen elkaar aan, als de Fransman naar het toilet wil, moeten wij onze stoelen verzetten zodat hij erlangs kan. Het schept een bepaalde solidariteit. Iedereen snakt naar schaduw, koelte en een plekje om bij te komen.
Er zijn veel wandelaars en fietsers met kleine tentjes op de camping. De Fransman vertelt dat hij vijftien mei op zijn fiets is vertrokken vanuit Le Mans en inmiddels zo’n vijftienhonderd kilometer in de benen heeft zitten. Het fietsen op Corsica vindt hij inspannend en gevaarlijk. Het is druk op de smalle wegen en de stijgingspercentages en bochten zijn pittig. Dat is ook de reden dat wij onze fietsen nog niet hebben gebruikt, behalve om af en toe boodschappen te doen, ik vind het te eng om hier te fietsen en mijn conditie is niet voldoende om uren achtereen bergopwaarts te gaan.

We treffen opvallend vaak leuke kleine campings voor tentjes, waar je zelf je plaatsje onder de bomen mag uitzoeken en waar op de schuine hellingen nauwelijks ruimte is voor ons busje, laat staan voor grote campers.

Rond vijf uur wandelen we via de haven waar een paar grote protserige jachten liggen te pronken naar het beneden centrum van Bonifacio, daarna klimmen we via een steil aangelegd pad met stenen omhoog naar de witte kliffen. We wandelen een eind over de toppen van de kliffen met uitzicht op zee en zien de grote ferry’s op weg naar Sardinië.

Dag 55 – zaterdag 11 juni – Escalier d’Aragon

Rond zes uur wandelen we opnieuw richting de kliffen van Bonifacio. We gaan een mooie wandeling maken waarvoor het gisteravond te warm was. We klauteren tussen laag struikgewas door met uitzicht op zee en op de uitgesleten witte krijtrotsen. Op een steen met uitzicht op de oude stad, die hoog op een rots ligt, ontbijten we. Genieten zo rustig met z’n tweetjes in de vroege ochtendzon.

Rond de middag wandelen we via de oude toegangspoort van de vesting naar het oude centrum van Bonifacio, dat lange tijd onder Italiaans bestuur stond en nog veel Italiaanse invloeden heeft. De naambordjes zijn bijvoorbeeld in het Frans en in het Italiaans.
In de oude muren van de vesting is een galerie van een Franse kunstenares waar we even een kijkje nemen. De kunstenares legt uit dat haar kunstwerken gebaseerd zijn op de natuur en een combinatie zijn van fotografie en schilderen. De kleurrijke schilderijen spreken me erg aan. Na deze leuke, onverwachte ontmoeting is het tijd voor een drankje.
De straten zijn nauw en hebben grote hoogteverschillen, we wandelen naar het uiteinde van het schiereiland waar het stadje op ligt en komen bij de begraafplaats aan waar alle families een eigen huisje hebben als familiegraf. Echte huisjes met een voordeur waar alle leden van de familie boven de grond liggen begraven. De kist in de aarde laten zakken zoals bij ons gebeurt kan niet op deze rotsige bodem.

We hebben uitzicht op idyllische baaien met witte zandstranden die in de diepte verscholen liggen tussen de beboste heuvels. En dan komen we bij het hoogtepunt van de dag: de trap van Aragon. Een smalle, steile trap met tweehonderdtreden die afdaalt naar de zee. Het is er glibberig, je mag alleen naar beneden als je stevige schoenen aan hebt en we moeten een helm op. Ik klem me aan de leuning vast en ga stapje voor stapje naar beneden. Daar aangekomen is een smal pad in de rotsen uitgehakt, links de blauwe zee, rechts, onder en boven de witte rotswand. Elkaar passeren is eng en gaat net. Het is spectaculair. Prachtig. Hartslagverhogend.  En we krijgen er een enorme kick van. Wat is dit mooi. Uiteindelijk klimmen we weer omhoog en wandelen moe en uiterst tevreden terug naar de camping.

Bonifacio en L’Escalier d’Aragon zeker bezoeken als je op Corsica bent!


Dag 56 – zondag 12 juni – U Furu

We zijn er inmiddels aan gewend dat de bodem op de campings bestaat uit rotsen met daarover heen een laagje bosgrond dat ervoor zorgt dat onze lakens vol zwarte vegen zitten en alles is bedekt met een laagje stof. We hebben al grappige gezichtjes op de stoflaag die de lak van de camper bekleedt getekend. Maar gisteren hebben we een wasstraat ontdekt en daar gaat Frans aan de slag om de camper schoon te spuiten. Als het uiteindelijk is gelukt om te betalen, lijkt de hogedrukslang een eigen leven te leiden en blijft eindeloos water spuiten, er zit geen stopknop op. Met een frisse camper en schone ruiten verlaten we Bonifacio. We hebben getankt én hebben een nieuwe bus campinggas kunnen kopen, want ons gas was op.

Rond tien uur parkeren we de auto strak in de berm voor Palombagia beach dat door Lonely Planet tot mooiste strand van 2020 is uitgeroepen. Een groot wit zandstrand met grote groene bomen, af en toe wat rotsen die boven het turquoise water uitkomen. Inderdaad een prachtig strand. Het water is warm en er zijn nauwelijks golven. Toch koelen we er wel iets van af. Bij een rieten strandtentje nemen we een drankje, dan leggen we onze handdoeken uit onder een grote pijnboom, die zijn naalden op ons laat vallen. Wanneer we ons weer opgewarmd voelen, gaan we opnieuw het water in. Rond twaalf uur wordt het te warm voor ons en verlaten we het mooie Palombagia strand.
We koersen af op een supermarkt waar we royaal inkopen doen zodat we voor een paar dagen eten en lekkere dingen in de camper hebben, voordat we naar U Furu rijden, een camping richting de bergen in het binnenland, gelegen in de middle of knowwhere.

Bij U Furu is het droog en warm. Aan de kust was de wind verfrissend, maar hier is de wind heet. Net of er een warme föhn op je gericht is. Op de camping hangen overal brandslangen en er is een voortdurende dreiging van bosbranden.
Het zwembad ligt idyllisch met uitzicht op de bergen. We wisselen af tussen een plekje in de schaduw en een duik in het zwembad.

De warmte blijft lang hangen en we slapen ’s nachts met de deuren en de achterklep wijdt open, met uitzicht op de volle maan en de sterren.

Dag 57 – maandag 13 juni – Canyoning

Twintig minuten wandelen door de natuur vanaf ons campingplekje komen we bij een rivier waar natuurlijke zwempoelen en watervallen zijn. Campinggasten hebben ons hierover getipt en de route aangeraden. Om er te komen is wel een uitdaging. Hiervoor moeten we een stukje door de rivier omhoog klimmen over rotsen en door stroomversnellingen heen. Soms moet je handen en voeten gebruiken om over de rotsen te klimmen, soms hangen er touwen om je aan op te trekken, of zijn er planken geslagen waar je houvast aan hebt, dan weer loop je over een smal paadje langs een afgrond. Het is uitdagend en spannend, maar onze moeite wordt beloond. We zien twee prachtige watervallen en zwemmen wat in het bassin ervoor, dan zien we dat de rode markering nog verder gaat en besluiten we nog een stukje door de canyon omhoog te klauteren. Nu komen we bij een ruim bassin met kleine waterval, als we nog verder klimmen, een eng stukje waar je goed moet kijken waar je je voeten neer kunt zetten, komen we bij een sprookjesachtige waterval met grote groene varens en donker water waar we op een rots gaan zitten om van het uitzicht te genieten. We eten een baguette en drinken wat water op ons picknick kleed op de rots, daarna laten we ons voorzichtig in het donkere water zakken en gaan met ons hoofd onder de waterval staan. Het water is verfrissend en maakt ons lekker koel.

Een groot deel van de dag brengen we in en bij de rivier door, dan maken we ons op om de spannende route naar beneden te volgen. Ik ben er een beetje huiverig voor, omdat ik beter ben in klimmen dan in dalen, maar het is te doen. En voor we het in de gaten hebben zijn we weer terug bij de camping waar we lekkere hapjes klaarmaken en een fles wijn lostrekken.

Dag 58 – dinsdag 14 juni – Het Bavella gebergte

We slapen uit en nemen nog een laatste duik in het zwembad voor we U Furu verlaten en naar het Bavella gebergte rijden. Onderweg stoppen we bij Lac d’Ospedale – een groot meer waar je niet mag zwemmen omdat het voor drinkwater wordt gebruikt – om te lunchen op een omgevallen boomstronk aan de rand van het water in de schaduw van grote kastanje bomen.
Bij het Bavella gebergte installeren we ons op camping Bavella Vista; een boscamping met schuine plaatsen en veel schaduw.

Eind van de middag wandelen we naar het centrum van Zonza waar we brood inkopen voor de wandeling voor de volgende dag en langs het toeristenbureau lopen voor informatie over de wandelingen op de Col de Bavella. De beroemde GR20 komt hier langs en ik zou hier graag een stuk van willen wandelen. Ook zou ik heel graag naar het Plateau de Cosciou gaan, waar paarden, runderen en zwarte varkens vrij rond lopen op een grote grasvlakte met meren en rivieren. Maar het meisje van het toeristen bureau dat ons via google translate te woord staat, raadt ons af om naar het plateau te rijden met de auto, de route er naar toe is alleen geschikt voor four-wheel-drives. En het is te ver om te lopen en fietsen is door de enorme kuilen – boucles genoemd – ook niet echt een optie, dus zet ik Plateau de Cosciou uit mijn hoofd.

’s Avonds wandelen we een stuk door het bos naar een rivier, waar we eventueel weer zouden kunnen zwemmen, maar we lopen terug om op tijd terug te zijn voor het donker en bereiden de wandeling voor morgen alvast voor. We hebben gezelschap gekregen van een groep motorrijders die zich in hun slaapzakken naast de motor installeren en flink snurken en boeren. Hopelijk rijden ze morgen weer verder.

Dag 59 – woensdag 15 juni – Refugio de Parini

We verlaten zo stilletjes mogelijk de camping waar iedereen nog slaapt en rijden naar de Col de Bavella waar we de camper achterlaten op een parkeerplaats en eerst nog even langs het toeristenbureau gaan voor goede informatie over de wandeling. De dame van het toeristenbureau vertelt dat de wandeling die we willen maken eenvoudig is en grotendeels door het bos gaat. Het is een makkelijk pad en het is niet nodig om stokken mee te nemen.
Al snel komen we erachter dat hier weinig van klopt en ben ik chagrijnig dat we haar advies hebben opgevolgd en de wandelstokken in de camper hebben laten liggen. Het pad klimt en daalt flink en door de rotsen en keien die er liggen had ik mijn wandelstokken heel goed kunnen gebruiken om makkelijker balans te houden. Het pad is weliswaar mooi, maar in het begin kan ik er niet van genieten, omdat ik de stokken mis, het heel warm is en ik me zorgen maak of ik het wel ga halen in deze omstandigheden.

De GR20 staat bekend als één van de pittigste Grande Randonnees van Europa. De route is honderdzestig kilometer lang, verdeeld over vijftien etappes en gaat dwars door de meest afgelegen berggebieden van Corsica, grote delen zijn alleen per voet bereikbaar. In 2015 zijn zeven wandelaars op de route overleden toen er een heftig onweer uitbrak en de wandelaars ergens op een bergketen werden getroffen door het noodweer. Sindsdien is de route enigszins aangepast.
Vandaag komen we in alle vroegte GR20 wandelaars tegen met grote rugzakken op, die het traject van honderdzestig kilometer er bijna op hebben zitten en met hun één na laatste etappe bezig zijn. We maken een buiging voor ze en hebben diep respect voor deze sportieve mannen en vrouwen die per dag zo’n tien tot veertien uur lopen. Wij houden het bij een wandeling naar refugio de Parini waar we bijna tweemaal zo lang over doen als gepland. Het klimmen en dalen zonder stokken gaat langzaam, het is snikheet en het is veel verder dan we dachten, maar we worden beloond met prachtige vergezichten over de toppen van het gebergte en in de verte zien we de zee glinsteren in de zon.
Frans heeft stokken voor ons gezocht die we kunnen gebruiken om gemakkelijker ons evenwicht te bewaren. Het helpt. We lopen allebei met één stok en dat maakt het al gemakkelijker ook al hebben de stokken niet precies de goede lengte, het is beter dan geen stokken.
Als we aankomen bij de refugio voel ik me oververhit en ga ergens in de schaduw op de grond liggen. Ik voel me bevangen door de hitte en moet echt even bijkomen. Frans heeft een blikje koele cola gescoord en maakt een boterham met kaas voor me. Na een uurtje bij tanken en een reep chocola heb ik weer voldoende energie voor de terug tocht.

Bij een natuurlijke bron houd ik mijn hoofd onder het water en laat het via mijn nek naar beneden lopen. Daarna maak ik mijn shirt nat en laat mijn pet vollopen met water en zet deze vervolgens weer op mijn hoofd. De terugtocht verdelen we in kleine etappes met regelmatige korte stops om water te drinken, wat te eten en even in de schaduw te pauzeren. En zo lopen we langzaam terug. Op de terugweg zie ik pas hoe mooi het hier is. Bij een beekje houden we een lange pauze waarbij we onze voeten in het koude water laten bungelen.
Het laatste stuk is een klim door het bos en dan zijn we terug bij Bavella village waar we op een terrasje een drankje nemen met een zak chips om de zouten aan te vullen en nog even genieten van de vergezichten op het Bavella massief dat wel de Dolomieten van Corsica wordt genoemd met zijn rode en grijze rotspilaren.

Het was een inspannende, lange en pittige wandeling waarbij we de wandelstokken goed hadden kunnen gebruiken. Frans stelt voor om nog even langs de dame van het toeristenbureau te gaan om haar dit even onder de neus te wrijven, maar het toeristenbureau is al gesloten als we er om iets over zessen aankomen.

Dag 60 – donderdag 16 juni – Croix de Leccia

We rijden opnieuw naar Col de Bavella. Bij een drankje genieten we van het uitzicht op de imposante toppen, dan volgen we de groene markering naar Croix de Leccia. Het is een wandeling die als moeilijk wordt bestempeld, het is dan ook geen gewoon pad dat ons naar het kruis op één van de toppen leidt. Het kruis is van beneden af nauwelijks te ontdekken en het bergmassief lijkt onbereikbaar voor gewone wandelaars. Ik vind het altijd weer ongelooflijk wat je als mens kan, dat je die rotsen kunt bedwingen en dat je paden kunt vinden om op de top te komen. We klauteren via handen en voeten omhoog over de steile rotsen, we bereiken daardoor snel grote hoogte en zien de auto als een piepklein stipje onder ons op de parkeerplaats staan. Het is heet en het klauteren is inspannend. Ik voel mijn hart in mijn keel bonken. In de schaduw van een waaiervormige boom houden we pauze om even op adem te komen en van de omgeving te genieten. Dit is echt kicken. Wat een spectaculaire wandeling zijn we aan het maken. We klimmen door een smalle kloof omhoog. Omdat het pad zo smal en uitdagend is hebben ze het éénrichting gemaakt, je moet via de achterkant van de berg via een ander pad weer omlaag. Gelukkig is het lekker rustig vandaag en hebben we het pad bijna voor onszelf, want elkaar passeren is lastig en ik zou me toch ongemakkelijk voelen als ik met mijn tempo iedereen zou ophouden.

Uiteindelijk komen we in een kom met rondom ons hoge bergtoppen met op één van die toppen het kruis. Frans klimt het laatste stukje naar het kruis en steekt in een overwinnend gebaar zijn handen omhoog. We houden een lange picknick en gaan dan op zoek naar het pad dat ons naar beneden moet leiden. Het is even zoeken voor we het hebben gevonden, de markering mist en het is zoeken hoe we naar beneden kunnen komen, heel langzaam voetje voor voetje de weg zoekend dalen we af. Bij de grote rotsen laat ik me op mijn billen zakken en zoek voorzicht een plekje waar ik mijn voet kan neerzetten zonder weg te glijden.
Na een tijdje krijg ik trillende benen van de inspanning en moeten we even pauzeren voor we weer verder kunnen, maar wat is dit genieten. Het laatste stukje loopt weer via de GR20 maar dan aan de andere kant van de col dan we gisteren hebben gelopen.

Bijna euforisch nemen we nog een drankje op het terras voor we aan de spectaculaire veertien kilometer lange Bavella route beginnen. De weg is smal en vol spectaculaire bochten en uitzichten, af en toe moeten we een stukje achteruit rijden om elkaar te kunnen passeren. Onderweg zien we in een rivier mensen zwemmen. Na een uur rijden zijn we het berggebied uit en volgen we de vlakke kustweg richting Bastia. Het is er druk. We rijden door dorpjes met zebrapaden waar mensen oversteken, boodschappen doen, drukke rotondes, vrachtwagens op de weg; het is even wennen na de rust in de bergen.
Bij camping Bagheera in Bravone vinden we een plekje in een bosgebied aan zee. Het is een enorm terrein waar kriskras overal tenten en busjes staan en waar je zo naar de zee kan wandelen. Een grote baai met zacht wit zand en een paar gezellige tentjes om iets te eten en te drinken. We nemen snel een duik in zee, want het is nog steeds ruim boven de dertig graden.

’s Avonds eten we in een chic wit restaurant met een terras boven de zee, waar de zeebries waait en ons verkoelt. Een vers gevangen vis en een wijntje en het is net of we in het paradijs zijn.


Dag 61 – vrijdag 17 juni – Boot naar Marseille

Na het ontwaken rennen we direct de zee in. Er zijn nauwelijks golven en je kan echt einden zwemmen en op je rug dobberen zonder dat je afdrijft of in diep water terecht komt. Daarna douchen, bij de kampwinkel een vers stokbrood en pain au chocolat kopen en ontbijten onder de bomen.
Vanavond nemen we de boot naar Marseille, maar we mogen de hele dag op de camping blijven en kunnen gebruik maken van het strand, de zee en het sanitair. Dat is heel fijn.
Frans werkt nog wat voor een klant, ik lees wat en dan gaan we lunchen bij een restaurant aan zee, waarna we uitbuiken in een hangmat en siësta houden. Nog een laatste duik in zee, afdouchen en dan vertrekken we richting de haven van Bastia.
Ik had me al voorbereid op lange wachttijden in de gloeiend hete zon, maar deze keer gaat het aan boord gaan efficiënt en gestructureerd. Frans laat de motor draaien zodat we airco hebben als we in de volle zon staan en ik heb een badhanddoek opgehangen voor het raam om de zonnestralen te blokken. Na controle van de bus, het laten zien van onze paspoorten en de tickets mogen we het schip oprijden. De Jean Nicola is een groot, oud, rood geschilderd schip van de maatschappij Corsica Linea. We hebben voor de overtocht bewust voor een andere maatschappij dan Corsica ferry’s gekozen na onze vorige ervaringen.

We pakken onze spullen voor de overtocht in en gaan op zoek naar onze vierpersoonshut, daar droppen we onze bagage en dan gaan we op het dek kijken hoe Corsica langzaam uit het zicht verdwijnt. Dat duurt nog een hele tijd. We varen langs diverse eilanden, waaronder Elba het eiland waar Napoleon Bonaparte naar werd verbannen na de slag om Waterloo. Napoleon is één van Corsica ’s beroemdste bewoners, hij werd in Ajaccio – de huidige hoofdstad van Corsica – geboren.

We eten een couscous salade in onze hut en brengen de tijd door met kletsen en lezen, want we hebben geen internet aan boord. Frans baalt want zijn telefoon heeft contact gemaakt met een satelliet zonder zijn toestemming en dat grapje kost zestig euro. Om erger te voorkomen zetten we allebei onze telefoon uit.
De boottocht verloopt rustig en mijn angst om zeeziek te worden is ongegrond.

Morgenvroeg zijn we weer op het vasteland. We verwachten dat het daar wat koeler zal zijn dan op Corsica, waar we eigenlijk continu temperaturen rond de dertig graden hebben gehad. Maar dan zien we op een televisiescherm toevallig het weerbericht voor morgen: er is een hittewaarschuwing in heel Frankrijk, in zeventien departementen wordt het tegen de veertig graden. En waar is het morgen het koelst? Juist. Op Corsica!

Dag Corsica; ruig, woest aantrekkelijk eiland met zee, bergen en oude vestingstadjes. We komen graag nog een keer terug.  

Deel Zes – Bella Italia

Dag 40 vrijdag – Aankomst in Ancona

Vooraf ben ik wat angstig voor de overtocht; ik ben bang om zeeziek te worden. Sinds de corona voel ik me vreemd duizelig en als ik denk aan een deinend schip moet ik al bijna braken, maar de zee ligt erbij als een spiegel en het schip glijdt bijna roerloos door het water. We staan nog een tijdje op het dek te kijken hoe we langs en tussen de vele eilanden door varen, we zien hoe de zon achter één van die eilanden verdwijnt en als het donker wordt gaan we naar onze hut waar we brood met kaas, wat fruit en water nemen dat we zelf hebben meegenomen aan boord. Ik publiceer mijn laatste blogberichten en dan vallen we heerlijk in slaap op het gebrom van de motor van het schip.

Ik schrik wakker van de omroeper die in het Italiaans meldt dat we de haven van Ancona naderen. We kleden ons snel aan en gaan op het dek kijken. Het Italiaanse landschap ziet er zo anders uit dan het landschap in Kroatië. Italië is een lappendeken van plukjes groen met gele velden, van glooiende heuvels en zachte rondingen, tegen de hellingen pastelkleurige dorpjes geplakt. Zacht, dromerig, geel van kleur, schilderachtig. Het Kroatische landschap is  fris groen en diep blauw, helder, krachtig, sprookjesachtig en contrastrijk. Het meest opvallende in Kroatië is denk ik het ontbreken van weides en akkers. Het is een leeg landschap, vol natuur, eindeloos groene bergen zonder steden, zonder landbouw en met een goed verzorgd wegennet. Italië is chaotisch, we zijn direct al de richting kwijt, de wegen kronkelen, maken onlogische bochten en zitten vol met honderdtachtig graden draaien. Het wegdek is slecht, vol kuilen, hobbels en gaten. De wegen zijn druk; vrachtwagens, tractoren, brommers, alles rijdt door elkaar, de bewegwijzering staat op onlogische plaatsen en het duurt eindeloos voor we Ancona uit zijn.

Via een weg met tunnels waar ze aan het werk zijn, waardoor we soms in een tunnel komen met tegemoet komend verkeer en dan ineens van weghelft moeten wisselen, rijden we richting het spirituele plaatsje Assisi. Omdat we nog niet hebben ontbeten zoeken we een parkeerplaats, maar we hebben er nog geen één gezien in de anderhalf uur dat we al onderweg zijn. Daarom gaan we van de weg af en volgen borden naar de grotten van Frassisi. We hebben er nog nooit van gehoord, maar het blijkt een grote attractie te zijn. Toen we uit de laatste tunnel kwamen, was het landschap ineens veranderd in grote groen beboste bergen. In die bergen is een enorm grottenstelsel ontdekt en daar kun je dus een rondleiding krijgen. Je krijgt dan laarzen en een helm en gaat kruipend op handen en knieën door de grot. We besluiten toch maar om deze attractie over te laten aan de bussen met schoolkinderen die net aan komen rijden. Wij parkeren de bus onder een grote boom en zetten onze stoeltjes en tafel buiten voor een uitgebreid ontbijt. Het is inmiddels negen uur en al behoorlijk warm.

Frans voelt zich niet zo lekker en daarom ga ik rijden, zodat hij kan uitrusten en van het landschap genieten. Onze navigatie stuurt ons via een bergweggetje richting Assisi. Het wegdek is heel slecht. Gelukkig is er bijna niemand op de weg, behalve een ambulance die in een rustig tempo voor me rijdt, zodat ik me niet opgejaagd voel als ik in mijn eigen slakkengangetje de berg op ga.

Rond twaalf uur zijn we bij campechio Fontemaggio dat op een groot bosachtig terrein ligt. Behalve een camping is er ook nog een jeugdherberg, een hotel en iets dat ze aanduiden als ‘papi’, een soort onderkomen voor pelgrims. Assisi is namelijk een pelgrimsoord waar pelgrims uit de hele wereld samenkomen voor inspiratie, kracht en genezing.
Het is heet en Frans heeft last van de warmte. Het valt me op dat het in het oude gebouw waarin de receptie is gehuisvest wel tien graden koeler aanvoelt dan buiten. Ik vraag daarom naar een koele hotelkamer, zodat Frans kan bijkomen van de hitte. Tot mijn verbazing is alles volgeboekt. Er is alleen nog voor één nachtje ruimte in de jeugdherberg.
Ik verwacht niet veel van de jeugdherberg; maar de kamer is koel en schoon. Een fijne plek om uit te rusten. Frans valt al snel in slaap en ik ga lekker liggen lezen.

Frans ontwaakt verkwikt uit zijn slaap en voelt zich fit genoeg om richting Assisi te wandelen. Via een pad langs oude olijfbomen komen we bij het spirituele stadje aan. Het is net een openlucht museum; het ene gebouw nog mooier dan het andere. Er zijn meer dan vijftien kerken, basilieken en kathedralen te bewonderen; maar wij kiezen voor de naamgenoot van Frans: de basiliek van San Francesco. Gebouwd ter ere van de heilige Franciscus van Assisi. De basiliek is erg mooi vanbinnen, met ronde welvingen waarop de donkerblauwe hemel met sterren is afgebeeld en talrijke fresco’s en muurschilderingen met hemelse taferelen. De kleuren zijn licht en vrolijk. De basiliek bestaat uit twee verdiepingen; boven is een enorme ruimte, wijds en open, beneden zijn ronde bogen en gewelven en liggen de beenderen van San Francesco. Vanaf de basiliek heb je een mooi uitzicht over de omringende groen met gele heuvels.

We dwalen wat door de nauwe straatjes die flink omhoog en omlaag gaan. Assisi ligt tegen een heuvel aangeplakt, net als wel meer middeleeuwse Italiaanse dorpjes. De heilige Franciscus leefde in de twaalfde en dertiende eeuw.
We kopen een broodje falafel en eten dit op bij een bankje bij de fontein op het centrale plein waar een gitarist nummers van Pink Floyd speelt. Net voor sluitingstijd komen we bij de basiliek van San Clarissa; de heilige Clara van Assisi, waar later de kloostergemeenschap van de Clarissen uit is voortgekomen. De basiliek is roze met wit gestreept en heeft grote ronde bogen. Het is een elegant en vrouwelijk gebouw. In de kelder is de tombe van de heilige Clara; een prachtig beschilderd rond vertrek met marmeren bogen in groen, roze, en zwart. Hier steken we kaarsjes aan om onze dierbare overledenen te gedenken en een zieke vriendin kracht en hoop te schenken. Zij krijgt die dag te horen of ze in aanmerking komt voor een immunokuur.

Tevreden wandelen we terug naar onze koele kamer in de jeugdherberg.

Dag 41 zaterdag – Lago di Trasimeno

Na een ontbijt in de ochtendzon, gaan we naar de receptie om af te rekenen. Een zachtaardige Italiaan vertelt ons dat er een probleem met het computerprogramma is; we staan ingeschreven voor de camping en het programma kan dat niet omzetten naar een kamer in de jeugdherberg, daarom berekent hij ons alleen de kosten voor de camping; de helft van wat de kamer eigenlijk zou kosten. Een leuke meevaller en we nemen hartelijk afscheid van de vriendelijke man.

’s Ochtends wandelen we nog wat door het stadje, bekijken wat kerken en lopen dan een stukje pelgrimsroute door het bos naar een plek waar Franciscus vaak ging mediteren in de natuur. De pelgrimsroutewordt onderhouden door een organisatie, die we graag sponsoren met een kleine bijdrage voor hun goede werk. Hoewel we in de schaduw lopen, hangt de hitte tussen de bomen. Het is windstil en ik heb het warm en benauwd. Als we bij de plek aankomen moet ik even gaan zitten. Iets verderop is een restaurant waar we iets willen eten, want we hebben honger. Maar de ober vertelt ons dat alle plaatsen zijn gereserveerd; het leuke van Italianen is dat er altijd wel iets valt te regelen, dus komt de ober even later met twee hamkaas broodjes aan die we dankbaar in ontvangst nemen. Ik sluip het toilet in, maak twee papieren handdoekjes nat en leg die in mijn nek, daarna ga ik op de grond in de schaduw zitten. Als we de broodjes op hebben, gaat Frans de camper halen. Ik ben blij dat ik niet meer hoef te lopen.

Op de berg achter Assisi is een startplek om te paragliden, maar er hangen inmiddels donkere onweerswolken in de lucht, die paragliden onveilig maken. We gaan nog wel even naar de landingsplek kijken, maar die is, zoals we al hadden verwacht, verlaten.

Daarna rijden we door naar het meer van Trasimeno waar we een leuke camping aan het water vinden. We staan op de parkeerplaats net bij een tennisbaan, want eigenlijk is de camping volgeboekt. Wat is dat toch in Italië? Overal waar we komen is het vol en het hoofdseizoen is nog niet eens begonnen.

Tegen de avond breekt een heftig onweer los; een oogverblindende flits direct gevolgd door een donderslag die de camper doet trillen. Gelukkig zitten we veilig in onze bus. Al snel regent het pijpenstelen en verandert de droge grond om ons heen in een modderstroom.

Dag 42 zondag – Fietsen

Na de sprookjesachtige turquoise meren in Kroatië valt het meer van Trasimeno een beetje tegen. Het water ziet er een beetje viezig uit en is niet geschikt om in te zwemmen. Rondom het meer is een onverhard fietspad aangelegd dat we vandaag een stuk gaan fietsen. Het fietspad is niet spectaculair maar de dorpjes zijn gezellig en ze serveren er heerlijke cappuccino. We fietsen een stuk langs het meer, door velden met riet en door olijfgaarden. In één van de plaatsen is een Enduro motorrace aan de gang. Jonge motorcoureurs laten er hun vaardigheden op de motor zien. Jonge jongens en meiden die beheerst de steile berg omhoog scheuren, over keien en door uitgesleten sporen. Het roept herinneringen op aan het WK motorracen voor junioren in Cingoli waar we in 2011 met vrienden waren.

In een supermarkt verheugen we ons over alle lekkernijen die ze hier hebben. We kopen kersen, perziken, een quinoasalade, olijven, kaasjes, avocado’s en een fles Limoncello. Bij de camping nemen we eerst een kijkje bij de oever van het meer, daarna koelen we af in het zwembad en dan is het tijd voor een glaasje Limoncello. Heerlijk!
Op de tennisbaan die vol ligt met bladeren en dopjes uit struiken en bomen slaan Frans en ik een balletje waarbij we de grootste lol hebben. We hebben allebei slappe benen van de alcohol en de warmte. We sluiten de dag af met een maaltijdsalade en een verfrissende douche voor het slapen gaan.

Dag 43 maandag– Siena

We vertrekken vroeg richting Siena. Om negen uur parkeren we de bus op een parkeerterrein net buiten het centrum. Het is maandagochtend en Frans heeft tijdens de autorit al een paar telefoontjes van klanten gehad met noodoproepen. Blijkbaar is er een up-date geweest in een programma waardoor er bij alle klanten iets misgaat. Frans bouwt de camper om tot mobiel kantoor en gaat aan de slag om de problemen bij zijn klanten op te lossen. Rond een uur of elf zijn de klachten verholpen en kunnen we de stad in. Via een viertal lange roltrappen gaan we naar het hooggelegen oude centrum van Siena waar we eerst een kopje koffie drinken in een piepklein cafeetje. Via het Piazzo del Campo, een schelpvormig plein in het hart van de stad met het Palazzo Publico, het fraaie stadhuis, klimmen we via smalle steegjes omhoog naar de Duomo di Siena, een zwartwit gestreepte kathedraal. De vloer van de kerk is van ingelegd marmer met diverse afbeeldingen van mozaïek. In de bibliotheek liggen handgeschreven en handgeschilderde bijbels, het plafond van de bibliotheek is helemaal beschilderd met bijbelse taferelen.
In de Maria kapel gelegen in een zijbeuk van de kerk steken we een kaarsje aan voor onze vrienden, die vandaag afscheid moeten nemen van hun (pleeg)moeder. We wensen hen een mooi afscheid.
Rond drie uur krijgen we een rondleiding die ‘Del Cielo’ heet en die ons naar het dak van de kathedraal brengt. Via een wenteltrap klimmen we in één van de torens omhoog, totdat we aan de rand van het dak komen. Het uitzicht is duizelingwekkend. Van grote hoogte kijken we uit over het landschap en de zwartwit gestreepte wanden van de kerk. We zien de rode daken van Siena diep onder ons liggen. Ook kunnen we van bovenaf in de kerk kijken, waardoor we een prachtig overzicht krijgen van de ruimte.
We hebben ook kaartjes voor het beklimmen van een oude stadsmuur, die hoog boven het landschap uittorent. Je ziet de mensen er als kleine mieren op lopen. Het ziet er eng en heel spectaculair uit. Bij het eerste deel van de klim voel ik me echter niet lekker worden; duizelig, misselijk en slappe benen. Ik moet er even bij gaan zitten. Waarschijnlijk is het een combinatie van de hitte, de inspanning, de naweeën van de corona en het ademen door een mondkapje. In Italië worden in openbare gebouwen en winkels nog steeds mondkapjes gedragen. In Nederland had ik er geen problemen mee, maar bij temperaturen over de dertig graden is het erg benauwend om door een mondkapje te ademen, zeker als je meer dan honderddertig treden op moet klauteren. Met enige spijt in ons hart laten we het uitzicht van de stadsmuur aan ons voorbij gaan. Frans is solidair met mij en gaat ook niet naar boven. In plaats daarvan nemen we op een terrasje met uitzicht op de achterkant van de Duomo een verkoelend drankje.

Het is rond vijf uur wanneer we in een hete camper richting Pisa rijden. Het is druk op de weg en hoewel het qua kilometers niet zo ver is, schiet het niet erg op. Rond half acht arriveren we bij camping Torre Pendante, die helaas volgeboekt is. We rijden nog een half uur rond om een camping te vinden die wel een plekje voor ons heeft. We komen uit op een echte Italiaanse camping vol met ingebouwde caravans met overdekte terrassen waar Italianen uit de stad verkoeling en ontspanning zoeken. Wij staan op een bruin verdord veld. Ik voel me nog steeds niet lekker en ga uitgeteld in een stoel liggen. Frans gaat met de fiets op zoek naar pizza.
De calzone is smaakvol. En het eten doet me goed. Onze Belgische buren komen een praatje maken. Hij blijkt ook een paraglider te zijn en al snel halen ze hun campingstoel erbij en schenken wij een kop thee en serveren daarna een glaasje Limoncello. We kletsen tot het al lang donker is over reizen, ecologisch bouwen, coaching, spiritualiteit en nog veel meer. Tevreden vallen we in slaap.

Dag 44 dinsdag – Optical Coherence Tomografie

Het is bijna vier weken geleden dat Frans de netvliesscan voor zijn oog heeft laten maken en is gestart met de medicijnen. Het is tijd voor een controle scan. Hoewel het zicht is verbeterd zijn we gespannen voor de uitslag. Frans heeft in Pisa een oogkliniek gevonden en daar gaan we op goed geluk naar toe. Als we aan de balie staan en uitleggen dat we een OCT – een optical coherence tomografie – willen, vraagt de vrouw wanneer we dat zouden willen. ‘Nu?’, vragen we enigszins verontschuldigend. Ze staat op en loopt weg. Even later komt ze terug. Ze gebaart ons haar te volgen en we komen bij een wachtruimte waar we plaatsnemen op grote leren stoelen. Na een minuut of tien mogen we een jonge dame volgen die de scan uitvoert en ook de oogdruk opmeet, waarna we weer plaatsnemen in de wachtruimte. Na weer ongeveer tien minuten mogen we bij de arts komen, die geen Engels spreekt, maar naar de uitgeprinte versie van de scan wijst, een duim opsteekt en ons resoluut vertelt dat alles ‘tutto bene’ is. Na een kleine driekwartier en tachtig euro lichter staan we blij dansend op de stoep. Alles helemaal goed.
Frans fotografeert de afdrukken van de scan en stuurt ze ter beoordeling door naar de arts in Nederland. Ter vergelijking doen we de afdrukken van de eerste scan er ook bij. Even later belt de arts en vertelt dat alles er inderdaad prima uitziet en dat Frans mag stoppen met de medicijnen. Joepie! Dat is een opluchting.

We zijn op een paar honderd meter van de toren van Pisa, maar we hebben geef puf om er naar toe te wandelen. We zijn moe, hongerig en hebben last van de warmte. Misschien hebben we ook nog wat last van de naweeën van de corona, want we hoesten allebei nog steeds klodders weeïg zoet smakend slijm op.

Nu de oogscan achter de rug is kunnen we weer plannen maken voor het vervolg van de reis. We zijn allebei een beetje klaar met de drukte en de hitte in Italië, daarom kijken we wanneer we de boot naar Corsica kunnen pakken. De eerste optie is morgenmiddag. Vertrek vanuit Livorno en aankomst vierenhalf uur later in Bastia. Via internet boeken we de tickets en dan rijden we alvast richting Livorno.

De camping is een treurige zandbak met een paar bomen. We parkeren de bus in de schaduw en brengen de middag rustend door. Geen zin en energie om zelfs maar naar het strand te gaan. Het enige leuke aan de camping is dat er twee konijnen rondlopen. We lokken ze met nootjes en Frans lukt het om ze uit zijn hand te laten eten.

Met het koude water uit de kraan krijgen we onze vaat niet schoon. Daarom kopen we een douchemuntje, houden onze afwasbak onder de douche en zo hebben we toch warm water om de afwas te doen.

Dag 45 woensdag – Met de boot naar Bastia

We luieren wat op de camping tot het tijd is om naar de haven te rijden. We parkeren de bus in de rij voor de overtocht. We wandelen wat rond in de haven en nemen een drankje en een pizzapunt op een terras dat in een oude toren is gevestigd. Ze zijn alles aan het inrichten voor een feest voor vanavond.

De veerboot uit Corsica ligt inmiddels in de haven en de auto’s verlaten het schip. Het duurt echter nog een hele tijd voordat wij de ferry op kunnen rijden. We staan uren in de zon te bakken en als we eindelijk het schip op mogen voel ik me gekookt en naar van de hitte. Als ik de grote mond van de boot binnenga, gaat er ineens een schuine plaat naar beneden waardoor er een extra benedenverdieping zichtbaar wordt, ik moet via de schuine, ribbelige plaat naar beneden rijden en we komen in een ruimte waar auto’s aan het keren zijn. Het is allemaal super inefficiënt en het duurt eindeloos, terwijl we uitlaatgassen inademen en de temperatuurmeter vijfendertig graden aangeeft. Een bemanningslid maakt gebaren naar me die ik zo goed mogelijk probeer op te volgen, maar ik begrijp er geen snars van. Hij draait met zijn hand en is duidelijk boos dat ik zijn instructies niet goed opvolg, hij gebaart geïrriteerd dat ik goed moet kijken, maar Frans snapt ook niet wat hij bedoelt. De man begint naar me te schreeuwen en Frans stapt uit en schreeuwt terug. Mijn ridder. Hij roept dat hij mij zo niet laat behandelen. De gemoederen raken verhit. Ik vraag Frans om weer in te stappen en de man gebaart nu met een zucht dat ik achteruit moet rijden, daarna moet ik weer vooruit en ik vraag me af waar al die heisa voor is, want de bus staat nu niet anders dan een paar minuten geleden.

We slepen ons in het hete trappenhuis omhoog richting het dek van het schip. We zijn op zoek naar de zesde verdieping waar we twee loungestoelen hebben gereserveerd. We kunnen echter de zesde verdieping niet vinden. We vinden alleen maar oneven verdiepingen en sjouwen ons het leplazer in de hitte. Uiteindelijk – na een paar keer navragen – vinden we de verborgen lounge met stoelen. Ik had gedacht dat we buiten op het dek zouden zitten, maar het is een koele airconditioned ruimte met grote verstelbare stoelen. Frans had het overdreven gevonden om stoelen te reserveren voor de overtocht en had me ermee geplaagd, maar nu zijn we zijn heel blij met onze stoelen, want buiten op het dek is het verschroeiend warm in de zon en er is lang niet voor iedereen een zitplaats aan boord. Ik voel me naar van de hitte, Frans maakt op het herentoilet (het damestoilet heeft geen water) mijn buf nat en die doe ik om mijn nek. Al snel is mijn t-shirt doorweekt. Het ziet er natuurlijk niet charmant uit, maar ik koel er heerlijk van af. We zitten de hele boottocht in ons eigen coconnetje wat te dutten en te lezen. De zee is kalm. Hoewel we anderhalf uur later dan gepland zijn vertrokken, komen we maar een half uur later dan de verwachte aankomsttijd aan. Rond zeven uur arriveren we in de haven van Bastia.

Opeen gepropt tussen de andere de passagiers staan we in de hete trapgangen met onze mondmaskers te wachten tot we het schip kunnen verlaten. We wurmen ons via de passagierskant in de auto en wachten gelaten af tot de schuine plaat wordt neergelaten en we uit de afgesloten ruimte worden bevrijd. De eerste twee auto’s moeten achteruit de schuine plaat omhoog rijden, daarna zijn wij aan de beurt om omhoog te rijden. Weer is er enige verwarring over de aanwijzingen, maar we trekken ons er niets van aan en verlaten opgelucht het schip. Welkom op Corsica.

We rijden langs een promenade met grote palmbomen waar mensen aan het joggen zijn, we zien rode, paarse, witte en roze bloeiende struiken. Het ruikt kruidig. Frans heeft op de boot een Air B&B geboekt, zodat we niet op zoek hoeven naar een camping. Het is al rond acht uur als we aankomen bij ‘Chez Melissa’, slechts tien minuten rijden van de haven van Bastia.
Als we aankomen lijkt alles verlaten. We bellen Melissa, die in het Frans begint te ratelen en zich verontschuldigt als we haar vragen of ze iets langzamer kan spreken, omdat ons Frans nog niet zo goed is. We kunnen de auto op het terrein achter de poort parkeren, het huis inlopen, de trap opgaan en dan de kamer met de naam ‘Embalunga’ nemen. Het huis is open. Verrast en opgewonden lopen we het huis binnen, kamer Embalunga heeft een balkon met uitzicht op zee. Ook vanuit ons bed kunnen we de blauwe oceaan zien liggen. We nemen een drankje op ons terrasje en proosten op een goed verblijf en mooie ervaringen op Corsica. Dan wandelen we naar een in de buurt gelegen pizzeria waar de eigenaar ambachtelijke pizza’s voor ons bereidt met Corsicaanse ingrediënten.
We merken dat de Corsicanen trots zijn op hun eiland, dat ze liefkozend ‘Corse’ noemen en goedkeurend knikken als we voor producten kiezen die typisch Corsicaans zijn. Frans heeft bijvoorbeeld een pizza met ‘Lungions’, een soort worst die op Corsica wordt gemaakt. De vrouw van de pizzabakker steekt haar duim op om te laten weten dat het een goede keuze is.
Het symbool van Corsica is een stoer, zwart mannenhoofd met een bandana om. Het lijkt een beetje een zeerover en wordt het Morenhoofd genoemd. Je komt het overal in het straatbeeld tegen. Het Morenhoofd staat op de vlag van Corsica en is geïntroduceerd door Paoli, de president van Corsica toen het eiland in het midden van de achttiende eeuw de eerste onafhankelijke, democratische republiek van Europa werd.  

Terwijl we onze pizza’s opeten, komt de vrouw een praatje met ons maken. Frans vertelt dat hij graag wil paragliden op Corsica en de vrouw vertelt enthousiast dat ze nog een bon heeft liggen voor een tandemvlucht maar niet de lucht in durft en ze wil de bon graag aan Frans schenken. Het duurt even voor we haar duidelijk hebben gemaakt dat Frans zelf wil vliegen en dat we haar aanbod heel lief vinden, maar dat ze er beter iemand anders gelukkig mee kan maken.
We kopen nog een bakje ijs met de smaak limoncello (de vrouw knikt weer goedkeurend en zegt ‘special de Corse’), en lopen dan terug naar onze kamer met uitzicht op zee.

Deel vijf – Covid 19

Sinds we op reis zijn is corona eigenlijk helemaal uit beeld verdwenen. Nergens dragen mensen nog mondkapjes, bij de grenzen met Oostenrijk, Slovenië, Kroatië en Bosnië hoefden we geen PCR-test of vaccinatiebewijs te overhandigen en volstond ons paspoort. Op campings en bij de natuurparken hadden we telkens geluk en was het lekker rustig. Soms waren we zelfs de enige bezoekers. Dubrovbnik was ietsje drukker, maar ook niet zo dat we in file liepen. Op de terrasjes hadden we alle ruimte. Corona was uit ons aandachtsveld verdwenen en toen ineens had het virus Frans te pakken.

Dag 30 – met de boot naar Mljet

De camping in Dubrovnik is gisteravond ineens volgestroomd. We hebben nu Nederlandse buren en dat zijn we niet gewend. Tot nu toe hadden we altijd een aantal plaatsen voor ons alleen. We missen onze privacy; om een goed gesprek te kunnen voeren zonder dat de buren mee kunnen luisteren.
De volgende ochtend vertrekken we richting het eiland Mljet waar ik een prachtig natuurpark heb ontdekt. Frans is toe aan een plekje waar hij echt tot rust kan komen en even helemaal niets hoeft zo heeft hij me toevertrouwd, daarom hebben we via internet een huisje geboekt bij particulieren in het gehucht Govedari, vlakbij de ingang van het natuurpark.

Frans rijdt langs de kustweg en ik geniet van de mooie vergezichten. Via het schiereiland vlakbij Dubrovnik bereiken we het plaatsje Ston. Vol verbazing kijk ik naar de berg voor ons. ‘Wat is dat nou? Het lijkt wel de Chinese muur.’ Op de berg loopt een grijze muur, die net als de Chinese muur recht omhoog de berg opgaat. De muur is lang. Vijf kilometer lees ik later op internet. Op de hoeken staan uitkijktorens en forten. Het is een imposant bouwwerk en mijn interesse is gewekt, maar als we de boot naar Mljet willen halen dan hebben we geen tijd om de muur van Ston te beklimmen, dus rijden we door. Bij Prapratno houdt te weg op en gaat over in de zee. We kopen kaartjes voor de ferry naar Sobra op het eiland Mljet. De boottocht is genieten: het is helder en vanaf het water zien we de vele eilanden voor de Dalmatische kust liggen met daarachter het vaste land met zijn hoge bergen en dorpjes met oranje daken. Rond half twee hebben we afgesproken met Ivan om in te checken bij zijn huisje. Op onze vraag hoe we het best konden rijden, had hij geantwoord dat er maar één weg was op het hele eiland dus dat dat wel goed zou komen. De weg wordt smaller en smaller en we naderen het gehucht Govedari, ik zie het huisje rechts beneden van ons liggen, ik herken het van de foto’s van internet, maar hoe komen we daar? Ineens zien we iemand zwaaien, hij gebaart dat we een heel steil en smal pad af moeten rijden en helpt Frans om de bochten te nemen zonder tegen de gestapelde stenen muurtjes te rijden. Frans vertrouwt me toe dat hij het zweet in de handen heeft staan en dat hij blij is dat we zonder krassen bij het huisje zijn aangekomen. Ivan zijn vrouw en zoontje van acht en dochtertje van zes wonen boven, wij hebben de hele benedenverdieping tot onze beschikking met een woonkamer met keuken, een badkamer, twee slaapkamers en een heerlijk overdekt terras, een hotpool en een zwembadje. De tuin staat vol geurende rozen en bloeiende planten. We hebben uitzicht op de waaiervormige bomen en de huizen van Govedari die tegen de berghelling geplakt lijken. We zijn verrukt. Het is echt een klein paradijsje.

Ivan gaat weer aan het werk als ranger van het Mljet National Parc en wij hebben het rijk alleen. Ik neem direct een duik in het zwembadje en Frans gaat aan de slag om een acuut probleem bij een klant van hem op te lossen. Van het één op het andere moment meldt Frans dat hij het zo koud heeft. Ik kijk hem bevreemd aan. Het is buiten rond de dertig graden, al is het in het huisje aanzienlijk koeler. Eerst trekt hij een fleece jack aan, terwijl we samen lunchen, ik nog in mijn bikini, dan gaat hij als een dood vogeltje in bed liggen. Hij heeft ook een droog kuchje, dat hij om de paar minuten laat horen.

Ik voorzie Frans van water en eten en besluit dat het tijd is om het coronapakket – dat bestaat uit mondkapjes, zelftesten, thermometer, paracetamol en keelpastilles – uit de camper te halen.
De zelftest laat er geen twijfel over bestaan: twee knalroze streepjes geven aan dat Frans is getroffen door het coronavirus. De koorts loopt snel op tot 39,2 graden Celsius. Wat een geluk dat we nu net op deze paradijselijke plek zitten, waar Frans rustig kan uitzieken, waar we in quarantaine kunnen en waar we twee aparte slaapkamers hebben.

Dag 31 – Ziek

’s Nachts lig ik onwennig alleen in mijn tweepersoonsbed in mijn slaapkamer, af en toe ga ik even langs bij Frans om te vragen of alles goed is en of hij nog iets nodig heeft. De volgende ochtend ziet Frans er nog steeds koortsig uit met rode wangen en een zweterig lijf, maar hij heeft wel eetlust en dat lijkt ons een goed teken. Hij blijft de hele dag in bed en slaapt bijna de hele tijd.

Op mijn OsmAnd app heb ik de dichtstbijzijnde bakker en supermarkt opgezocht, die blijken op zo’n vijf kilometer afstand te zitten in het plaatsje Polace. We hebben brood, water en yogurt nodig en misschien nog iets voor het avondeten, zodat ik morgen niet opnieuw voor boodschappen op pad hoef. Ik overweeg mijn opties; de auto valt af, het gaat mij waarschijnlijk niet lukken om de steile bochtige weg zonder aanwijzingen omhoog te rijden zonder krassen te maken, wandelend duurt te lang en bovendien is het niet verstandig voor mijn arm om met boodschappen tassen te gaan sjouwen, dus dan blijft de fiets over. Ik sjor de fiets van de fietsendrager af, monteer de fietstassen erop en rijd richting Polace. Na een pittige klim, volgt er een flinke afdaling en dan zie ik het dorpje Polace beneden aan de groenblauwe baai liggen. Shit dat moet ik straks allemaal weer omhoog mét boodschappen in de fietstassen. Maar dat is van latere zorg. Eerst maar eens kijken of de OsmAnd app gelijk heeft en hier echt een bakker en een supermarkt zitten, want het lijkt een dorpje van een paar huisjes aan het water en verder niets. Maar zowaar vind ik de bakker, die nog open is ook, al is de keuze in brood zeer beperkt. Even later stop ik mijn score van twee langwerpige broden in de fietstassen en betreed  ik de kleine, volgestouwde supermarkt, waar je nauwelijks kunt lopen omdat alles zo vol staat en waar de mandjes eruit zien alsof ze er honing op hebben gesmeerd en ze daarna daar het stof hebben gerold. De meeste groente ziet er verlept uit, maar er is kaas, yoghurt, water en in de diepvries vind ik een pak bevroren sperzieboontjes. Blikje vis erbij en wat tomaten en daar gaan we het mee doen. Het eerste deel van de klim valt me eigenlijk mee, terwijl ik in de allerkleinste versnelling rustig rondtrap, nog net snel genoeg om niet om te vallen, focus ik me op het uitzicht op de baai waar een paar bootjes dobberen. Boven aan rust ik even uit om op adem te komen en maak een paar foto’s. Dan volgt deel twee van de klim en die kost me beduidend meer moeite. Het is langer en zwaarder dan ik had ingeschat en ik moet met mijn gewicht goed naar voren hangen, omdat ik merk dat de fiets de neiging heeft achterover te kantelen door de met boodschappen volgeladen fietstassen. Hijgend en puffend kom ik boven. Eigenlijk wil ik mijn lichaam niet te zwaar belasten, omdat ik bang ben dat ik het coronavirus ook al onder de leden heb, het maakt me een beetje onzeker en bang dat Frans zo plotseling ziek is geworden en mij dat ook zomaar – nu tijdens de fietstocht bijvoorbeeld – kan overkomen. Ik moet tenslotte nog wel bij het huisje zien te komen.

Maar als ik bij ons huisje aankom voel ik me nog prima. Ik laad de boodschappen uit de fietstassen en begin met een geïmproviseerde avondmaaltijd waarvoor Frans even zijn bed verlaat en die we samen op het terras – weliswaar met een ruime afstand – verorberen. Frans is hiervan zo moe geworden dat hij direct weer het bed in duikt. Ik geniet op het terras nog even van de magische sterrenhemel en begin dan in een nieuwe hartverscheurende roman op mijn e-reader.

Om het huisje goed te ventileren heb ik alle ramen en de terrasdeur ’s nachts wagenwijd opengezet. Ik ben al lekker aan het slapen als er ineens iets op me springt. Instinctief weet ik dat het een poes is, ik zwaai het laken omhoog en jaag hem weg met mijn armen, hierna slaap ik weer lekker verder. De volgende ochtend tref ik een magere, gestreepte poes. Een jonkie nog. Ze ligt op de veranda en kijkt me aan met haar groene ogen, terwijl ze verwelkomend naar me miauwt. Ik doop haar Felix, hoewel dat natuurlijk meer een naam voor een kater is. Ze strijkt waarderend langs mijn benen  en bedelt dan om eten. Ik geef haar een bakje water dat ze gulzig opdrinkt en een paar plakjes worst. Tja en sinds die tijd komt ze natuurlijk vaker langs.

Dag 32 – Op onderzoek uit

Ik heb Ivan netjes bericht dat Frans corona heeft en dat we graag nog een paar dagen willen blijven om in het huisje uit te zieken; ik krijg als antwoord dat het ok is om te blijven en dat we niet moeten aarzelen hem te vragen als we iets nodig hebben. Fijn zo’n goede gastheer.

Omdat ik waarschijnlijk ook wel corona ga krijgen maar me nu nog goed voel, heb ik besloten dat ik de tijd voordat ik ziek word dan maar het best kan benutten om het eiland te verkennen. Frans ligt de hele dag te slapen en vindt het prima als ik op onderzoek uitga. Ik zorg dan wel dat ik er ben om lunch en avondeten voor hem te maken. Het is tenslotte een heel mooi eiland en het zou jammer zijn als ik die schoonheid zou missen.

Op de fiets ga ik richting entree van het nationale park waar ik voor tien euro een toegangsbewijs koop dat vier dagen geldig is. Mljet is een grillig gevormd eilat, dat iets weg heeft van een octopus, met extreme uitstulpingen en in het midden twee meren met de poëtische namen ‘malo jezero’ en ‘veliki jezero,’ wat plat gezegd het kleine en het grote meer betekent, als ik me goed heb laten informeren. In de vijftiende eeuw hebben monniken van de Benedictijnen orde een klooster gebouwd op een eilandje in het grote meer en hebben ze de oorspronkelijke zoetwater meren verbonden met de zee vanwege de vele muskieten en omdat er zodoende stroming in het water kwam wat het gebruik van watermolens mogelijk maakte.

Langs de meren is een fietspad aangelegd dat  ik besluit te volgen. Only the lonly fiets ik langs de kronkelende oevers van de zoutmeren, totdat ik bij het kanaal kom dat de monniken in de vijftiende eeuw hebben aangelegd en waarover een brug is aangelegd. Theoretisch zou ik de fiets over de brug mee moeten kunnen nemen, maar er zijn veel trappen en de brug is steil. Niet verstandig voor mijn arm. Dus parkeer ik de fiets en wandel via de stenen brug naar de overkant waar ik een stukje langs de oever wandel en mijn brood met kaas opeet. Omdat ik mijn fiets niet mee kan nemen over de brug, kan ik geen rondje fietsen, maar rijd ik dezelfde weg terug. Geen straf, want het uitzicht blijft mooi. Bij de ingang van het park gekomen fiets ik nu richting de plek waar het grote meer overgaat in het kleine meer, dat er turquoise bij ligt in de zon. Tevreden klim ik terug naar Govedari waar mijn liefje nog steeds met koorts in bed ligt en ik een lekkere lunch voor hem klaarmaak.

Na een middagdutje besluit ik eind van de middag nog even naar het meer te gaan om te zwemmen. Bij wijze van proef neem ik het kleine dagrugzakje mee, daarin stop ik mijn waterschoenen, bikini en handdoek, een reepje, wat geld en een bidon water en dan ga ik op pad. Om de tere lymfevaatjes rond mijn schouder en sleutelbeen niet dicht te drukken, wordt me afgeraden een rugzak te dragen en tot nu heb ik dat ook niet meer gedaan, maar dit kleine rugzakje draag ik nu aan mijn linkerschouder en ik heb ontdekt dat dat prima gaat. In de late middagzon wandel ik richting het meer en dan in een impuls loop ik een zijweg in, niet naar het water, maar naar een pad dat leidt naar de top van een berg met uitzicht over het hele eiland. Deze wandeling was me vanochtend aanbevolen door de parkranger waar ik het ticket had gekocht. Het pad begon door hoog gras en kruiden die langs het blote vel van mijn benen schuurden, alert speurde ik naar slangen, maar ik zag er gelukkig geen. Al snel werd het pad steiler en steniger en slingerde ik omhoog, zorgvuldig de rode verftekens op de rotsen volgend. Ongeduldig liep ik omhoog, ik kon niet wachten om het uitzicht van de top te zien, ik stapte flink door en al snel werd ik beloond met vergezichten op de twee meren, de groene heuvels daaromheen en de daar achtergelegen oceaan. Ik klom hoger en hoger en maakte foto’s, terwijl ik in mezelf kreetjes van verrukking slaakte. En toen merkte ik dat ik slappe benen kreeg, en een beetje licht in mijn hoofd en dat er irritante vlekken voor mijn ogen heen en weer dansten. Hongerklop wist ik. Shit. Te weinig gegeten, dacht ik terwijl ik trillerig mijn energiereepje tevoorschijn haalde en in een paar happen naar binnen werkte. Ik liep nog een paar bochten verder om te kijken of de top daar lag, maar nee, die lag nog hoger. Door de hongerklop durfde ik niet verder te gaan. Met spijt in mijn hart draaide ik om, terwijl ik wiebelig aan de afdaling begon. Het afdalen ging echter goed en na schatting een dik half uur was ik beneden. Nu nog de paar kilometer terug naar Govedari lopen en dan was er eten binnen handbereik.

Ik merkte dat ik voldaan terug kwam van de wandeling. Ik had ervan genoten te moeten vertrouwen op mijn eigen kracht en mijn eigen beslissingen, zonder de beschermende aanwezigheid van iemand anders. Frans is iemand die ervan geniet het anderen naar de zin te maken en om zich dienstbaar op te stellen, in onze relatie is het zo gegroeid dat hij mij bijna alle dingen die ik lastig of fysiek te zwaar vind uit handen neemt. Door de jaren heen heb ik geleerd dat te waarderen als een daad van liefde en ervan te genieten. Maar ik realiseer me ook dat het me minder krachtig maakt en mijn zelfstandigheid die ik zo hoog in het vaandel heb staan enigszins ondermijnt. Dus af en toe alleen op stap, daar kan ik echt van genieten.

Zacht zingend maak ik het eten klaar, terwijl de patiënt tevreden in bed ligt. ‘Nou Frans’, zeg ik peinzend, ‘je wilde even helemaal niets, weet je nog? Het lijkt erop dat je hebt gekregen wat je hebt gewenst.’ ‘Ja’, zegt Frans, ‘zo voelt het op een wonderlijke manier wel.’
Tegen mijn klanten zeg ik altijd: ‘wees zorgvuldig in wat je wenst, want voor je het weet, is je wens gerealiseerd, alleen misschien in een andere vorm dan je had gedacht.

’s Avonds wil ik gebruik maken van onze hotpool. Ik app Ivan of hij me kan helpen bij het op temperatuur brengen van het water, hij heeft dit aan Frans uitgelegd maar die ligt al lekker te slapen. Even later verschijnt mijn bovenbuurman om de hotpool op te stoken tot een aangename temperatuur. We wisselen even wat beleefdheden uit en dan verdwijnt hij weer naar boven. Het blijkt vrij saai te zijn om alleen in de hotpool te zitten, dus na tien minuten klim ik er weer uit, leg de deksel er boven op, zet de verwarming uit, neem een douche en ga dan nog even mijmerend naar de sterrenhemel kijken.

Dag 33 – Moerbei

Frans heeft nog steeds koorts, maar er is wel een daling ingezet, de temperatuur komt niet meer boven de 39 graden uit. Na de douche en het ontbijt is hij alweer zo moe dat hij linea recta weer naar bed gaat. Veel slapen, beetje podcasts en muziek luisteren, met corona als excuus hoeft hij eindelijk even helemaal niets van zichzelf.
Ik ga vanochtend wandelend naar het grote meer waar ik de catamaran naar het eilandje met het Benedictijner klooster neem. In het klooster zit een restaurant en veel meer dan om de muren heen wandelen en een blik in de vervallen kerk werpen is er niet te doen. Ik maak een rondje over het eiland en neem dan een boot die me naar het kleine meer brengt. Ik had bedacht om hier te gaan zwemmen bij één van de kleine verlaten baaitjes, maar ik kom langs een groepje half dronken kerels die me luidkeels gedag wensen en ik voel me niet op mijn gemak, ik krijg beelden van een groepsverkrachting op mijn netvlies, een tikkeltje overdreven natuurlijk, maar na een kleine wandeling langs de rand van het meer keer ik terug naar het deel waar twee gezinnen met kinderen zitten te spelen. Hier is het veilig om te zwemmen. Maar de lust om te zwemmen heb ik niet vandaag. In plaats van het water in te stappen, wandel ik via een pad dat ik een beetje op goed geluk volg richting Govedari. Het is een mooi pad door het bos en het klimt behoorlijk, als ik de eerste huizen van Govedari bereik besluit ik om niet direct naar ons huisje te gaan, maar het hogere deel van het dorpje te verkennen. Via een rood gemarkeerd pad loop ik langs de hooggelegen huizen van het dorp. Bij één van de huizen zit een man onder een afdakje van wijnranken, hij vertelt me dat het veel te warm is om te wandelen en nodigt me uit om een goed glas rode wijn met hem te drinken. Ik sla de uitnodiging af, terwijl ik iets murmel over mijn zieke man waar ik naar toe moet en waar hij bedenkelijk bij kijkt, we praten nog even door over Kroatië, het klimaat, werk en pensionering en de plaats in Nederland waar hij geweest is maar die ik door zijn belabberde uitspraak niet kan achterhalen. Dan wijst hij me op een boom die langs het pad staat en witte vruchtjes draagt, die een beetje lijken op een framboos. ‘Weet je wat dit zijn?’, vraagt hij me. ‘De vruchten van de moerbeiboom’, antwoord ik prompt zonder precies te weten waar ik die kennis vandaan haal. ‘Vroeger maakten we zijde op dit eiland’, vertelt hij. ‘De zijderupsen zijn dol op de blaadjes van de moerbeiboom. Evenals de kuna’, voegt hij er treurig aan toe. ‘Dit jaar heb ik voor het eerst geen kuna’s gezien, ze kunnen hier niet meer leven door de klimaatsverandering.’ En zo kom ik erachter dat de kuna – de naam van de Kroatische munt – een dier is. Later op internet zoek ik op welk dier. Het blijkt een marter te zijn. Een zwarte marter met een fel gele borst.

’s Middags stap ik weer op de fiets om de tocht naar Polace te maken. We hebben dringend water, brood en iets van avondeten nodig. De bakker zit dicht, maar het kleine supermarktje is open. Met volgeladen tassen klim ik hijgend de berg op. Sinds gisteravond heb ik een droog kuchje gekregen. Er zit een voortdurende brandende kriebel in mijn keel, door de inspanning van het fietsen moet ik diep ademhalen en voel ik dat de brandende kriebel zich laat afzakken naar mijn bronchiën.

Een beetje lezen en dan vroeg naar bed. Mijn longen zijn geïrriteerd en ik moet heel gedoseerd ademhalen om een voortdurende kriebelhoest te onderdrukken.

Dag 34 – Lezen en luieren

Na het ontbijt haal ik twee zelftesten tevoorschijn; die van Frans is nog steeds positief en die van mij nog steeds negatief. Stiekem had ik gehoopt dat het andersom zou zijn. Dat Frans niet meer besmettelijk zou zijn  en dat ik ongemerkt, zonder al te veel symptomen toch corona zou hebben. Dan hoefden we elkaar niet meer zo spastisch te mijden. Nu ontlopen we elkaar nog, zorgen we dat er altijd meer dan twee meter tussen ons is, zitten we allebei aan een kant van het terras, lopen we met mondmaskers op, slapen we apart, ontsmet ik deurklinken en kranen, waarschijnlijk allemaal tegen beter weten in, want de kans dat ik ook corona ga krijgen is natuurlijk groot, maar om dat dan zomaar te laten gebeuren voelt ook niet goed.

Met Frans gaat het vandaag aanzienlijk beter. Hij werkt zelfs weer een beetje vanuit zijn slaapkamer. Ik lees een gat in de dag, ben het boek ‘Een klein leven’ aan het lezen, en zoals altijd met een mooi boek kan ik nauwelijks stoppen. Het is een verslaving.
Ondertussen komt Felix langs. Ik kijk naar haar en vind dat ze er vandaag veel beter uitziet dan gisteren. Groter en glanzender en ze kijkt op een andere manier naar me. Wanneer ze me bedelend begeleidt naar de koelkast geef ik haar een stukje kaas, dat ze smakkend opeet. Even later komt ze weer langs en ik roep dat ze net iets heeft gehad en dat het mooi is geweest. En dan zie ik het: er zijn twee Felixen. Een grote Felix en een kleine Felix. Natuurlijk krijgt de kleine Felix ook nog wat lekkers.

Rond een uur of vier ga ik koken en dan eten we vroeg, daarna gaan we een avondwandeling maken. ’s Avonds is het heerlijk van temperatuur, maar rond een uur of acht wordt het al donker. Frans heeft nog helemaal niets van het eiland gezien en dat is echt jammer. We lopen in heel rustig tempo en met mondkapjes op naar het meer waar we even pauzeren en dan wandelen we weer rustig terug.

’s Avonds als ik buiten op het terras zit komt er een heel scala aan katten langs, alsof ze elkaar verteld hebben dat er hier een lekker hapje te krijgen is. Ik vind de meest katten leuk, maar er zitten hier een paar exemplaren tussen die echt gemeen uit de ogen kijken. En af toe hoor ik het gekrijs van vechtende katten. Ineens komt de grijswitte kat met vuile blik op kleine Felix, die lekker ligt te relaxen in de late avondzon, afgesprongen. Kleine Felix kromt zijn rug en blaast heldhaftig, maar de grote poes geeft hem een lel met zijn poot. Ik jaag de dominante kat weg en doe de deur open als escape voor kleine Felix, hij vlucht snel naar binnen en gaat onder de bank zitten. Voor nu is hij veilig, maar volgende week moet hij zichzelf weer zien te redden.

Dag 35 – Montokuce

Frans wordt om zeven uur fit en vrolijk wakker. Hij heeft zin in de wandeling die we voor vandaag bedacht hebben: naar de top van de Montokuce vanwaar je uitzicht hebt over het hele eiland. Ik ben vanochtend echter moe en futloos, mijn hoofd is zwaar, mijn neus verstopt, mijn stem schor. Vandaag zijn de rollen omgedraaid. Ik blijf in bed, Frans maakt ontbijt voor me en gaat op ontdekkingstocht over het eiland. Hij maakt een lekkere wandeling naar de Montokuce en maakt een praatje met de man die daar in de wachttoren zit om te spotten of er ergens brand is ontstaan. Als ranger heb je soms dag en nacht dienst om brand toezicht te houden. En dat is vooral in de zomermaanden als het kurkdroog is niet voor niets. Er hoeft iemand maar een smeulende peuk weg te gooien en het kwaad is al geschied. En die kans is best groot, want een groot nadeel van Kroatië is dat rond de 75% van de bevolking rookt. Eigenlijk zijn we pas twee mensen tegengekomen die bewust niet rookten. Roken hoort er hier bij, iedereen rookt, je groeit ermee op, het is moeilijk om het niet te doen. En inderdaad overal zie je obers bij elkaar aan tafel een sigaretje roken, jongeren die op straat roken, terrasjes vol rokers, ook binnen mag hier nog gerookt worden.

Een ander nadeel, volgens Frans dan, is dat er nauwelijks gevlogen kan worden. De bergen zijn te verlaten, te bebost of te ontoegankelijk. Er zijn eigenlijk geen goede vliegstekken. Op een camping werd hij wel een keer benaderd door een sportieve vrouw die ons busje met het paragliding embleem zag staan. Of Frans zin had om morgen mee te gaan vliegen; eerst zes uur omhoog lopen met de paraglider en dan omlaag vliegen. Zelfs voor Frans was dit iets te uitdagend.

Rond half twaalf is Frans terug. Hij heeft genoten van de wandeling en voelt zich weer de oude. Kort daarna stapt hij op de fiets naar Polace om boodschappen voor ons te doen. Vandaag zorgt hij voor mij. Ik hang wat rond. Niet echt ziek, maar ook niet echt fit. Er zo tussenin. En ik vraag me af of ik nu ook corona heb en of ik daar onze laatste zelftest aan ga wagen of dat dat eigenlijk niet veel zin heeft.

Het is tijd om plannen te maken. We boeken nog één nacht bij in ons huisje, kopen kaartjes voor de boot naar Italië, Frans schrijft een ziekenhuis aan op Corsica met het verzoek voor een oogscan voor over anderhalve week en stuurt een verzoekje naar zijn oogarts in Nederland om nieuwe medicijnen op te sturen, omdat hij bijna door zijn voorraad heen is. Dinsdagochtend moeten we ons huisje verlaten. Dat zal wel weer even wennen zijn, maar voorlopig hebben we nog één heerlijke lege dag voor ons.

Dag 36 – Corona

De zelftest wijst uit dat ik nu ook corona heb. Ik voel me vandaag ook belabberd en blijf de hele dag in bed, behalve voor het eten sta ik even op. Maar eigenlijk voel ik me te moe om zelfs maar rechtop te zitten. Frans verzorgt mij prima, perst sinaasappels uit, zet kopjes thee en haalt eind van de middag pizza die we samen op het terras opeten. Daarna pakken we vast wat spullen in, zodat we morgenvroeg op tijd kunnen vertrekken.

Dag 37 – Split
Rond acht uur rijden we weg van het paradijselijke plekje waar we precies een week zijn geweest. Helaas hebben we niet zoveel van het eiland kunnen zien als ik had gewild, maar het was de meest ideale plek om uit te zieken. Nog even een aai voor Felix, het geld op tafel leggen en dan manoeuvreert Frans de camper via het bochtige, smalle pad omhoog naar de enige weg op het eiland. We genieten nog even van het groene eiland en bereiken dan de haven waar de boot naar het vaste land al ligt te wachten. Ik heb nog even tijd voor een dutje en Frans klapt voor mij het bed uit, zodat ik even kan rusten. Omdat ik voorzichtig wil zijn om geen andere mensen te besmetten, overweeg ik om in de camper te blijven tijdens de overtocht, maar dat is niet echt nodig, want we hebben het dek voor ons alleen.

Ik voel me best redelijk en vraag Frans om bij de muur van Ston even te stoppen, zodat ik wat foto’s kan maken van dit bijzondere fenomeen. Daarna vervolgen we onze tocht richting Split, waar we over twee dagen de boot naar Ancona zullen nemen. We passeren een vallei met allerlei fruitstalletjes en stoppen om versgeperst abrikozensap en verse aardbeien te kopen. Via een bergweggetje rijden we van de kust meer het binnenland in om bij de snelweg te komen. De normale toegang tot de snelweg is afgesloten en daarom rijden we tweeëndertig kilometer door de rotsig grijze bergen om bij een prachtig aangelegde snelweg te komen, die via hoge bruggen over de groene dalen is aangelegd. Over het algemeen zijn de wegen goed in Kroatië, de tolwegen zijn erg rustig. Rond half vier komen we aan bij camping Strobec op een schiereilandje bij de stad Split. Ik merk toch wel dat ik nu erg moe ben en last heb van de hitte. Frans is ook moe, hij rijdt de camper op de aangewezen plek, klapt het bed uit en dan doen we eerst een tukkie.
’s Avonds lopen we een rondje over de camping, die aan een romantisch strandje ligt en een restaurant aan het water heeft. Aan de andere kant is een voetbalveld waar het jeugdelftal van Hajduc Split een belangrijke wedstrijd heeft. We gaan even kijken bij de wedstrijd. Vanaf de tribunes speelt de plaatselijke jeugd op een trom en steekt vuurwerk af.
Hoewel we allebei doodmoe zijn, komen we toch moeilijk in slaap. We hebben last van de hitte, die als een verzengende deken om ons heen hangt en we worden lek gestoken door de muskieten.

Dag 38 – Moe
Vandaag ben ik niet vooruit te branden. Ik zo moe. Vast nog de naweeën van de corona. Eigenlijk lig ik de hele dag in de camper te lezen met de achterklep en alle deuren open. Er waait een stevige wind, die wat verkoeling brengt. Rond elf uur wandel ik naar de bakker die net buiten de camping ligt. Hierna ben ik geradbraakt van vermoeidheid en ga snel weer op mijn bedje in de camper liggen. Uitgeput.
Frans doet boodschappen en kookt voor ons. ’s Avonds doen we samen de afwas. Wat een spannende dag van de twee globetrotters….

Dag 39 – Met de boot naar Ancona
Vanavond stappen we op de boot naar Ancona in Italië. Ik heb geen energie om op verkenning te gaan in de stad, jammer want Split schijnt een mooie oude binnenstad te hebben. Futloos breng ik de ochtend door met lezen en rusten. Rond een uur of twee haalt Frans me over om toch even te zwemmen. Ik ben er wat huiverig voor omdat ik nog een flinke hoest heb. Maar het blijkt een goed advies. Door het zwemmen knap ik wat op, daarna eten we een hapje bij het restaurant aan het water. Frans kiest voor pizza met pompoen! Rond vier uur rijden we richting de haven en haalt Frans de kaartjes voor de boot op. De auto staat in de rij geparkeerd en rond zes uur kunnen we de boot op. Dit betekent dat we tijd hebben om nog een rondje te lopen en zo komen we toch nog in de oude binnenstad terecht met zijn palmbomen en het paleis van Diocletianus, dat zo groot is dat het meer dan tweehonderd bebouwen bevat, er drieduizend mensen wonen en tegenwoordig meer een stadsdeel dan een paleis is. Bij de toren met bogen, die nog uit de Romeinse tijd stamt, hebben ze een gezellig terras gemaakt met kussentjes op de stenen. Erg sfeervol. We zijn blij dat we een glimp van Split hebben opgevangen. Frans maakt de laatste kuna’s op aan een ijsje en dan rijden we de boot op. Van de Kroatische douane moeten we de bus openmaken en alles laten zien, ze willen onder de bank kijken, en de fietsendrager moet omlaag en ze willen achter in de bus kijken, maar er is niets verdachts te zien, alleen heel veel paragliders.

Om half acht gaat de toeter en meren we af. Vanaf het dek zien we hoe het plein bij het paleis vol zit toeschouwers, die hun geliefde voetbalclub Hajduc Split volgen op een groot scherm. Split speelt de bekerfinale tegen Rijeca. Wanneer we de haven verlaten, beginnen alle schepen te toeteren en zien we een rookgordijn van vuurwerk dat wordt afgestoken: Hajduc Split heeft net twee één gescoord.

We staan een tijdje buiten op het dek te kijken hoe Split langzaam uit zicht verdwijnt, evenals het achterliggende gebergte. We varen langs talloze eilanden en de grillige Dalmatische kust. De zee is kalm en wij trekken ons terug in onze hut. Dit is het afscheid van Kroatië, morgen zijn we als alles goed is in Italië.
Kroatië: wat een geweldig vakantieland! Prachtige natuur, bergen, meren, de zee, lekker eten, mooi weer, oude steden, sfeervolle gebouwen, vriendelijke bevolking en niet duur. Er is heel veel te zien en te beleven en ik wil hier zeker nog eens terug. Dobro Jeni!

Deel 4 – Nog steeds Hrvatska

Bedankt voor alle leuke, lieve, spontane, zorgzame en bemoedigende reacties op onze avonturen. Met het oog van Frans lijkt het iets beter te gaan, maar we weten dat het herstel tijd nodig heeft. Over drie weken laten we opnieuw een OCT maken; een oculair coherence tomografie om te kijken of het vocht minder is geworden of hopelijk zelfs helemaal is opgeruimd door het lichaam.

We zijn inmiddels de vierde week ingegaan en raken het besef voor tijd en datum een beetje kwijt. We moeten echt nadenken over welke dag van de week het is.

Dag 23 – National Parc Paklenica

Gisteravond wilden we nadat Frans zijn werkzaamheden had afgerond met de fiets naar het oude centrum van Zadar om daar nog even rond te kijken en een hapje te eten. Maar donkere wolken pakten zich samen en even later brak het onweer los. We trokken ons terug in ons campertje en pakten een blik soep uit onze basisvoorraad om op te warmen, stukje brood erbij en onze honger was weer gestild.

Vandaag worden we wakker met de zon die fel in ons gezicht schijnt. Het is ineens warm en benauwd. En zelfs om acht uur aan het ontbijt vind ik het al veel te heet om in de zon te zitten. De temperatuur is meer dan tien graden gestegen en we zijn allebei wat kribbig van deze temperatuurwisseling. Ineens is het vermoeiend en irritant om in één van de kastjes te zoeken naar een theezakje, om te moeten wroeten in de voedselvoorraad om de muesli te pakken of om eerst de spullen van de koelkast af te halen en op de bank te zetten om de yoghurt uit de koelkast te kunnen pakken, om dan vervolgens weer de spullen terug te moeten leggen op de koelkast, zodat de bank vrij is om op te tillen en daar de oogdruppels onderuit te halen. Als we relaxed zijn is dat prima te doen, maar als we moe zijn dan kunnen zulke dingen een bron van ergernis zijn.

Het is tijd om verder te trekken en we nemen afscheid van de vijfsterren glamour camping. Bij een supermarkt even verderop gaan we boodschappen doen. Onze ergernis is nog niet verdwenen: de supermarkt is vol met mensen die net voor onze voeten lopen, die ons pad blokkeren als we iets willen pakken en die ons verhinderen om ergens bij te kunnen. Als Frans voor zijn dagelijkse koffieshot gaat, zit het terras vol rokers die ons humeur ook al niet verbeteren.

Met de airco aan rijden we een mooie route naar het Paklenica National Parc waar we de auto onder een boom parkeren en we de stoelen en tafel uitklappen voor een picknick bij een verkoelend riviertje. Ik maak een salade klaar, want ik snak naar iets gezonds na twee dagen voedsel uit blik. Door de rust in het park, de fluitende vogels, de felgekleurde vlinders die om ons heen fladderen, de koelte van het neerkletterende water raken we onze oververhitting weer kwijt. We genieten van de salade en maken daarna een wandeling langs de rivier met een klim naar Dasni Kuk. Kuk betekent hier top van de berg. Vanaf Dasni Kuk hebben we een fraai uitzicht over de grijze kalksteen rotsen van het natuurpark die torenhoog boven ons uitsteken met aan de andere kant de oceaan. Tijdens de beklimming voelen we wat regendruppels op ons neerdalen. We kijken omhoog en zien één zwarte wolk die precies boven ons hoofd gestationeerd lijkt in een verder blauwe lucht. Het blijft gelukkig bij een paar dikke druppels. Boven gekomen genieten we van het uitzicht. In de verte over de grote rotswanden komt een inktzwarte lucht ons tegemoet. We wandelen weer rustig terug naar de camper. Onderweg trap ik bijna op een slang die verdekt ligt opgesteld midden op het pad. Hij heeft dezelfde bruingrijze kleur als de stenen en de grond waarop hij ligt. Even denk ik nog dat het een grote hazelworm is, maar dan kijkt het serpent me recht aan en zie ik zijn gespleten tongetje heen en weer schieten. In een snelle beweging glijdt de slang naar de zijkant van het pad waar hij zich van de vijftig centimeter hoge rand laat vallen en in het struikgewas verdwijnt. Op de informatieborden had ik al gelezen dat hier veel slangensoorten wonen, die in bomen nestelen en zich van grote hoogte naar beneden kunnen laten vallen. Voorzichtig tuur ik omhoog naar het groene bladerdak. Ik hoop echt dat ik vandaag of morgen geen slang in mijn nek krijg.

Bij een bankje ontmoeten we twee Nederlanders die jaar in jaar uit naar het Paklenica National Parc op vakantie gaan en ieder pad inmiddels zo’n beetje kennen, ze geven ons een tip voor een mooie klimwandeling voor morgen. Ze vertellen dat ze op één van hun wandelingen gevolgd werden door een bruine beer. Dat was heel beangstigend. Ze stonden op het punt hun rugzak met eten af te gooien en zonder verder te gaan, toen de beer uiteindelijk afhaakte en verdween. Echt ontspannen is de wandeling niet meer geworden, vertelden ze lachend.

Op de borden langs het pad lees ik dat hier wolven, lynxen en inderdaad ook beren voorkomen. In de grotten huizen zeldzame vleermuissoorten en het bos is een paradijs voor vogels, slangen en vlinders die leven van de vele insecten. We zien zwarte vlinders met blauwe stippen, kleine blauwe vlinders en grote crèmekleurige vlinders met rode vlekjes.

Rond een uur of vijf komen we aan bij Kamp Igor, idyllisch gelegen aan een uitham aan zee. Het grauwe bord met de aankondiging van de camping en het afgebladerde lokethokje bij de ingang doen niet vermoeden dat dit een waar paradijsje is voor liefhebbers van rust en natuur. Een rust uitstralende oude dame spreekt ons in gebrekkig Duits aan en wijst ons de plekjes op de camping in de boomgaard achter haar huis. Vlak bij haar moestuin onder de schaduw van een vijgenboom vinden we een plekje op twee meter van de zee met uitzicht op een eilandje. Ik word hier zo blij van!

Niet lang na onze aankomst barst de hemel open; de zwarte lucht die al even boven het water hing laat haar water in grote hoeveelheden los. We doen even een powernap in de camper met uitzicht op zee. Als de lucht geklaard is, voelt het heerlijk fris aan en snuiven we de geuren op van de bloeiende bloemen uit de tuin. We brengen de avond door zittend onder een dekentje en de stralende sterrenhemel met uitzicht op zee. We voelen ons intens gelukkig.

Dag 24 – Wandeling naar Ramica Dvori

Vanwege de warmte staan we vroeg op en rijden met de camper naar de ingang van het Paklenica National Parc. Vandaag gaan we voor de wandeling door de kloof richting de berghut Ramica Dvori. De route begint met een pittige klim omhoog tussen de steile rotswanden. Na een half uurtje komen we bij Anica Kuk, een rotspartij die geliefd is bij klimmers. We kijken even hoe een jonge Brit aan de rotswand geplakt lijkt en stukje voor stukje omhoog klimt om zich vervolgens via de touwen weer omlaag te laten zakken naar zijn vriendin die op de grond het touw strak houdt.

Na het klimgedeelte gaat de route licht stijgend door het bos langs de rivier. Het is een makkelijk begaanbaar pad. We willen eigenlijk wel ergens picknicken maar we vinden nergens een geschikt plekje dus lopen we door tot we bij een eenvoudige hut komen. Het terras en de hut zijn verlaten, maar als we even verder kijken zien we een man die water kookt in een grote pan waar hij thee en koffie van zet voor ons.

Het pad wordt nu iets avontuurlijker. Kronkelend zoeken we een weg omhoog. Onverwacht houden de bomen op en komen we bij een open plek. We zijn in een kom met rondom ons de toppen van bergen. Nog even klimmen en dan zijn we bij een kleine, witte berghut waar de Kroatische vlag wappert. De eigenaar verwelkomt ons met eigen gebrouwen schnaps die we vriendelijk doch resoluut afwijzen. We bestellen iets van de kaart, maar de eigenaar haalt zijn schouders op en vertelt dat hij dat vandaag niet gaat klaarmaken voor ons, hij kan wel koffie en thee maken en hij heeft nog appeltaart. We gaan zitten op de houtblokken die als stoel fungeren en focussen op het prachtige uitzicht over het grijze stenen gebergte met groen beboste hellingen. Het duurt een hele tijd voor Janko de koffie en thee klaar heeft, maar wij vermaken ons met de rode kater die op tafel ligt te rollebollen en die geniet van onze aandacht. Wat een heerlijk plekje en wat bijzonder dat wij hier helemaal alleen zijn. Precies op het moment dat ik dat denk komen er twee bergwandelaars in zicht, die we langzaam omhoog richting de hut zien klauteren. Ze komen gezellig bij ons zitten en eigenlijk hebben we direct een klik. Al snel ontdekken we dat we veel overeenkomsten hebben: we zijn allemaal voor drie maanden aan het rondreizen, volgen ongeveer dezelfde route (met de boot naar Ancona, daarna door naar Corsica) en houden van wandelen en fietsen. Alleen Frans valt een beetje uit de toon met zijn paragliding….  We kletsen alsof we elkaar al jaren kennen; over burn-outs, de zin van het leven, de waarde van ziek zijn, reizen en nog veel meer. We wisselen adressen uit en wandelen samen terug naar het dal. Als we in Zürich nog een adresje nodig hebben voor een overnachting zijn we van harte welkom, maar waarschijnlijk gaan onze wegen zich tijdens de reis nog wel een paar keer kruisen.

Bij de camping aangekomen nemen we eerst een verfrissende duik in het water, daarna gaan we samen koken en eten. Moe maar voldaan gaan we slapen.

Dag 25 – Werken en wassen

We hebben besloten nog een dagje te blijven op deze fijne plek. Frans gaat aan het werk en ik speel voor wasvrouw. Via google translate communiceer ik met de oude dame van de camping en maak haar duidelijk dat ik graag gebruik wil maken van de wasmachine. Ik vraag of ze waspoeder heeft dat ik mag gebruiken. Ze knikt en komt even later met een busje waspoeder aanlopen dat ze in de wasmachine laat glijden, waarna ze een programma uitkiest en de wasmachine gaat draaien. Ik vraag hoe lang het ongeveer gaat duren, maar ze haalt haar schouders op en schudt haar hoofd. Nou ja, is natuurlijk ook helemaal niet belangrijk hoelang het gaat duren. We hebben de tijd aan onszelf.

We brengen de dag door met werken, bloggen, zwemmen, was ophangen, lunchen, opnieuw zwemmen, wederom werken en bloggen, de was verhangen, boodschapjes doen op de fiets, de was afhalen en opvouwen en eindigen de dag uiteindelijk met een heerlijke zelfgemaakte maaltijdsalade met een glas witte wijn met uitzicht op zee. Als de avond valt kijken we vanaf de pier naar de sterren en de bootjes op zee.


Dag 26 – Buenos Aires en slangen

Na het opstaan nemen we een frisse duik in zee en genieten nog eenmaal van deze fijne plek, nog even ontbijten en dan is het tijd om te vertrekken. Met het Velebit gebergte op de achtergrond rijden we langs grote blauwe meren die in woestijnachtige canyons liggen, die door hoge bruggen met elkaar zijn verbonden. Meer naar het zuiden wordt het landschap glooiend groen met dorpjes met rode daken. Rond een uur of elf komen we aan bij het natuurpark van de Krka watervallen bij Roski Slap. Het natuurpark is zo’n honderdtwintig kilometer groot en we zijn nu bij de noordkant van het park. Hier begint de Krka rivier aan zijn val naar beneden. Of eigenlijk moet ik zeggen de vele kleine trapjes die het water naar beneden gaat: ‘the necklace’ noemen ze dat hier. Vissen en andere onderwater dieren zetten organisch materiaal af op het travertin, dat zodoende barrières vormt voor het water. Hierdoor ontstaan verschillende bassins gevuld met water, die door de tijd heen veranderen van vorm. Tot vorig jaar mocht je zwemmen in deze bassins en onder de watervallen gaan staan, maar om de kwetsbare bodem te beschermen mag dat niet meer.

Ik heb altijd een ambivalente relatie met slangen gehad. Als kind had ik vaak nachtmerries over slangen, die me in mijn dromen onverwacht aanvielen en die over me heen kronkelden. Maar in de dierentuin werd ik steevast door deze reptielen aangetrokken, ze fascineerden me en ik weet nog dat ik op de lagere school tot afschuw van mijn vriendinnetjes een spreekbeurt over slangen heb gehouden. Hier in Kroatië leven veel soorten slangen en we zijn er ook al heel wat tegengekomen, in alle kleuren en maten, meestal opgaand in hun omgeving, soms vlak voor onze voeten op het wandelpad. Eén keer kon ik Frans nog net tegenhouden anders was hij op een kleine zwarte slang getrapt die voor ons tussen de stenen op het pad lag. Soepel en sierlijk gleed hij rustig de berm in. Een andere keer zagen we een slang in een boom liggen, dit was een vrij groot gestreept exemplaar waarbij ik direct moest denken aan de slang uit het jungle boek dat ik als kind wel honderd keer heb gelezen. Deze slang probeert Mogli, de in de jungle opgegroeide jongen, als lekker hapje te verschalken door hem te hypnotiseren. Wij keken naar de slang, maar het was duidelijk dat de slang ook naar ons keek. Zijn ogen waren strak op ons gericht, terwijl hij als een bos touw op een tak lag. Ineens kwam er beweging in zijn opgerolde slangenlijf en gleed hij via de stam omlaag. Ik was zo geobsedeerd door zijn ogen, dat ik geen foto durfde te maken. Het was vast niet zijn bedoeling om ons aan te vallen, maar ik vertrouwde hem voor geen meter. We zagen ook minder enge exemplaren, slangen zo dun als mijn ringvinger, die rustig voor onze voeten weg kronkelden. Tijdens een van de wandelingen was Frans niet zo lekker en deed hij even een dutje op een bankje, terwijl ik door het park langs de rivieren en de watervallen dartelde, toen ik een slang zo dik als de band van een mountainbike halverwege op het pad zag liggen. Het grootste deel van zijn lijf lag opgerold in het gras, maar zijn kop lag midden op het pad en hij zag eruit alsof hij klaar lag om een lekker hapje te verschalken door met één flitsende beweging naar voren te komen. Ik was bang dat hij mijn blote been zou uitkiezen om in te bijten als ik er langs op zou lopen. Ik durfde er niet langs. Een aantal eindeloos lijkende minuten wachtte ik, terwijl de slang en ik elkaar nauwlettend in de gaten hielden. Toen draaide het serpent zijn kop van me af en maakte ik van de gelegenheid gebruik om snel verder te lopen. En dan was er nog de keer dat ik mijn voeten in het verkoelende water van een beek wilde hangen en Frans me net op tijd attendeerde op de slang in het water. Ondanks de slangen is het een genot om hier te wandelen langs het helder blauwe water waar we de vissen zien zwemmen, de kleurige vlinders en libellen zien fladderen en de kikkers horen kwaken.

Eind van de middag rijden we richting het plaatsje Stradin. De weg kronkelt door de bergen omhoog en omlaag. Aan de kant van de weg zie ik drie fietsers staan; twee mannen en een vrouw. De vrouw hangt voorover gebogen over haar fiets. Impulsief steek ik een duim omhoog naar één van de mannen, terwijl ik hem vragend aankijk, ik heb het gevoel dat ze hulp nodig hebben. De man maakt een gebaar waarbij hij met z’n handen draait, het lijkt zo iets te betekenen als ‘niet echt goed, maar ook niet heel slecht’. Het is een smalle weg en voor we het weten zijn we de fietsers voorbij gereden. Wanneer we even later bij een rotonde komen, denken Frans en ik hetzelfde: we rijden terug naar de fietsers om te kijken of we hen kunnen helpen.
De fietsers staan nog in dezelfde positie. Ik parkeer de auto zo goed als het gaat in de berm en Frans stapt uit om te vragen wat er aan de hand is. De dame is uitgeput door de warmte en gebrek aan water en eten. Ze waren naar de watervallen gefietst in de veronderstelling dat daar iets te eten en drinken zou zijn, maar dat was er niet. We bieden de vrouw een lift aan en ze neemt plaats op de achterbank tussen de paragliders van Frans. Met behulp van aanwijzingen van de mannen draai ik de bus op de smalle bergweg, we steken een hand op naar de mannen die hier zullen wachten op ons tot we terug komen om de fiets van de dame op te halen en rijden richting Stradin.
De vrouw die van onze leeftijd is, vertelt dat ze met haar man en haar zoon aan het fietsen is, maar dat ze thuis in Buenos Aires nooit fietst. Haar zoon werkt in Engeland en zij en haar man zijn gisteren aangekomen in Kroatië om hem te ontmoeten. Wij vertellen dat we wel eens in Argentinië en Buenos Aires zijn geweest.
In Stradin zetten we de vrouw, die heel blij en dankbaar is voor de lift die wij haar hebben aangeboden, uit de auto. Daarna droppen we onze fietsen en keren weer om richting de mannen, die nog langs de kant van de weg staan te wachten. We plaatsen de fietst van de vrouw op onze fietsendrager en vragen de oudere man of hij ook mee wil rijden, want we hebben plaats voor twee fietsen, maar hij wil met zijn zoon mee fietsen verzekerd hij ons. De vrouw staat nog te wachten bij onze fietsen en we maken nog een praatje voor we afscheid nemen.

We vinden een kleine, grappige, hippie camping. Het sanitair is basic, maar is overal opgeleukt met geschilderde bloemetjes, er is een keukentje en een terras waar je gezellig kan zitten met je eigen gemaakte brouwsels. En er is een poortje met daarop een uitnodigend ‘welkom’ geschilderd. De ligging van de camping is geweldig: op loopafstand van een supermarkt, van restaurants, van het strand en van de ingang van het park naar de Krka watervallen.

Wanneer we het rustieke plaatsje Stradin in wandelen, treffen we op een terras de twee mannen en de vrouw uit Buenos Aires. Ze nodigen ons uit voor een drankje en al snel wisselen we verhalen, reiservaringen en gegevens uit over het leven in Nederland en Argentinië. Het is erg gezellig. We wisselen onze adres gegevens uit en zijn van harte welkom om op bezoek te komen als we in Buenos Aires zijn. Dat is het leuke van reizen; je treft overal leuke mensen.

Onze magen rammelen als we bij restaurant Toni neerstrijken voor een risotto met zeevruchten en een lapje vlees. Ik neem er een glas witte wijn bij en we toosten samen op het mooie leven dat we mogen leiden.

Dag 27 – Stradinsky Buk

We staan vroeg op om de eerste boot naar de watervallen te nemen. Om kwart voor acht staan we bij de haven om in te checken bij het bootje dat ons naar de ingang van het park zal brengen. Ik geniet van het boottochtje over het Kozach meer en de Krk rivier, het blauwe water, het wuivende riet, de grijsgroene bergen op de achtergrond. Als één van de eersten betreden we het park waar we vandaag de Stradinsky Buk watervallen gaan bekijken. Het mooiste deel van het park vind ik de houten vlonders die over de watervallen zijn gelegd, waardoor je over het vallende water wandelt. Het travertin is geelbruin en steekt fel af tegen het groenblauwe water met zijn witte schuimkoppen.
Het is nog heerlijk rustig in het park en we staan soms wel tien minuten bij een waterval te kijken voordat er weer een paar mensen aankomen. Rond twaalf uur wordt het druk met groepen en besluiten we terug te wandelen naar de camping. Eerst houden we nog een picknick met uitzicht  op de grote waterval, daarna lopen we langs het blauwe water van de Krka rivier terug. Het is nog best een eind, de zon brandt op ons hoofd en ik bedenk dat we vergeten zijn om zonnebrand mee te nemen. Hopelijk verbranden we niet al te erg. Bij het strand aangekomen nemen we een verkoelende duik in het water. Heerlijk!
’s Middags houden we siësta en eind van de middag wandelen we Stradin in om te gaan eten bij een visrestaurant. De ober laat ons een schaal vissen zien met de ‘catch of the day’ waar we een keuze uit mogen maken. We kiezen een grote grijze vis, die we samen delen en die op een grote schaal geserveerd wordt samen met een saus van boter met heel veel knoflook. Wijntje erbij en smullen maar!
Even later zien we Beat en Brigitta die we in het Velebit gebergte hadden ontmoet voorbij wandelen, we nodigen hen uit voor een drankje. Zij zijn op het eiland Pag geweest en hebben de ‘Moonwalk trail’ gelopen waar ze erg van onder de indruk zijn. Een buitenaards landschap zonder enige begroeiing maar knalblauwe meren. Grappig hoe je elkaar telkens weer tegenkomt.

Dag 28 – Langs de Dalmatische kust

We verlaten de hippie camping en rijden richting het zuiden. Via de snelweg rijden we naar de mondaine stad Split, die we links laten liggen. De wegen in Kroatië zijn meestal goed en de tolwegen zijn erg rustig. We tuffen op ons gemakje door eindeloos groen beboste hellingen zonder enige bebouwing. De bomen en struiken zijn nu nog groen, maar hoe zal dat er over een maand uitzien? De vrouw van de camping vertelde me dat mei een regenmaand is, halverwege de maand slaat het weer om en dan valt er tot half augustus geen druppel regen meer. Rond vijftien augustus regent het altijd drie dagen. Ik ben verbaasd over zo’n nauwkeurig klimaat. We hebben de weeromslag meegemaakt, de eerste week was het fris met de bora en de regenbuien, nu is het te warm om overdag echt actief te zijn. We zijn er al aan gewend om vroeg op te staan en ’s middags een siësta te houden, dragen altijd een hoedje tegen de hitte. ’s Ochtends schieten we een shirtje met een korte broek aan, we hoeven niet na te denken om een trui of jas mee te nemen, het blijft heerlijk van temperatuur tot ’s avonds laat. Op de campings zoeken we de schaduwplekken uit, de medicijnen van Frans zitten in een thermobag die we onder de bank opbergen, zodat deze zo koel mogelijk blijven. We mijden de zon zoveel mogelijk.

Wat valt ons op in Kroatië? De reclame voor tandartsen, in iedere wat grotere plaats staan reclame borden voor een stalende lach bij de dentist, dat je je kleding bij het douchen buiten moet ophangen en dat ze het hier heel gewoon vinden dat je je dan buiten de douche aankleedt, de prachtige bloementuinen met fleurige en geurige bloemen en struiken,(vooral jasmijn, rozen, bougainville), dat ze hier bij de meeste restaurants als je naar het toilet gaat geen slot op de deur hebben (ik vind dit heel ongemakkelijk, probeer dan met één hand de deurklink tegen te houden mocht er iemand ineens de deur willen openen), de obers die in de horeca werken erg vriendelijk zijn en het leuk vinden een praatje te maken, vooral als je je best doet om een paar woordjes Kroatisch uit te spreken.

Op weg naar Dubrovnik moeten we door een klein stukje Bosnië-Herzegovina. Bij de douane moeten we onze paspoorten en autopapieren laten zien. Frans wil een grapje maken tegen de douanebeambte maar ik knijp hem in zijn arm; geen grapjes sis ik hem toe, want de douane kijkt uiterst serieus en geconcentreerd en ik ben bang dat hij de grapjes van Frans niet gaat begrijpen. Hij schudt even zijn hoofd en het lijkt erop dat er iets mis is, maar even later mogen we toch door rijden. In Bosnië zien we ineens cyrillisch schrift op de borden. Er lopen een paar vrouwen met hoofddoeken om. Het lijkt of we ineens in een andere wereld zijn terecht gekomen. Kroatië weer in gaat gemakkelijk.
De snelweg is verdwenen. We rijden nu vlak langs de zee over een weg met veel bochten die uitzicht geeft over de prachtige Dalmatische kust met zijn vele eilanden en heuvelachtige achterland. De bergen worden steeds grilliger en kaler, alleen nog bedekt met kleine plukjes groen. De kustlijn is ook grillig met vele baaien en inhammen waar we omheen kronkelen. Langs de weg staan fruitstalletjes met vers geperst sinaasappelsap; we zijn in een vallei met sinaasappelbomen en geïrrigeerde akkers met tuinbouw.

Als we Dubrovnik naderen rijden we langs een haven waar enorme cruiseschepen liggen aangemeerd. Het verkeer is hier hectisch en Frans moet al zijn concentratie gebruiken om ons veilig door de stad te loodsen. We rijden afwisselend. Toen ik last had van mijn nek reed Frans en toen Frans last had van zijn oog reed ik. De lamme en de blinde die elkaar helpen, grapten we tegen elkaar.
Er is maar één camping in de hele omtrek van Dubrovnik te vinden. Dus koersen we af op camping Solitudo gelegen in het stadsdeel Babin Kuk. De camping is niet geweldig maar we vinden een plekje in de schaduw, er is op loopafstand een restaurant, een supermarktje en een strand. En we kunnen morgen met de stadsbus naar de oude stad.
Op de één of andere manier had ik verwacht dat dit deel van Kroatië, zo ver naar het zuiden, wat armoediger zou zijn dan het noordelijke deel, maar niets is minder waar. Het is hier een stuk duurder en het strand is mondain, met hippe barretjes, strandbedjes en luxe bedden met baldakijn. Op een romantisch plekje op de rotsen zien we de zon in de zee zakken.

Dag 29 – Dubrovnik

We pakken rond acht uur de bus naar de oude stad. Dubrovnik is een vestingstad uit de Italiaanse bloeiperiode met een stadsmuur die nog volledig in tact is en waarover je een prachtige wandeling om de hele stad kan maken. Vanaf de muur heb je uitzicht op de roodoranje daken, de diepblauwe zee, de haven met scheepjes en de vier forten die de stad omlijsten. Het is zo sfeervol. Zo mooi intact. De stenen huizen met groene vensters, de glad gesleten stenen op de straat, de paleizen, de kerken en torens, de rode daken, de vele trappen en steile steegjes met wapperende was aan de lijn, de binnentuinen met geurende struiken, de kloosters met patio’s en zuilengalerijen, de gezellige terrasjes met uitzicht op de haven, geen wonder dat Dubrovnik op de lijst van Unesco werelderfgoed staat. En dat de serie Game of Thrones Dubrovnik als decor heeft uitgekozen.

We genieten van een maaltijdsalade op één van de mooiste plekjes van de stad. We zitten in de schaduw met uitzicht op de bootjes die dobberen in het blauwe water met op de achtergrond de stadsmuur, het gemeentehuis en het fort. Rond een uur of één zijn we moe van alle indrukken, de warmte en de drukte en gaan we terug naar de camping voor een siësta. Even een tukkie doen, lekker douchen, wat eten en dan terug naar de stad om de zonsondergang te zien en een indruk te krijgen van Dubrovnik by night. ’s Avonds is de stad sprookjesachtig verlicht, stelletjes dineren bij kaarslicht, nippen aan een cocktail op een terrasje op de rotsen aan zee of likken aan een ijsje terwijl ze door de met lantaarns verlichte straat flaneren.

Dubrovnik; zeker één van de mooiste steden die ik heb gezien.

Deel drie – Hravatska

Dag 13 – Bike & Fly

Een beetje weemoedig zwaaien we de laatste deelnemers van de paragliding week uit. We moeten weer even onze draai vinden nu we weer met z’n tweetjes zijn en de vaste structuur van de lesweek ontbreekt. Wat zullen we vandaag eens gaan doen?

Frans heeft gisteren van een paraglider uit de buurt gehoord dat het vandaag een goede vliegdag zal worden, dus besluiten we nog een dagje in Lijak te blijven. We tuffen de berg op naar de startplek waar ik Frans achterlaat voor een hopelijk lange en veilige vlucht. Zelf rijd ik de bus naar de parkeerplaats in Solkan waar ik de fiets van de camper til om het fietspad dat ik van de week al een klein stukje heb verkend nu helemaal te fietsen. Af en toe stop ik om te kijken waar Frans zich bevindt; of hij nog in de lucht hangt of al ergens is geland. Ik fiets het hele stuk naar het dorpje Plavé waar ik net voor een steile klim weer omkeer. Eind van de middag hijs ik met enige moeite de fiets weer op de fietsendrager en rijd naar de landingsplek van de paragliders om te kijken of ik Frans ergens kan spotten. De timing is perfect: wanneer ik bij de landing aankom heeft Frans zijn scherm net weer veilig aan de grond gezet. Zittend in het weiland drinken we een glas koele cola terwijl we elkaar bijpraten over de ervaringen van onze fiets- en vliegtocht.

Frans heeft contact gemaakt met twee aardige Poolse piloten. Ze zijn samen opgevlogen en hebben elkaar de beste thermiek spots aangewezen. Frans heeft tweeënhalf uur in de lucht gehangen en heeft ongeveer dertig kilometer gevlogen. De wind bleek te sterk om tegen in te vliegen, waardoor een grotere tocht er niet in zat.
We bieden één van de Poolse piloten een lift aan naar de top van de berg waar zijn auto geparkeerd staat. Dat betekent voor ons zo’n veertig minuten omrijden, maar het is een goede gewoonte van paragliders onder elkaar om elkaar te helpen, dus dat doen we graag. Terwijl we omhoog rijden praten de mannen over de beste manier om tijdens een lange vlucht te plassen. Er zijn twee kampen: de luierdragers en de plascondoomdragers. Nadeel van de luier kan zijn dat het na verloop van tijd koud wordt. Net zoiets als dat je als kind in bed plaste en het na een uur koud werd. Een plascondoom zit minder comfortabel. Beide mannen zijn het er over eens dat je een drempel over moet om te durven plassen of je nu een luier of een condoom draagt.

Bij een grote, moderne supermarkt doen boodschappen voor de komende dagen en dan maken we een maaltijd in de camper. Ook wel weer eens lekker om niet uit eten te gaan.

Dag 14 – Hravatska

We worden wakker met de zon en een gevoel van vrijheid. Geen tijdschema’s meer. We ontbijten met gebakken ei, spek en tomaat in een lekker zonnetje met uitzicht op de bergen. We drinken nog een kopje koffie bij de eigenaresse van de camping alvorens we naar een guesthouse in een nabij gelegen dorpje rijden. We gaan onderzoeken of dit guesthouse geschikt is als onderkomen voor de paragliding groep voor volgend jaar. Op de camping missen we – vooral bij slecht weer – een gezamenlijke ruimte.
Als we bij het guesthouse aankomen is alles gesloten, maar even later zien we iemand lopen en na een korte uitleg krijgen we een rondleiding door het pand met achttien slaapplekken, een gezellig restaurant, een terras en een aparte ruimte waar we als groep kunnen samenkomen. Enthousiast sturen we foto’s door naar de leden van de Maurikparagliding crew, die inmiddels weer in Nederland zijn aangekomen.

Ik ben van Slovenië gaan houden. Het mooie landschap, de dromerige dorpjes, de eenvoudige eethuisjes en de rustige bevolking. De paar woordjes Sloveens die ik heb geleerd, dobredösli (welkom), dobre dan (goedendag) en hvala (bedankt) kunnen weer terug in een laadje in mijn brein, want vandaag gaan we naar Kroatië waar de taal net weer even anders is. De Slavische talen zijn lastig uit te spreken voor ons met soms wel vijf medeklinkers op een rij.
Het is regenachtig en de bergen zijn in nevel gehuld als we richting de Kroatische grens gaan. Via een glibberige bergpas rijden we door een verlaten landschap als we vrij onverwacht bij een douanepost komen: welkom in Hravatska ofwel Kroatië! De vrouwelijke douanebeambte bekijkt onze paspoorten en vraagt waar we naartoe gaan. Ze zegt lachend tegen me dat we er zo ‘excited’ uitzien en wenst ons een fijn verblijf.

Ongemerkt is het landschap veranderd van frisgroen naar mediterraan groen, van beukenbomen naar sparren en olijfbomen. De bodem is stenig en roestbruin van kleur. Van grote hoogte kijken we neer op de Adriatische zee. In de diepte ligt de stad Reijka met zijn rode daken, de oceaan is blauw met vele eilanden die met imposante bruggen met elkaar zijn verbonden.

Ik vind dat de camper niet lekker op de weg ligt; het stuur trilt en ergens zit een hobbel bij de banden. Toen ik bij een steile helling naar beneden moest stoppen voor een verkeerslicht sprong de ABS erop, daar ben ik wat van geschrokken. Daarom controleren we bij een benzinepomp de bandenspanning, maar die lijkt goed. We vinden niets vreemds en concluderen dat het waarschijnlijk het wegdek is geweest.
Via een brug bereiken we het eiland Krk. Ik heb een minicamping uitgezocht vlak bij het middeleeuwse stadje Krk waar het eiland naar is genoemd. De gastvrouw geeft ons een warm welkom en we zoeken een plekje onder de olijfbomen met uitzicht op een tuin en een huis in aanbouw.

We wandelen via steile straatjes en het kleine dorpje Skrpici naar zee. We vinden er een lieflijke baai met rotsen en een cafeetje. Het helder blauwe water nodigt uit om te zwemmen, maar vanwege mijn keelpijn en een hardnekkige hoest besluiten we dat niet te doen. Eén van de paragliders heeft van de week de hele groep aangestoken; aan het eind van de week had iedereen last van een zere keel en kriebelhoest. Bij de zelftest dacht ik nog even dat ik corona had toen er een streepje bij de c verscheen. Op de verpakking las ik gelukkig dat de c niet voor covid, maar voor controle stond en zeer waarschijnlijk betekent dat ik niet besmet ben met het coronavirus.

Dag 15 – Op de fiets naar Krk

Het eerste uur na het ontwaken rochelen en hoesten we als een stelletje bejaarden met rokerslongen, als we eenmaal wat slijm hebben opgehoest gaat het beter. We voelen ons verder niet ziek, dus besluiten we de tien kilometer naar het stadje Krk op de fiets af te leggen. De gastvrouw heeft ons wel gewaarschuwd dat dat zonder elektrische fietsen een uitdaging zal zijn vanwege het heuvelachtige karakter van de weg. De eerste vier kilometer zijn bergop, daarna volgt een zes kilometer lange afdaling naar het aan zee gelegen Krk.

De zon brandt fel, maar er waait een koude, noorden wind, de Bora, waardoor de temperatuur niet boven de twintig graden uitkomt. Na vier kilometer klimmen bereiken we het gehuchtje Vrh waar we op een stenen muurtje even uitpuffen voordat we aan de lange afdaling beginnen. Het is een kleine, smalle maar toch wel drukke weg. Gelukkig houden de meeste auto’s een prettige afstand aan om ons te passeren.
In Krk parkeren we onze fietsen en gaan op zoek naar de Zagrebski Banka om Kroatische Kuna’s te pinnen. Hadden we even niet aan gedacht dat ze in Kroatië pas volgend jaar de Euro introduceren en nu nog betalen met de Kuna. Bij campings, restaurants en supermarktjes moet contant worden betaald. Een basisvoorraad Kuna’s is dus handig.

We picknicken op een bankje in een parkje met heerlijk geurende struiken en uitzicht op het haventje met plezierjachten, daarna dwalen we wat door het middeleeuwse stadje met uitgesleten stenen trapjes, oude stadsmuren, kerken en torens.

We verzamelen moed voor de zeven kilometer lange klim naar Hvr, waarin twee echt steile stukken zitten die mijn benen doen verzuren en waardoor ik hijgend als een paard bovenkom. Bij de afdaling bedenk ik bewonderend dat we dit hele stuk vanochtend zonder al te veel problemen hebben beklommen. Dat hebben we toch maar mooi gefikst. Nog even een duik in het zwembad en dan lekker warm douchen.

’s Avonds eten we bij de pizzeria van Skrpcici pasta, pizza en salade. In de camper kijken we samen naar een aflevering van Boer zoekt vrouw.

Dag 16 – Werk en water

’s Ochtends lees ik lekker in mijn boek, was de fietsbroeken uit, doe de afwas en maak een praatje met de gastvrouw van de camping en wat andere campinggasten, terwijl Frans achter zijn laptop wat werk verricht voor een aantal klanten van hem.

Halverwege de middag fietsen we naar zee waar we ons installeren op een rots met uitzicht op zee en het eiland Cres. Ditmaal duiken we wel in het helderblauwe water dat veel kouder is dan het eruit ziet en ons naar adem laat happen. De duik is verfrissend maar slaat op mijn longen. De rest van dag ben ik wat benauwd. We sluiten ons verblijf op dit idyllische strandje af met een drankje op een schommelstoel onder een parasol met uitzicht op de baai.

Dag 17 – Vrbnic

Via internet kopen we kaartjes voor het Nationale Park van de Plitvice meren die we morgen willen bezoeken. We pakken de spullen in, nemen afscheid van de hartelijke gastvrouw, doen boodschappen bij een grote supermarkt waar Frans nog even voor telefonische helpdesk speelt voor één van de zijn klanten en koersen dan naar het stadje Vrbnic dat op een heuvel aan zee ligt. We parkeren de camper beneden op een onverhard parkeerterrein en klimmen omhoog langs velden met wijnranken naar de smalle straatjes van Vrbnic vanwaar we een fraai uitzicht op zee hebben. In de verte zien we het vaste land met het rotsige Velebit gebergte liggen. Vrbnic ligt in de wijnstreek van het eiland Krk en staat bekend om de smalste straat van Europa: deze smalle doorgang is zesenveertig centimeter. Ik pas er nauwelijks doorheen.

Via een vers geasfalteerde weg klimmen we omhoog door het Velebit gebergte, daarna rijden we door vele tunnels het binnenland in, waarbij het landschap als we één van de tunnels uitkomen plotsklaps is veranderd in een sappig groen weidelandschap met bloeiende appelbomen. We passeren verlaten dorpjes met kapotgeschoten huizen vol kogelgaten en afgebrande kerkjes; een trieste nalatenschap van de oorlog die in de jaren negentig in de Balkan woedde. Hier op de grens tussen Kroatië en Bosnië-Herzegovina is heftig gevochten. Het kustgebied is modern, er staan grote huizen, maar hier in het gebergte is het veel armoediger. We zien kleine huisjes, smoezelige kindjes die op de stoffige grond zitten te spelen en moeders die de roodbruine aarde van hun moestuintjes bewerken. Schapen, honden en geitjes lopen op de weg. Onze navigatie geeft aan dat we de laatste vijftig kilometer in iets meer dan anderhalf uur zullen afleggen. Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat we in zo’n desolaat landschap rijden met zo’n klein, slingerend weggetje terwijl de Plitvice meren in het hoogseizoen zo’n vijftienduizend bezoekers per dag ontvangen, die met busladingen tegelijkertijd worden aangevoerd. Er moet ergens een grotere weg lopen, want ik kan me niet voorstellen dat al die mensen via deze route worden geleid. Ik ben wel blij dat onze navigatie ons op dit mooie spoor heeft gezet. De laatste dertig kilometer door het National Park de Plitvice zijn echt prachig: een bochtige weg waar je niemand wil tegenkomen door frisgroen bladerdek met overal stromende beekjes en watervallen.

Autocamp Korana is een aparte camping; overal heuvels met sappig gras en picknick bankjes, alsof je je camper midden in de natuur hebt staan. Vogeltjes fluiten er uit volle borst en pikken de broodkruimels vlak voor onze voeten weg. We dineren op een picknick bank die op een heuveltje staat met uitzicht op het bos. Toch is onze stemming wat somber, want Frans heeft last van zijn oog. Sinds zaterdag wordt zijn zicht langzaam minder. We hebben al een paar keer contact gehad met de oogarts waar hij onder behandeling is en overwegen om terug te gaan naar Nederland.

Dag 18 – Plitvice meren

Meer dan dertig jaar geleden zijn Frans en ik op vakantie geweest naar het toenmalige Joegoslavië waarbij we ook de Plitvice meren hebben bezocht. Sindsdien staan de Plitvice meren op mijn verlanglijstje om nog eens te bezoeken en vandaag is het dan zover. We hebben kaartjes gekocht waarmee we tussen acht en negen uur ’s ochtends het park in mogen. Om iets voor achten melden we ons bij de entree. Het is een rustige dag vandaag en het eerste uur hebben we de watervallen en meren helemaal voor ons alleen.
In het karstgesteente zijn twaalf meren uitgesleten die door watervallen met elkaar zijn verbonden. Via paadjes langs de oevers van de meren en via houten vlonders wandelen we langs en over het azuurblauwe water. Het ene meer is nog mooier dan het andere, de ene waterval nog spectaculairder dan de vorige. Uren lopen we verwonderd door zoveel natuurpracht rond. Af en toe pauzeren we op een boomstronk om de natuur op ons in te laten werken en om wat te eten en te drinken. Op één van de vlonders staan we ineens oog in oog met degene die Frans en de Maurikcrew heeft gefilmd voor Omroep Gelderland en haar dochter. Wat een toeval. Hoe groot is de kans dat je hier vandaag op deze plek een bekende tegenkomt? We kletsen even wat bij en maken foto’s van ons viertjes en lopen weer door. Niet veel later herhaald zich het tafereel. Frans houdt zijn pas in, de vrouw die ons met haar dochters tegemoet komt eveneens, ‘hé dat is lang geleden’ wordt er geroepen. De dochters en ik staan er wat verdwaasd bij. Frans en de vrouw kennen elkaar van het werk en wisselen nieuwtjes uit. Na tien minuutjes wandelen we weer door. Tweemaal een toevallige ontmoeting op één dag bij de Plitvice meren in Kroatië.

We blijven tot vijf uur in het park. Dan hebben we echt wel alle meren gezien, langs bijna alle oevers gewandeld en zijn we met een elektrische boot het Kozjak meer over gestoken. Moe maar voldaan rijden we terug naar ons kamp waar we een potje koken en nagenieten van deze bijzondere dag.

Het interieur van het sanitair gebouw ziet er met zijn geelgestreepte tegels uit alsof het nog uit het Tito tijdperk stamt. Er lopen voortdurend twee dames rond die met een zwabber de vloer schoonhouden en voor de deur ligt een badhanddoek waarop je je voeten mag vegen voordat je het gebouw binnen gaat. ‘Wie bedenkt nu zoiets?’, vraagt Frans zichzelf af, terwijl hij de vaat in de diepe bak zet die bedoeld is om in af te wassen. De bak is zo diep dat je zwaar voorover moet bukken om bij je borden en mokken te komen, het water komt met zo’n kracht uit de kraan dat alles inclusief de afwasser kletsnet wordt. Terwijl we de afwas doen komen de dames met de zwabber langs om de vloer die wij nat hebben gespetterd weer te drogen.
Bij de douches is het de bedoeling dat je al je kleding en je handdoek buiten aan haakjes hangt. In de douche zelf is daar geen ruimte voor. Ik zie naast mij al een fleurig slipje en een trui aan de haak hangen. Wanneer ik de douche aanzet, krijg ik direct een forse koude straal in mijn gezicht, daarna gaat de douchekop die los hangt een eigen leven leiden. Met een draaiende beweging spuit het water hard tegen de achterwand en zelfs over de deur heen naar buiten. Maar uiteindelijk blijkt het de lekkerste douche te zijn die ik in lange tijd heb gehad, met zo’n ouderwets lekkere harde straal en heerlijk warm water. Nu even niet aan het milieu denken, maar alleen aan mezelf.

Dag 19 – Tomografie

Frans heeft een onderzoek voor zijn oog nodig. In eerste instantie wilden we daarom vandaag terug naar huis rijden, maar Frans kwam op het idee om zijn oog in Kroatië te laten onderzoeken. De oogarts in Nederland vond dat een goed idee mits we haar op de hoogte brengen van de uitkomsten van het onderzoek.
Terwijl Frans rijdt zoek ik via Google Translate op wat oogarts is in het Kroatisch, op basis hiervan ga ik zoeken op internet naar een oogarts in de buurt van Zadar. Al vrij snel vind ik een kliniek die gespecialiseerd is in de behandeling van staar, een soortgelijke kliniek als waar Frans in Nederland onder behandeling is. Op een parkeerterrein trekken we onze nette kleding aan, doen even een schietgebedje dat we bij een deskundige arts terechtkomen en stappen op goed geluk de kliniek binnen. We houden er rekening mee dat we voorlopig niet geholpen worden en misschien ergens volgende week een afspraak kunnen maken voor onderzoek.
We leggen ons probleem voor aan de dame van de balie. Ze begrijpt dat we een onderzoek van het rechteroog van Frans willen. Helaas is de arts vandaag naar een congres en maandag heeft hij de hele dag operaties. Ze verwijst ons naar de spoedeisende hulp van het algemene ziekenhuis een eindje verderop. Dat lijkt ons geen goede optie. Ik vraag of er misschien nog ergens een oogarts in Zadar te vinden is. Ze denkt even na en begint dan te glimlachen, pakt de telefoon en loopt weg. Even later komt ze terug met een briefje met een naam en adres. Dit is dokter Maria, ik heb haar net gebeld en u kunt nu bij haar terecht. Springend van blijdschap schudden we haar hand en bedanken haar hartelijk. Dan rijden we naar het opgegeven adres. Ik denk aan de oogartsen in Nederland waar je echt niet zonder afspraak terecht kunt, wel een beetje vreemd dat deze arts blijkbaar zo weinig te doen heeft dat we zomaar direct langs kunnen komen. Ik hoop maar dat het een deskundig iemand is. Het kleine gebouw waar de oogarts is gevestigd ziet er fris en modern uit. We melden ons bij de balie en worden door een vriendelijk meisje geholpen. Ze verontschuldigt zich dat de oogarts nog even bezig is, er zijn wat computerproblemen. Verder bedankt ze ons dat we naar hun praktijk zijn gekomen. Ik heb direct vertrouwen in Marije Kalensi Colega, ze is een rustige, fris uitziende arts, die eerst het zicht van het oog onderzoekt en dan vraagt of ze een tomografie van het oog mag maken, omdat ze verwacht dat er vocht in de macula, het centrale deel van het netvlies zit, waardoor het zicht wordt vertroebeld. De apparatuur is splinternieuw en nog niet gebruikt, vertelt ze. Ze is net voor zichzelf begonnen en zit nog in de opstartfase, hiervoor heeft ze jaren in het algemene ziekenhuis en in de kliniek waar we eerst waren gewerkt. Ze toont ons op de computer de beelden van het onderzoek, er zit inderdaad vocht in de macula dat er niet hoort. Het is geen acuut probleem maar moet wel binnen een paar dagen worden behandeld dan heeft het goede vooruitzichten op genezing. Ze schrijft ons druppels en pillen voor en vertelt dat we naar een netvliesspecialist moeten om het verder te laten behandelen. We danken haar hartelijk en nemen het rapport van het onderzoek en het beeldmateriaal in ontvangst.
Frans belt met de oogarts in Nederland om te overleggen. Het blijkt niet nodig om terug te keren naar Nederland, het oog kan met druppels worden behandeld. In eerste instantie willen we de oogdruppels uit Nederland laten overkomen en laten bezorgen via DHL bij de camping. Daarom kiezen we een grote camping uit met een receptie die we inlichten dat er binnenkort een pakketje voor ons uit Nederland komt. Maar de oogarts belt terug, er is overleg geweest en de medicijnen die de Kroatische arts heeft voorgeschreven zijn goedgekeurd en kunnen we ter behandeling van het oog gebruiken. Het is bijna vijf uur in de middag als we net voor sluitingstijd de apotheek binnenlopen om de oogdruppels te kopen. Een uurtje later zitten we in de camper bij te komen van alle acties en onverwachte wendingen van vandaag. Ongelooflijk. Het is ons gelukt. In één dag een oogarts gevonden, een goede diagnose gekregen en de juiste medicijnen. En het allerbelangrijkst: een goede kans op volledig herstel van het oog. Vanochtend wilden we nog terugkeren naar Nederland, nu kunnen we weer plannen maken voor het vervolg van de reis. De onzekerheid over de ernst van de klachten van het oog van Frans had de laatste dagen als een soort zwaard van Damocles boven ons hoofd gehangen.

Dag 20 – Zeeorgel

Vanuit de camping wandelen we naar de oude binnenstad van Zadar. Vannacht heb ik keelpijn gekregen en ik ben wat rillerig. Terwijl iedereen om me heen in shirtjes met blote mouwen over straat gaat, draag ik mijn donsjas met een sjaal om mijn hals. Ik heb het koud.

Zadar is een stad met glad afgesleten marmeren stenen, ronde stadpoorten, oude stadsmuren en stamt uit de Romeinse tijd. Er is een archeologisch museum en overal liggen stenen en brokstukken van pilaren uitgestald. Op een plein met een kerk en een toren wordt muziek gedraaid. Het is er gezellig druk. Het ruikt er kruidig naar maggiplant, rozemarijn en tijm en de zoete geur van kleine witbloeiende struiken waarvan ik de naam niet weet.

Bij een betonnen plateau aan zee klinken lage, rustgevende klanken. De kunstenaar Nikola Basic heeft om de zeepromenade aantrekkelijker te maken twee kunstobjecten gemaakt. De lage klanken die door de stenen omhoog trillen worden gemaakt door zijn zeeorgel: de golven van de zee stromen in de onder het plateau gelegen orgelpijpen en produceren zodoende de klanken die iets weg hebben van het geluid dat walvissen maken. Het andere kunstobject heet ‘greeting to the sun’. Het bestaat uit driehonderd zonnepanelen die in een cirkel met een diameter van tweeëntwintig meter zijn gelegd. ’s Avonds geven de panelen een lichtshow. Het monument voor de zon symboliseert  communicatie via het licht, het nabij gelegen zeeorgel communicatie door middel van klanken. Behalve de zon, liggen ook de planeten mars, venus, uranus, jupiter, saturnus en mercurius op ware schaalgrootte en afstand tot de zon afgebeeld in de stenen.

We hebben de programmamaakster van Omroep Gelderland en haar dochter uitgenodigd om vanavond samen te eten. Om zeven uur treffen we elkaar bij restaurant 2Ribera. Hoewel we elkaar nauwelijks kennen hebben we geanimeerde gesprekken en wordt het een gezellige avond. Na het eten gaan de dames terug naar het hotel, want morgen vertrekt hun vliegtuig al vroeg in de ochtend. Wij maken nog een rondje door de binnenstad die sfeervol verlicht is, zitten een tijdje bij het zeeorgel om de klanken in ons op te nemen en maken foto’s van de lichtshow bij het monument van de zon. Daarna wandelen we via de haven de ruim vier kilometer terug naar de camping.

Dag 21 – Sauna

Vandaag wordt wereldwijd het event ‘Wings for life’ gehouden. Het is een hardlooprace in meer dan twintig landen om geld in te zamelen voor onderzoek naar ziekten van het centrale zenuwstelsel. Gisteren in het centrum van Zadar zagen we al overal mensen in rolstoelen rondrijden en stonden de inschrijfbalies voor vandaag al klaar. Er gaan vijfduizend deelnemers uit verschillende landen meedoen, zo vertelde een vrolijke jonge vrouw uit Roemenië. De start is in alle landen op hetzelfde tijdstip; voor Kroatië is dat om één uur ’s middags. Je mag net zo lang blijven rennen totdat de bezemwagen je uit de wedstrijd haalt, de lopers krijgen een half uur voorsprong op de auto, waarbij telkens de achterste loper de strijd moet staken. Je moet dus hard lopen om de auto voor te blijven, vertelde de Roemeense ons lachend.

We hebben even overwogen om naar de start te gaan kijken, maar donkere wolken pakken zich samen. Er hangt regen en onweer in de lucht, daarom besluiten we gebruik te maken van het wellness gedeelte van onze luxe camping. Frans duikt de sauna in en ik trakteer mezelf op een kort verblijf in het stoombad. In het buitenzwembad plenzen de regendruppels op me neer, totdat er een bliksemflits aan de hemel verschijnt en ik het zwembad verlaat. De regen komt werkelijk met bakken uit de hemel. In de relaxruimte soezen en lezen we tot de regen stopt. Als Frans zich wil aankleden krijgt hij zijn kluisje niet open, we moeten een tijdje – Frans alleen gehuld in een badhanddoek – wachten op een monteur die het kluisje voor ons kan openen.

Als we onze ouders bellen, horen we dat het in Nederland een warme zonnige dag is. Wij eten de avondmaaltijd in de camper met een dikke trui aan en zitten dicht tegen elkaar aan terwijl we naar een samenvatting van de eredivisie kijken. De ontknoping van het seizoen nadert, wordt het Ajax of toch PSV? Wanneer het droog wordt, maken we bij zonsondergang nog een wandeling langs de zee. De pasteltinten in de lucht zijn schilderachtig.

Dag 22 – Werk

Vandaag heeft Frans een werkdag ingepland. Eén van zijn klanten heeft een omzetting van een systeem en Frans moet stand-by staan om hulp te kunnen bieden mocht er iets mis gaan. We hebben daarom besloten nog een dagje te blijven op deze premium vijfsterren camping; de plekken zijn ruim, de camper staat vlak, er is een supermarkt en een bakker op het terrein, we kunnen een duik nemen in het zwembad of de zee (tot nu toe was dit niet heel aantrekkelijk door de frisse temperaturen, maar vandaag is het eindelijk zonnig), en belangrijk voor Frans: er is hier een goede internet verbinding en de laptop kan aan de stroom. We nemen dan maar voor lief dat het een soort dorp is met een aaneenschakeling van campers met weinig privacy.

Frans werkt en ik schrijf. We zitten beide achter de laptop in de camper. De stoelen buiten zijn gisteren kletsnat geregend en we krijgen nog natte billen als we daar op gaan zitten. Af en toe pauzeren we even, dan wandelen we via de promenade naar de zee met uitzicht op het eiland Ugjan en drinkt Frans een cappuccino en ik een kopje muntthee met honing, mijn favoriete drankje om mijn keel te verzachten, waarna we weer terug slenteren naar de camper om verder te werken. Tussen de middag bak ik een eitje en eten we vers brood dat ik bij het broodstalletje op de hoek van de straat heb gekocht, terwijl we plannen maken voor het vervolg van onze reis.

Ontdekkingsreis deel 2

Week 2 – Paragliden in Slovenië

Dag 6 – Kennismaken

’s Nachts klettert de regen op het dak van de camper. Knus nestel ik me in mijn warme dekbed. Het gaat redelijk goed met mijn nek, maar ik moet nog wel heel alert zijn op mijn bewegingen.
Na een ontbijt met kwark, muesli en warme thee druppelen de eerste paragliders binnen op de camping. Het busje is ’s avonds vertrokken en heeft de hele nacht doorgereden. Ik zou helemaal brak zijn na een nacht zonder slaap, maar de acht heren en één dame stappen fris en vrolijk uit de bus. De rest van de dag staat in het teken van iedereen ontvangen, kennismaken, praatjes aanknopen, even boodschappen doen en natuurlijk uit eten met de hele groep.

In totaal zijn we met twintig personen, waarvan er twee pas de volgende dag zullen komen omdat ze corona hebben. Een aantal mensen verblijft op de camping in bungalows, een aantal slaapt in een hotel een eindje verderop, en er zijn ook twee camperbusjes.
Het is een gezellige groep en het is leuk om weer oude bekenden te zien of om juist nieuwe mensen te leren kennen. De dag is eigenlijk zo voorbij en voor ik het weet zit ik ’s avonds in de pizzeria van Ozeljan, een klein gehuchtje maar met een grootse pizzeria.

Dag 7 – Wandeling

We worden uitgenodigd in één van de bungalows om te komen ontbijten. Dat is wat warmer en ruimer dan in onze bus. Omdat het wat druilerig weer is, krijg ik de sleutel van de bungalow zodat ik vandaag lekker warm het blog kan bijwerken. Maar de dag gaat weer anders lopen dan ik had verwacht. Twee jongens gaan voor een hike & fly experience en willen naar de startplek op de berg wandelen. Als ze horen dat ik ook van wandelen houdt nodigen ze me spontaan uit om mee te gaan. Snel trek ik mijn wandelschoenen aan, gesp mijn heuptas om, bidon water en wat brood mee en daar gaan we. De langste jongen heeft het tempo er flink in. Het eerste stukje gaat via asfalt, maar klimt behoorlijk en het duurt niet lang of ik begin te hijgen van de inspanning. Na een klein half uurtje komen we bij een wit kerkje waar we even pauzeren. Van Frans weet ik dat hij het kerkje als referentiepunt gebruikt als hij in de lucht is en over de kam vliegt. Vanaf hier gaat het via een onverhard rotsig pad omhoog. Het pad wordt smaller en steiler. Er steekt een stevige frisse bries op, de zon is verdwenen en er dreigt regen aan te komen. Ik geniet van de wandeling met de jongens. De natuur is rustgevend groen en de gesprekken zijn vriendelijk en onderhoudend. Boven op de top pauzeren we even op een bankje om te genieten van het uitzicht.
Volgens de route die we van de gastvrouw op de camping hebben gekregen, moeten we door een groot gat in de rotsen om de startplek te bereiken. Dit gat heet Szobo en we volgen de bordjes die aangeven dat het nog vijf minuten lopen is naar Szobo. Er waait een stevige wind door het gat omhoog. Het pad is steil en glibberig. Met handen en voeten daal ik af, de jongens hebben wandelstokken bij zich om hun evenwicht te bewaren. We stoppen even om dit markante punt vast te leggen op de foto en zoeken dan het vervolg van de route. Het pad door het gat is gevaarlijk steil en het lijkt niet de goede kant op te gaan. Na even twijfelen en overleggen keren we om. Eenmaal weer boven op de top, lopen we via een gemakkelijk pad naar de startplek toe waar een groepje verkleumde paragliders staat te wachten. Ze staan er al een paar uur te wachten op een goed moment om te starten, maar het waait vandaag veel te hard. Dus blijft het bij een hike en wordt de fly voor een andere keer bewaard. Ik weet ook direct weer waarom ik paragliden niet aantrekkelijk vind: al dat wachten op koude, onaantrekkelijke plekken tegen beter weten in, dat is niets voor mij. Na een half uur wachten op de gure top komt er gelukkig een busje dat ons naar beneden naar de landingsplek brengt. De beginnende paragliders zijn op de landingsweide grondoefeningen met het scherm aan het doen.
’s Avonds gaan we met bijna de hele groep eten bij een Amerikaans aandoend restaurant met slecht eten waar het wel heel gezellig is.

Dag 8 – Relaxen

De wolken hangen laag vandaag en ik verwacht niet dat er gevlogen kan worden. Maar ik heb het mis. Ondanks de donkere wolken blijft het droog en kan iedereen die dat wil vandaag maar liefst vier vluchten maken. ’s Ochtends zit ik warm en droog in de bungalow dit blog te schrijven. Rond een uur of één word ik opgehaald en krijg ik een lift naar het landingsveld. Jammer genoeg is het gezellige eettentje er door de corona periode mee opgehouden en zijn er geen hapjes en drankjes meer te krijgen op de landingsplek. Ik kijk een tijdje hoe Frans de beginnende paragliders van de cursus begeleidt via de radio. Sommige moeten oren trekken of een oefening doen die rollen en knikken heet, anderen gaan voor een doellanding. Ik help een aantal mensen met het inpakken van het scherm en wandel dan via de akelig drukke weg de paar honderd meter terug naar de camping. Lekker even lezen en opwarmen met een kopje thee in de bungalow.
Al snel krijg ik gezelschap van een drietal mannen met bier die de bungalow confisqueren onder het mom van regen, wanneer ze met hun modderige schoenen om tafel zitten is het gedaan met mijn rust en kan ik het lezen wel vergeten. Maar dat is niet zo erg, want daar krijg ik deze reis vast nog genoeg kansen voor. Ik ben begonnen in een spannende triller.

Frans is behoorlijk uitgeteld door een hele dag lesgeven en opletten. Terwijl hij het zweet van die dag van zich afspoelt onder een lauwe douche maak ik een groenterijke maaltijd klaar in onze bus.

Dag 9 – Inkopen
Morgen is een nationale feestdag in Slovenië ter nagedachtenis aan de bevrijding van de tweede wereldoorlog. Alle winkels en waarschijnlijk ook de meeste restaurants zitten dan dicht, daarom hebben we een BBQ gepland. Samen met één van de begeleiders rijd ik naar het winkelcentrum om inkopen te doen voor de BBQ van morgen. Voor achttien personen kopen we vlees, vis, groente, brood en drank in. Verder scoren we briketten, twee roosters, aluminiumbakjes en aanmaakgel.

’s Middags kom ik eindelijk toe aan mijn net aangeschafte thriller over Joegoslavië. Dat vond ik wel toepasselijk nu we in deze contreien verblijven. Ik realiseer me dat mijn verslag een eenzijdig beeld geeft, want de belevenissen van Frans komen nauwelijks aan bod. Dat komt omdat ik mijn man deze week nauwelijks spreek. Hij heeft in zijn hoofd geen ruimte voor andere dingen dan paragliden. Met het team kijken ze naar het weer, evalueren de vorderingen van de cursisten, bespreken de oefeningen, de risico’s, bereiden de theorielessen voor, regelen het transport, laden de radio’s op en downloaden de foto’s en filmpjes van iedereen en dan moet hij ook nog aan zijn eigen spullen denken. ’s Ochtends bij het ontbijt spreken de mannen het dagprogramma door, daarna geven ze een briefing en dan is het verzamelen en de berg op. Frans staat meestal op de startplek om iedereen te helpen om veilig te starten en de eerste meters in de lucht te begeleiden, voordat hij de commando’s overgeeft aan degene die de cursisten begeleidt naar de landing.
Ik ben vooral lui deze dagen. Het plan om in mijn eentje een lange fietstocht door Slovenië te maken heb ik laten varen. De langeafstandsfietsroute die ik had uitgekozen ligt helemaal aan de andere kant van Slovenië, het kost een paar uur om daar te komen vanaf Lijak waar we nu zitten. Bovendien heeft Frans de camper nodig om in te slapen en heeft overdag niemand tijd om mij naar het beginpunt van de route te brengen. Vóórdat de paragliding week begon had Frans me kunnen brengen, maar toen was het weer zo belabberd dat deze optie me heel onaantrekkelijk leek. En eigenlijk geniet ik wel van het nietsdoen; beetje lezen, beetje bloggen, beetje kletsen, eten, wandelen en af en toe naar de landing om te kijken hoe de paragliders hun scherm aan de grond zetten.

’s Avonds eten we met de hele groep bij een restaurant dat nog de sfeer van het oude Oostblok uitademt, kale vertrekken met lange tafels en rechte houten stoelen, maar het eten is eerlijk en puur. Ik verorber een zeetong met een karafje witte wijn. Als de ober even later komt en de mannen bier bij bestellen, hoor ik mijn buurman een karaf witte wijn bestellen. Ik ben in de veronderstelling dat hij dat voor mij wil bestellen en ik roep naar de ober: ‘No. No wine’. Ik schud resoluut met mijn hoofd en maak met mijn handen een gebaar van een streep om aan te geven dat ik genoeg wijn heb gehad. Mijn buurman protesteert en bestelt nogmaals een karafje wijn. Waarna ik mijn woorden en gebaren herhaal. ‘Jezus, waarom mag ik van jou geen wijntje drinken, ik ben toch niet met je getrouwd?’, vraagt mijn buurman perplex.

Dag 10 – Eindelijk dan toch fietsen

Bij het ontbijt wordt nog even gerefereerd aan mijn blunder van de avond tevoren. ‘Ik begrijp nu ook wel waarom Frans geen wijntje drinkt’, zegt één van de mannen olijk, terwijl hij het puntje van zijn duim omlaag buigt en kijkt hoe ik daar op reageer. Ik schiet in de lach.

Vandaag heb ik zin om te fietsen. Oorspronkelijk wil ik met de bus naar Solkan rijden waar een prachtig fietspad ligt naast de groenblauwe Soca rivier. Maar ik weet niet zeker of ik de fiets na het fietsen weer op de fietsendrager kan tillen en of er een sterke man of vrouw in de buurt zal zijn die ik kan charteren om de fiets er voor mij op te zetten. Teveel gedoe. Ik besluit vanaf de camping te gaan fietsen en dan maar te zien of ik in Solkan aankom en nog energie heb om het fietspad te volgen.
Op mijn OsmAnd app, die ik tijdens de navigatiecursus voor fietsvakanties de vrijdag voor ons vertrek heb geïnstalleerd, kijk ik of er geschikte fietswegen zijn in de omgeving die richting Solkan gaan. Dat lijkt het geval. Ik klik mijn mobiel vast op het stuur met de OsmAnd app geopend. Dit is een goede test om te kijken of het werkt.

Na een paar honderd meter langs de drukke weg waar de camping aan ligt, sla ik af richting het dorpje Ozeljan. Ik meander door velden en over pittige heuveltjes die een beroep doen op mijn kuitspieren door het Sloveense landschap met uitzicht op de heuvelrug waarvandaan de paragliders starten voor hun vlucht. De lucht is strak blauw en ik heb me goed ingesmeerd met zonnebrand. Helm op, fietsbroek aan en fietsen maar. Ik fiets langs kleine gehuchtjes, over onverharde wegen die klimmen en dalen, langs bloeiende fruitbomen en kleine riviertjes. Soms moet ik even zoeken naar de goede route. Op één van de klimmetjes loopt mijn ketting bij het terugschakelen naar een kleinere versnelling eraf. Gelukkig heeft Jan me wel eens voorgedaan hoe ik de derailleur kan houden om de ketting er weer op te krijgen. Na even klooien lukt het me en spring ik weer op de fiets met zwarte vingers van het vet. Nu maar duimen dat ik geen lekke band krijg, want ik heb net bedacht dat ik de bandeplakspullen in de camper heb laten liggen.

Na ongeveer anderhalf uur bereik ik de stad Nova Gorica aan de Italiaanse grens, via de buitenwijken van de stad rijd ik een beetje op gevoel richting Solkan dat bekend staat om zijn oude spoorbrug over de Soca rivier. Na een korte stop voor een foto ga ik op zoek naar het beginpunt van het fietspad. Via een steile afdaling bereik ik het traject van twintig kilometer richting Plave en Tolmin. Ik ben een beetje slap en zie dat het al twee uur is inmiddels. Hoog tijd voor een lunchpauze langs het groenblauwe water dat beneden in het dal ligt te glinsteren. Er trekt een frisse wind door het dal die mijn bezwete lijf doet rillen. De route vol bochten en klimmetjes met stijgingspercentages van tien procent nodigen me uit om verder te gaan. Het is verleidelijk om door te fietsen, maar ik realiseer me dat alles wat ik verder fiets ik ook weer terug moet fietsen en ik voel de eerste vermoeidheidsverschijnselen al opkomen. Dus maan ik mezelf om om te keren. Er hangen inmiddels donkere wolken in de lucht.
Voor de klim naar de brug schakel ik terug naar de allerkleinste versnelling, maar halverwege moet ik opgeven omdat ik bijna omval. De helling van achttien procent blijkt zo aan het begin van de vakantie nog iets teveel. Dus duw ik mijn fiets lopend omhoog. Even later hang ik hijgend en bijna kokhalzend van de inspanning langs de reling van de brug om bij te komen. Daarna verloopt de terugweg voorspoedig. Ik geniet van het landschap en ga nog even op het landingsterrein bij de paragliders kijken.

Wanneer ik bij het landingsterrein vertrek voel ik een paar grote, warme druppels op me neerdalen. Ik kijk omhoog naar die ene zwarte wolk in de lucht die net boven mij lijkt te hangen. Net als ik me inspan om een pittige heuvel te slechten barst de bui los. In een paar tellen ben ik nat tot op het bot, sopt het water in mijn schoenen, voel ik een koude waterstraal langs mijn nek en rug omlaag lopen mijn fietsbroek in die voelbaar opzwelt. De smalle weg is veranderd in een waterglijbaan, de modderspetters spuiten om mijn oren, terwijl ik me rustig en gedoseerd de helling af laat roetsjen op mijn fiets.
Shit, heb ik straks toen ik vertrok de schoenen met stinkende sokken buiten laten staan om te luchten. Ik kieper de bergwandelschoenen die half zijn volgelopen met water om en zet ze voor in de camper. Ik ontworstel me aan de natte kleding die aan mijn vel kleeft en wring het zo goed mogelijk uit. Al snel beslaan de ruiten van de bus van al die natte troep die ik her en der heb uitgestald.
Ik heb enorm zin in een warme douche, maar die hebben ze niet op de camping. Ik besluit dat ik nu echt geen trek heb in een koude douche, die heb ik tenslotte net gehad. Dus droog ik mijn haren met een handdoek, smeer mijn stramme spieren in met arnica olie en trek het kloffie aan dat ik al de hele week draag.

Ik schrik wakker van een klop op de deur. Blijkbaar was ik even in slaap gesukkeld. De organisator van de BBQ vraagt of ik zin heb om de groente te snijden. Gewillig loop ik mee naar het huisje waar we met een klein groepje de BBQ voorbereiden; het vlees kruiden en in plakken snijden, de groente wassen en snijden, een Griekse salade maken, brood snijden, het bier uit de koeling halen, borden en bestek verzamelen, de BBQ aansteken. Iedereen draagt zijn steentje bij. Gelukkig schijnt het zonnetje weer en doen alleen de modder en plassen vermoeden dat het pas nog heeft geregend. In het avond zonnetje roosteren de mannen Sloveense worstjes, paprika en courgette, de kippendijen braden we in een pan op het vuur anders worden ze niet gaar, de zalm gaat in aluminium bakjes. Het is een warm en gezellig clubje. Als het donker wordt gaan de kaarsjes aan en komen de sterke verhalen. Na afloop doen we met z’n allen de afwas  en verdelen de spullen die over zijn.

Dag 11 – Luie dag

Vandaag ben ik lui en doe alles heel traag. Ik ben volledig tot rust gekomen. In het ochtendzonnetje heerlijk zitten lezen in mijn spannende boek, kopje thee met chocola erbij, beetje bloggen, foto’s kijken, lunchen en wederom lezen. Halverwege de middag kuier ik op mijn dooie gemakje via kleine weggetjes door de wijngaarden (dit gebied van SlovenIë staat bekend om zijn wijngaarden), snuif de geur in van blauwe regen, luister naar de uitbundig zingende vogeltjes en voel mij volmaakt gelukkig. Op het veld even kijken naar de paragliders die als vogels in de lucht zweven. De omstandigheden zijn pittig want er waait een stevige wind en sommige vliegers moeten oren trekken om naar beneden te komen. Gelukkig komt iedereen weer veilig aan de grond.

Op de terugweg besluit ik via de OsmAnd app een wat uitgebreidere wandeling te maken door het bos. Het fijne van de app is dat ik kan zien welke paden doodlopen en welke ik kan gebruiken om een rondje te lopen. De app klopt behoorlijk goed en dat is fijn. Na anderhalf uur wandelen ben ik weer bij de camping. Nog even lezen en dan verzamelen om uit eten te gaan. Frans is een beetje down omdat hij behoorlijk last heeft van zijn oog en zich nu zorgen begint te maken of er toch niet iets mis is met zijn oog.

Dag 12 – Wasdag
Gisteravond nog een afzakkertje gedronken met de crew van de vliegschool. Ik voelde me vereerd dat ik mee mocht praten over de coaching en gewenste benadering van de verschillende cursisten om ze zo goed mogelijk de kneepjes van het paragliden onder de knie te laten krijgen. Het was flink laat geworden, daarom heb ik vanochtend een beetje een houten kop. Vreemd genoeg was ik vroeg wakker en ruim op tijd om met de mannen mee te ontbijten en brood te kopen bij de bakker die dagelijks om half acht met een bus de camping op komt rijden. Meestal dommel ik nog als de vrolijke klanken uit de speaker van de broodbus galmen.

Er waait een stevige noorden wind: de bora. Deze wind kan gevaarlijk zijn omdat ze een rotor kan veroorzaken, die het scherm neerdrukt. De windstoten laten onze afvalzak en lege petflessen over de camping waaien. De cursisten gaan grondoefeningen doen met kleine schermpjes om zo hun techniek te verbeteren.

Ik besluit er vandaag een wasdag van te maken, zodat we lekker met frisse kleding, handdoeken en beddengoed richting Kroatië kunnen. De wasmachine en droger doen hun werk voor de spullen die op zestig graden gewassen kunnen worden. Mijn fietsspullen en fleecejack was ik even op de hand en hang ik in de wind te drogen.

’s Avonds eten we met de groep bij een wijnhoeve een eenvoudige boerenmaaltijd met spek, gnochi en zuurkool met aardappelpuree en varkensvlees. Op tafel staan karaffen met water, witte – en rode wijn. Ik zit bij drie Groningers aan tafel en wij ‘de groepsgenoten uit de periferie’ zoals we ons noemen, vertellen elkaar in grote lijnen hun levensloop.

Na de maaltijd realiseren we ons ineens een beetje melancholisch dat het afscheid van de groep nabij is. Het busje vertrekt morgenvroeg om vijf uur richting Nederland, de anderen allemaal in de loop van de ochtend. Voor het slapengaan nemen we alvast afscheid van iedereen. Deel twee van de reis zit erop. Verder naar de volgende etappe op onze ontdekkingsreis.

De Ontdekkingsreis

April t/m Juli 2022

Week 1 – Acclimatiseren

Dag 1 – Inpakken en wegwezen
Tweede Paasdag is het dan eindelijk zover. Na maanden van voorbereiding gaan we ons huis voor drie maanden verlaten om met ons camperbusje door Europa te trekken. Ons huis zal worden bewoond door een jong stel, dat ernaar uitkijkt een eigen stekje te hebben en te ervaren hoe het is om samen te wonen. Ze mogen overal gebruik van maken en lekker genieten van onze fijne plek met als tegenprestatie dat ze goed voor onze Alwin zorgen.
De camper heb ik van de week al grondig schoongemaakt voor onze reis en de meeste spullen staan  klaar in tassen en kratten om te worden ingepakt. Toch is het nog een heel gepuzzel om alles in de camper te krijgen: we hebben simpelweg teveel spullen die we mee willen nemen. Kleding voor warm, koud en nat weer, keukengerei en een basisvoorraad eten en drinken aangevuld met de lekkernijen die over zijn van de Paasbrunch zoals een hele Paasstol, wat harde broodjes, diverse stinkende kaasjes, toiletspullen voor ongeveer drie maanden (alsof we die niet in het buitenland kunnen kopen, maar ja ik ben nu eenmaal gehecht aan mijn eigen merk), coronastuff zoals mondkapjes en zelftesten, EHBO set, medicijnen en niet te vergeten de oogdruppels voor Frans, olie en lampjes voor de camper, een hele vracht oplaadsnoeren, snelladers en powerbanks, ebooks, tijdschriften, spelletjes, laptops, fiets- en wandelspullen als bergschoenen, fietshelmen, bandenplakspullen, fietstassen en dan ook nog drie paragliders (een soloscherm, een tandem en een scherm om te groundhandlen) inclusief alle bijbehorende apparatuur.

Frans heeft alle spullen die mee moeten verzameld en rondom de camper gelegd. Het lijkt een oneindige berg aan spullen. We moeten keuzes maken. Niet alles kan mee. We stouwen de camper zo goed mogelijk vol en brengen de spullen die achter moeten blijven naar de zolder.
Na de inpaksessie houden we even een koffiepauze, dan gaan we aan de slag om het huis schoon te maken. De kledingkasten zijn ontruimd, zodat de jongelui zich kunnen installeren en er hun eigen plekje van kunnen maken. Alle persoonlijke spullen van ons liggen op zolder. Terwijl Frans het huis nog even zuigt, maak ik het sanitair schoon, daarna prepareer ik van al het eten dat nog in de koelkast ligt en nodig op moet een uitgebreide lunch. We genieten nog even van de zon terwijl we onder de veranda zitten met uitzicht op de tuin.
We leggen voor de nieuwe bewoners een welkomstbrief neer met tips en aanwijzingen voor een aangenaam verblijf en maken een filmpje hoe ze Alwin het best kunnen knuffelen. Daarna is het tijd om te vertrekken; we hebben afgesproken dat de nieuwe bewoners er vanaf twee uur in kunnen. . Het is een vreemd idee dat we ons huis ‘uit’ moeten en er voorlopig niet zomaar naar terug kunnen keren. Niet zonder het van tevoren aan te kondigen in ieder geval. Ik heb moeite om weg te gaan, ineens weet ik niet meer zo zeker of ik het wel leuk vind om drie maanden rond te trekken, weg van huis en haard en het onbekende tegemoet. Maar de appjes van familie en vrienden zetten me weer op het goede spoor: geniet ervan, maak samen mooie herinneringen, veel plezier op jullie ontdekkingsreis, mooie avonturen gewenst.

We knuffelen nog even onze lieve Alwin, stappen om één uur in de camper en zetten koers richting Frankfurt. Zoals we al wel een beetje hadden verwacht is het druk op de Duitse snelwegen op deze tweede paasmiddag. We rijden van baustelle naar baustelle en van file naar file. Rond zes uur zijn we allebei moe. Frans heeft last van zijn oog en ik heb behoefte aan een fijne rustige plek om bij te komen. Een half uurtje later zit ik onder een oude appelboom met een kopje thee. Bijzonder toch hoe we altijd weer een fijn plekje weten te vinden. Heerlijk het avontuur is begonnen!

Dag 2 – Bahai tempel

’s Nachts bedenk ik dat ik best nog een dagje wil blijven in deze omgeving van zacht ontluikend groen met glooiende heuvels en boomgaarden vol oude bloeiende fruitbomen. Even acclimatiseren na alle inpakstress en het harde werken van Frans om alles goed af te ronden bij zijn klanten. Bij een ontbijt in de zon met uitzicht op het dorpje Eppstein stel ik voor een rustdag in te lassen, om vandaag een lekkere wandeling te maken.
We verlaten de terrassencamping, die ‘het Eppstein project’ heet en rijden met de camper naar een parkeerplaats voor een wandeling die we op Komoot hebben gevonden. We treffen er een bijzonder bouwwerk aan waar we even een kijkje gaan nemen. Het blijkt een tempel te zijn van de Bahai. We worden vriendelijk ontvangen en kijken even rond in het ronde gebouw met negen ingangen. De Bahai blijkt een religieuze stroming te zijn die alle godsdiensten wil verbinden en zoekt naar de overeenkomsten tussen religies. Hun uitgangspunt is dat alle mensen één zijn en dat de basis van alle godsdiensten liefde is. De stroming bestaat al sinds begin vorige eeuw en heeft tempels in alle werelddelen: allemaal met een ronde koepel en negen ingangen. Die ingangen symboliseren dat mensen van alle windstreken en alle religies en stromingen welkom zijn, de ronde koepel staat dan weer voor de eenheid en de verbinding. We vinden het allebei een heel mooi gedachtengoed en zijn verbaasd dat we er nog nooit van hebben gehoord.

We lunchen in het gras met achter ons de tempel en voor ons een boomgaard. Het wordt een broodje met gekookt ei en een snufje peper en zout. Daarna wandelen we door beukenbossen en over rollende groene weides. Ik hou van dit jaargetijde met bloesems, pril groen en tere bloemen. In de verte hebben we uitzicht op de wolkenkrabbers van Frankfurt. In het dorpje Lohrbach met oude vakwerk huizen willen we iets drinken, maar alles is gesloten, dus wandelen we via een andere route door het bos terug naar de auto. Bij een speelplaats trekken we een blikje fris uit onze koelkast dat we van een vriend hebben gekregen. Hij bracht twee avonden voor vertrek een ‘reispakket’ met allemaal lekkere en handige dingetjes voor onderweg, zoals dropjes, borrelnootjes, chocola en een kaars voor de sfeer. Op een zonnig plekje legen we de blikjes fris en een zakje borrelnootjes. Pas twee dagen onderweg en alweer verrassende wendingen en leuke ontdekkingen meegemaakt. Dat is wat reizen zo leuk maakt.

Dag drie – Nekklachten

’s Nachts schiet het in mijn nek. Ik krijg er flinke hoofdpijn van waardoor ik niet meer kan slapen. Tegen de ochtend doet alles zeer en weet ik niet meer hoe ik mijn hoofd moet houden. De koude en de krappe ruimte in de camper helpen ook niet mee. Gelukkig hebben ze heerlijke warme douches op de camping waardoor ik weer een beetje bijtrek. Ik probeer zo goed mogelijk mijn oefeningen te doen, maar dat is lastig omdat ik geen goede ondergrond heb om op te liggen.
Om mijn nek te ontlasten rijdt Frans. Vandaag is het heerlijk rustig op de weg en we schieten goed op. Rond een uur of zes zijn we bij de Oostenrijkse grens. Om mijn nek wat ontspanning te gunnen besluiten we een hotelletje of bed & breakfast te zoeken, zodat ik mijn grondoefeningen kan doen en mijn nek wat warmte kan bieden. Overdag schijnt weliswaar de zon, maar er waait een koude noorden wind en eind van de dag koelt het flink af.
Frans vindt een gaaf pensionnetje ergens halverwege de berg met uitzicht op de Dachsteingruppe. Bij Stallerhof worden we uiterst vriendelijk ontvangen en krijgen we van de gastvrouw een kamer met uitzicht op de besneeuwde toppen. Voor het avondeten verwijst ze ons naar de Almhütte, nog wat verder op de berg gelegen en open tot zeven uur. Dus tuffen we met ons busje de steile bergweg omhoog, achter ons vervuilende dieseldampen achterlatend, totdat we bij de Almhütte aankomen waar ons een typisch Oostenrijkse maaltijd wacht: schnitzel mit pommes und eine gemischte salat. Het smaakt ons heerlijk.

Ik ben zo blij met ons pensionnetje. Het is er behaaglijk warm, we hebben een regendouche waar ik wel tien minuten onder sta om de verkrampte spieren op te warmen, een breed en stevig bed met uitzicht op de sterrenhemel en een gezellige coffeecorner waar ik met Frans nog een kopje drink voor het slapengaan.

Dag vier – Bluntausee

Na alweer een warme douche en een uitvoerige sessie om mijn nek-, schouder-, en armspieren los te maken en op te rekken wacht ons een uitgebreid ontbijt roerei, zalm, vers fruit en cake, geserveerd door de vriendelijke gastvrouw die we verrassen met de mededeling dat we nog graag een nachtje willen blijven.

Het oorspronkelijke plan was om via de steile pas in de Jülische alpen vandaag naar Bovec in Slovenië te rijden, maar morgen passeert een regenfront en we vinden het een beetje jammer om vandaag met mooi weer in de auto te zitten om dan morgen in de regen te belanden. Dus passen we onze plannen weer aan en maken er vandaag weer een wandeldag van. Het wordt een wandeling langs de Bluntausee; een oogverblindend blauw meer vol met forellen die je in het heldere water voorbij ziet zwemmen. Het is een relaxte wandeling met uitzicht op de besneeuwde toppen en langs een kronkelende rivier. Aan het einde nog een pittige klim naar de waterval waar we de meegekregen lunch verorberen. Halverwege de middag zijn we terug bij het pension waar ik me op het terras installeer met een boekje, een glas wijn en een bakje chips. Wat wil een mens nog meer? Frans heeft last van zijn oog en doet even een powernap om bij te tanken.
’s Avonds gaan we uit eten in het duurste restaurant van Golling, omdat ik graag een keer asperges wil eten. Helaas zijn ze niet zo smaakvol bereid.

Dag 5 – Lublijana
De wolken hangen laag in het dal. Het regent gestaag. Geen weer om een steile bergpas te nemen vandaag. Dus passen we onze plannen weer aan en besluiten een bezoek te brengen aan Lublijana, de hoofdstad van Slovenië.

Ik doe pogingen om een elektronisch tolvignet, dat we nodig hebben om de Sloveense snelwegen te mogen gebruiken, te kopen. Maar mijn e-mail adres wordt niet herkend. Bellen met de internationale servicedesk brengt geen oplossing, daarom stoppen we bij een benzinestation om daar het vignet aan te schaffen, zoals de telefoniste had geadviseerd. We zijn een beetje in verwarring, omdat dit al het derde benzinestation is waar het vignet dus niet verkrijgbaar is. We hebben het vignet snel nodig, want de grens nadert en daar staan camera’s om te registeren of je tol hebt betaald. Dan ontdekken we een automaat. Dit lijkt alleen voor het Oostenrijkse tolvignet te gelden, maar Frans ontdekt een verborgen knopje onderaan waar je kan kiezen voor het Sloveense vignet. Even het kenteken registreren en dan is het gepiept.
Bij de Karawanken tunnel gaan de hefbomen in ieder geval zonder problemen voor ons open. In Slovenië klettert de regen keihard tegen onze voorruit. We parkeren de bus in een parkeergarage in het centrum en duiken een gezellig tentje in om te schuilen tegen de regen. De vriendelijke jongen van de bediening adviseert me een ‘bovina’, een typisch Sloveens drankje van bosbessensap met water. Echt een aanrader. De pizza is half rauw en half verbrand. Maar we zitten droog en gezellig.
Frans zijn oog valt op een etalage met alleen koffie. Als we de drempel overstappen komen we in de wereld van Sloveense koffie. De espresso smaakt echt top, aldus Frans.
Op een beetje miezer na is het droog als we het oude, kleurrijke centrum van Lublijana verkennen en langs de rivier wandelen met vele, hippe eettentjes. We eten een ijsje en vlak voor sluitingstijd bezoeken we het Sloveense Nationale kunstmuseum. We slenteren langs de Sloveense kunst door de jaren heen en genieten vooral van het prachtige interieur en het imposante gebouw.

Het blijkt een hele kluif om de parkeergarage uit te komen. De garage is inmiddels volgestroomd en Frans moet manoeuvreren op de vierkante centimeter. Hij heeft zich vastgereden in bocht waar hij niet doorheen kan en moet weer achteruit rijden om via een andere baan de garage te verlaten. Achter ons staat inmiddels een rij auto’s, waardoor we geen kant meer op kunnen. Dan komt er een man van de garage die iedereen achteruit maant en ons de goede uitgangsroute wijst.

Rond zeven uur arriveren we bij Camp Lijak in Ozeljan waar de eerste paragliders zich al hebben verzameld. We worden uitgenodigd om in één van de huisjes onze snel in elkaar geknutselde maaltijd op te eten. Buiten regent het zacht.

Verlies of winst

Als je hoopt dat dit blog over financiën gaat dan moet ik je teleurstellen. Deze keer wil ik een ode brengen aan een vriend van Frans, omdat hij mij een nieuw inzicht heeft gegeven. Een inzicht dat ik graag met jullie wil delen, omdat ik denk dat veel mensen er iets aan kunnen hebben.

Toen ik een beetje nerveus zijn kamer in de Sint Maartenskliniek binnenstapte vroeg ik mij af in welke gemoedstoestand we hem zouden aantreffen. Ik had hem geappt met de vraag of hij het leuk zou vinden als we bij hem op bezoek kwamen. Daarop had ik een vrolijk ‘dat is altijd gezellig’ met een duimpje en een smiley erbij als antwoord gekregen. Dus dat leek hoopvol.
Zijn stem klonk als vanouds en zijn lach was nog even aanstekelijk als hij altijd was geweest. Al snel waren we geanimeerd aan het praten en dachten we er niet meer aan dat hij behalve zijn hoofd en zijn armen vrijwel niets in zijn lichaam meer kon bewegen, dat hij al zes weken plat in bed lag wegens doorlig plekken op zijn rug en dat hij sinds hij hier een half jaar geleden was gekomen nauwelijks vooruitgang had geboekt.
Een onverwacht harde windstoot had zijn paraglider doen inklappen, hij had niet voldoende controle en tijd gehad om dit te herstellen en was van grote hoogte uit de lucht gevallen. ‘Direct toen ik op de grond lag en niets meer kon bewegen, wist ik dat het mis was. Op dat moment besloot ik – hoe het ook zou gaan lopen – dat ik er het beste van zou gaan maken.’

Ik moest denken aan mijn eigen situatie, het moment vlak nadat ik de diagnose borstkanker had gekregen en waarop ik ook zo’n soort beslissing had genomen. De beslissing om me open te stellen voor de ervaring, om alles op het gebied van borstkanker mee te maken als een interessante belevenis. In mijn boek ‘Aangenaam leven met kanker’ beschrijf ik ook hoe belangrijk dit moment voor mijn hele proces is geweest. Het inzicht dat ik aan de situatie niets kon veranderen, maar dat ik wel een keuze had hoe ik ermee om wilde gaan. Nu herkende ik bij onze vriend het belang van zijn beslissing – direct in het begin – om er het beste van te maken hoe het leven er ook uit zou gaan zien.

Ik herkende ook de verwondering en het zonder oordeel kijken naar je eigen situatie. Onze vriend vertelde, nog steeds met verwondering in zijn stem, hoe hij, nadat hij was neergestort en niets meer kon bewegen, lag te wachten op redding. Want ja, hij kon zelf geen hulpdiensten bellen. Hij lag ergens in een afgelegen veld waar niet veel mensen langs kwamen, maar gelukkig was hij redelijk snel ontdekt. Dat was wel fijn, want het was een beetje gaan regenen en hij had het koud gehad. Een helikopter had  hem naar een Italiaans ziekenhuis gebracht, waar hij direct was geopereerd aan zijn rug. Helaas hadden ze de schade niet helemaal kunnen herstellen en had hij een hoge dwarslaesie aan het incident overgehouden. Eén van de gevolgen was dat hij zijn middenrif niet kon aansturen waardoor zijn longen langzaam volliepen. De verpleging moest zijn longen dan uitzuigen. Op een keer waren ze hem vergeten. ‘Ik voelde hoe ik steeds minder lucht in mijn longen kon zuigen, ik kon nog maar een heel klein briesje inademen, ik hield mezelf voor dat ik vol moest houden, door blijven ademen, dat was het enige dat ik kon doen, want ik had geen bel waar ik op kon drukken om ze te waarschuwen. Toen ben ik wel even bang geweest dat ik het niet zou halen.’

Ik merkte dat hij het fijn vond om er over te vertellen. Hij vertelde heel levendig en zonder enige boosheid of verbittering. Hij vertelde dat het een heel interessante ervaring was geweest om zijn eigen gedachten en gevoelens te observeren en dat het hem had verrast hoe mentaal sterk hij was. ‘Als je me een tijd geleden had gezegd dat ik zes weken plat op mijn rug zou moeten liggen dan had ik gezegd dat ik dat nooit zou kunnen, maar ik kan het gewoon. Ik lig hier gewoon.’ Op mijn vraag hoe hij dan de tijd doorkwam, antwoordde hij dat je heel lui wordt van niets doen. ‘Beetje sport kijken op de tablet, podcasts en muziek luisteren, af en toe een appje sturen maar dat vergt veel inspanning, want ik heb alleen mijn rechterduim om te kunnen appen.’
Voorzichtig vroeg ik of hij wel eens had gewenst dat hij dood was gegaan tijdens de val. ‘Oh nee, ik ben heel blij dat ik nog leef.’ Zijn hele mimiek en alle delen in zijn lichaam die hij nog kon aansturen straalden uit dat dat niet zomaar een sociaal gewenst antwoord was, maar dat hij dat tot in elke vezel in zijn lichaam zo voelde.    

Hij vertelde wel dat hij hoop en een toekomstperspectief miste in de behandeling. Alles was gericht op acceptatie, maar dat was niet wat hij nodig had. Hij had alles psychologen en maatschappelijk werkers weggestuurd, omdat ze zijn plannen als niet realistisch bestempelden, omdat ze niet meegingen in zijn wensen voor de toekomst. Gelukkig was er wel een fysiotherapeut die hem vertelde dat hij wellicht in de toekomst weer auto zou kunnen rijden. Dat soort dingen had hij nodig. Een doel om voor te gaan. Hij zat namelijk barstensvol plannen voor de toekomst; weer zelfstandig wonen, een aangepast busje om mee rond te toeren en natuurlijk opnieuw paragliden.

Bij het weggaan, verzocht hij ons om vooral foto’s te sturen van onze reis door Europa, want daar kon hij enorm van genieten. ‘Ik merk dat vrienden meestal wat huiverig zijn om foto’s te sturen van paragliding of van skiën, ik denk dat ze bang zijn dat die foto’s me kwetsen of verdrietig maken, maar ze maken me juist blij, want ik weet gewoon hoe fantastisch het is om te skiën en te paragliden en als ik dan zo’n foto zie dan geniet ik een beetje mee.’
Als ik eerlijk ben denk ik dat ik er zelf wel moeite mee zou hebben om foto’s te zien van iets wat ik zelf heel graag zou doen maar niet meer zou kunnen. Ik zou verdrietig worden, omdat ik zou denken aan het verleden toen alles nog goed was en toen ik alles nog kon. Ik zou het heden vergelijken met het verleden en tot de conclusie komen dat het heden een stuk minder leuk was dan het verleden en dat zou pijn doen. Pijn omdat ik het zou ervaren als een verlies.
Van onze vriend leerde ik dat ik er ook anders naar zou kunnen kijken. Mijn prettige ervaringen en herinneringen uit het verleden zou ik kunnen transporteren naar het heden om er nogmaals van te genieten. Het heerlijke gevoel van toen opnieuw oproepen.
Ik begreep dat hij misschien niet meer fysiek kon skiën, paragliden, lopen of zelfs zoiets gewoons als jezelf douchen of verzorgen, maar dat hij dat nog wel mentaal kon beleven. Hij riep gewoon de herinnering tot leven en beleefde het opnieuw. En dan waren alle bijzondere, mooie momenten die hij had meegemaakt in zijn leven geen verlies, niet iets dat hij was kwijt geraakt omdat hij het nu niet meer kon, maar pure winst. Zijn verleden was een aanwinst voor het heden en de toekomst.

Onze vriend straalde dan ook vooral dankbaarheid uit voor alles wat hij had meegemaakt in zijn leven en daar kon hij nu nog volop van genieten.

De twee mezen

Op de dag dat Rusland de Oekraïne binnenviel, wandelde ik met Huub in het bos. We waren druk in gesprek toen Huub me attendeerde op twee meesjes die vlak voor ons op de grond zaten. De mezen zaten in een vreemde pose op elkaar, terwijl ze heftige bewegingen maakten. Ze leken zich niet bewust van onze aanwezigheid, hoewel we toch vlakbij stonden. Huub vroeg zich hardop af of we toeschouwer waren van een paring. Ik grapte nog dat ik het geen prettig vooruitzicht zou vinden als mijn mannetje zo tekeer zou gaan. Maar hoe langer we stonden te kijken, hoe macaberder het schouwspel werd. Het kleinste meesje lag onderop en verweerde zich dapper, maar de agressor pikte op hem in. ‘Hij is ‘m aan het vermoorden’, hoorde ik Huub met enig ongeloof in zijn stem zeggen. Ik had de neiging de twee vechters uit elkaar te halen, wilde het lijdende meesje redden uit de klauwen van de dominante mees. Maar ik deed niets en bleef als aan de grond genageld staan kijken hoe langzaam de krachten uit het lijfje wegvloeiden. ‘Doe maar niet’, had Huub me aangeraden, toen ik hem had toevertrouwt dat ik het liefst de twee vechtersbazen wilde scheiden, ‘waarschijnlijk maak je zijn lijden alleen maar langer.’ Gedesillusioneerd liep ik verder. Met hetzelfde machteloze gevoel dat ik als kind had toen ik de hele wereld wilde redden van oorlog, agressie en geweld.

De volgende dag was ik met mijn zus bij mijn ouders. Terwijl we aan tafel zaten, vertelde ik met enige naïeve verwondering in mijn stem, over het moordtafereel dat ik de dag tevoren had gezien. ‘Ik dacht altijd dat moord binnen soortgenoten niet voorkwam in de natuur, zei ik, ‘behalve dan bij mensen.’
‘Oh nee’, zei mijn zus smalend. ‘Dat komt overal voor. Het gevecht om het territorium. Herten vechten bijvoorbeeld vaak een gevecht op leven en dood uit. De zwakste wordt dan zwaargewond achtergelaten en ligt dan nog een tijdje te creperen voor hij sterft.’
‘Of neem kippen’, vulde mijn moeder fijntjes aan. ‘De zwakste wordt tot bloedens toe gepikt, net zolang tot hij doodgaat. Daar komt “ik heb de pik op jou vandaan”.’
Mijn zorgvuldig gekoesterde beeld van een rechtvaardige en liefdevolle natuur was wreed verstoord. Verdrietig keek ik naar buiten. In de boom hing in een vetbol waar twee mezen om de beurt in pikten. Maar ik beleefde er geen plezier meer aan om naar ze te kijken. De mezen hadden voor mij hun onschuld verloren.

’s Avonds op het nieuws zag ik hoe de oorlog in de Oekraïne zich ontwikkelde. Hoe Poetin dreigde met de inzet van kernwapens. Hoe mensen over de hele wereld demonstreerden voor vrede. Ik deed mee met een inspirerende meditatie samen met 15.720 andere mensen uit achttien verschillende landen. Gezamenlijk focusten we ons op licht en vrede, dat we in gedachten naar de Oekraïne en Rusland stuurden. Maar ik merkte dat ik me er niet volledig mee kon verbinden. Diep vanbinnen wilde ik strijden. Poetin een kopje kleiner maken. Opstaan tegen de agressor en hem een halt toe roepen. Strijden voor onze vrijheid en democratie. De inval van Rusland in de Oekraïne wekte een ongekende vechtlust in me op.

’s Nachts schrik ik wakker met het beeld van een explosie op mijn netvlies. Ik ruik een verbrande lucht, vlieg het bed uit en sluit de ramen. Het duurt even voor ik besef dat het waarschijnlijk slechts een droom is. Een droom waarvan ik bang ben dat die uitkomt. Dat Poetin op de knop heeft gedrukt en heel Europa in één beweging van de kaart heeft geveegd, ons werelddeel verwoest en voor altijd onbewoonbaar achterlatend.  
Half slapend bedenk ik dat ik morgen een noodpakket ga samenstellen met tape om de kieren van ramen en deuren dicht te plakken, met een radio, een zaklamp en natuurlijk flessen vol water en blikken vol voedsel. Hoelang zou je eigenlijk in een schuilkelder moeten blijven na een kernramp? Wil ik dan eigenlijk nog wel leven of ga ik dan toch liever gewoon direct dood bij de explosie?
Ik fantaseer dat ik Poetin met een pistool doodschiet en dat de NAVO een raket op het Kremlin laat vallen die Poetin en zijn generaals die daar zitten te vergaderen allemaal in één klap doodt. Daarna bid ik dat Poetin een fatale hartaanval mag krijgen of nog beter een hersenbloeding waarna hij niet meer kan praten en bewegen, zodat hij volkomen machteloos is en geen orders meer kan geven.

Verbaasd vraag ik mij af waar mijn pacifistische inslag is gebleven. Zou ik echt in staat zijn hem te vermoorden als ik daartoe de kans had? Als ik oog in oog met hem zou staan? Het antwoord is ‘ja’, dat denk ik wel, omdat ik op dit moment het gevoel heb dat dat het beste is voor de wereld. Verrast en gedesillusioneerd ben ik door mijn eigen antwoord. Ik ben geen haar beter dan die twee elkaar uitmoordende mezen die ik tijdens de wandeling zag. Als mijn territorium wordt bedreigd dan bevecht ik het op leven en dood.


Help mijn man is (g)een klusser

Frans en ik houden allebei niet van klussen. Sterker nog; we zijn allebei bedreven in het stelselmatig negeren van mankementen in huis. We kunnen dit heel lang volhouden. Zo heeft ons toilet in de badkamer al minstens drie jaar een probleem met doorspoelen. Eerst hebben we de kunststof klep verwijderd en trokken we het toilet lange tijd door door aan een pinnetje te trekken. Het stond niet echt fraai zo’n half gedemonteerd toilet en het vroeg wat uitleg als er iemand bleef slapen maar het stoorde ons niet. Dat veranderde toen het toilet bleef druppelen na het doorspoelen. Ik was me er pijnlijk van bewust dat we kostbaar drinkwater aan het verspillen waren. Ik belde een aantal installateurs met de vraag of ze ons mankement konden verhelpen. Maar geen van allen had zin in de klus. Het argument dat er veel water werd verspild bracht daar geen verandering in. Ik probeerde nog een klusser te motiveren, maar ook dat liep op niets uit.
De volgende fase was zoeken op internet naar oplossingen. Druppelende toiletten werden meestal veroorzaakt door kalkaanslag en dat kon eenvoudig worden verholpen door azijn. Dus kieperde ik een fles azijn in het reservoir en liet het een nachtje intrekken. Toen dat niet het gewenste resultaat opleverde, haalde Frans de onderdelen uit elkaar en reinigden we alles grondig met azijn. Toen dat niet hielp, vervingen we wat rubberen ringen. De deceptie was groot toen ook dat niet bleek te werken.
Dan het maar wat grootser aanpakken en alle vitale onderdelen vervangen. Hulpeloos zoekend liepen we rond in de bouwmarkt waar de chaotische wereld van sanitaironderdelen zich aan ons openbaarde. Gelukkig kregen we hulp van een aardige medewerker. Die hielp ons snel uit de brand: de onderdelen die we zochten waren meer dan vijfentwintig jaar oud en werden niet meer verkocht. Er zat niets anders op dan het hele toilet met reservoir te vervangen. Het goede nieuws was dat ze iemand konden regelen die de klus voor ons zou klaren.
De offerte was vaag en duur. En ook na een gesprek dat meer duidelijkheid had moeten geven bleven we met een unheimisch gevoel van oplichting zitten. Frans is meestal goed van vertrouwen en geeft iemand snel het voordeel van de twijfel, maar de enkele keer dat hij dat niet doet kan hij erg standvastig en koppig zijn. Terwijl ik op de lijn zat van ‘we betalen waarschijnlijk teveel, maar dan zijn we wel van het geklooi af’, wilde Frans de klus nu per sé zelf gaan klaren. Op mijn vraag waar hij de tijd vandaan wilde halen met vijf dagen werk en twee dagen vliegschool in de week, haalde hij zijn schouders op. In gedachten zag ik mezelf al jaren met een half gesloopte badkamer zitten, waarna ik me wanhopig zou opgeven voor het programma ‘Help mijn man is een klusser’.

Uiteindelijk zag ik er de lol wel van in en omarmde ons badkamerklusproject. Het was een mooie nieuwe uitdaging voor onze relatie. Samen klussen. We spraken af er geen tijdsdruk op te leggen en zoveel mogelijk te genieten van elke stap voorwaarts in het proces.
De eerste fase in het proces was voor mij. Ik ging om tafel met een medewerker van de bouwmarkt om alle benodigde onderdelen te verzamelen. Noodgedwongen verdiepte ik mij in de wereld van toiletpotten, reservoirs, doorspoelpanelen, afwerkboard, tegellijm en sanitairkit. Met een bus vol spullen keerde ik huiswaarts.
Op de eerste vliegvrije dag van het seizoen begon fase twee: de sloop. We dekten het bad en de vloer af met karton. Daarna begon Frans met een beitel te hakken op de tegels en het muurtje waar het toilet aan bevestigd was. Al snel was onze mooie badkamer verandert in een berg puin. Ik wist ook weer waarom ik zo’n hekel heb aan klussen. Het is stoffig, lawaaiig en je moet je lichaam in de meest oncomfortabele houdingen wringen. Frans hakte en hakte. Ik zorgde voor de catering en voor bemoedigende woorden.
Ineens hoor ik mijn naam roepen. Voorzichtig kom ik de badkamer binnen. Tussen de stukken puin en stof dat overal verspreid ligt, zie ik bloed. Frans heeft zich gesneden aan de scherpe rand van een stuk tegel. Ik ervaar een weeïg gevoel in mijn maag. Denk aan de EHBO cursus, houd ik mezelf voor. Hoe ging dat ook weer een drukverband aanleggen?
Het hakken duurt tot tien uur ’s avonds. Dan laadt Frans al het puin in bakken en sjouwt het naar beneden. Hij is – net als de badkamer – gesloopt. Eindelijk kan ik in actie komen om alles schoon te maken. Als een echte ma Flodder werp ik de stukken karton van de eerste verdieping naar buiten de tuin in. De stofzuiger begeeft het al snel door al het stof en ik ga verder met een stoffer en blik. Daarna geef ik alles een dweil- en sopbeurt. Tevreden geven we elkaar een boks. Fase twee is afgerond. De volgende dag hebben we spierpijn op de meest uiteenlopende plaatsen in ons lichaam en kijken we de hele dag films op Netflix. Maandagochtend brengen we het puin naar de stort.

Het weekend daarop plaatst Frans het nieuwe reservoir. Hij heeft er zowaar lol in en ik begin hem een beetje te zien als een klusser, een handy-man. Hij monteert het reservoir muurvast in de vloer en ook nog waterpas en zodanig dat het toilet op de goede hoogte komt te hangen. Dat stemt hoopvol voor de rest van het traject.
De week daarop gaat Frans met zijn vader aan de slag om de waterleidingen aan te leggen. Hij komt terug van de winkel met koperen buizen, knelkoppelingen, hoekstukken, schroefdoppen, verloopstukken en teflon tape. Aan het eind van de dag hangt er een ingenieus bouwwerk van leidingen met verbindingen en hoeken en heeft hij een gezellige dag met zijn vader doorgebracht. Helaas druppelen sommige verbindingen een beetje. En hoe strak Frans ze ook aandraait, er blijven druppels verschijnen. Na twee dagen testen en bijstellen blijven de kleine lekkages bestaan en neemt Frans het rigoureuze besluit alles opnieuw te doen maar nu met een vijftienmillimeter buis en met minder hoeken. Voldaan komt hij thuis van de bouwmarkt. In plaats van de badkamer in te duiken, gaat hij op de bank liggen om naar de laatste formule één race van het seizoen te kijken. Samen zien we hoe Max Verstappen wereldkampioen wordt door Lewis Hamilton in de laatste ronde in te halen. Wanneer de euforie gezakt is wil Frans verder gaan met het badkamerproject en de leidingen vervangen. Hij vraagt aan mij of ik ergens een koperen buis heb gezien. ‘In de auto laten liggen?’, opper ik voorzichtig. Nergens een koperen buis te vinden. ‘Shit, die heb ik bij de kassa laten staan.’ Inmiddels is het tien over vijf en zit de bouwmarkt dicht. Dat wordt dus geen badkamerproject meer vandaag.
De volgende dag sjoemelt Frans wat met zijn werktijden. Hij zorgt dat hij om acht uur bij de bouwmarkt staat om de koperen buis op te halen en besteedt een deel van de ochtend aan het vervangen van de leidingen. Het monteren gaat nu een stuk sneller omdat hij inmiddels weet waar hij op moet letten. En zo hebben we een paar dagen later een fraai en lekvrij leidingenstelsel.

Hierna stokt de voortgang, omdat we tussen Kerst en Oud en Nieuw de voorkeur geven aan familie en vrienden boven klussen. Maar in het nieuwe jaar pakken we de draad weer op. Inmiddels ben ik er aan gewend dat we alleen beneden een bruikbaar toilet hebben en loop ik ’s nachts niet meer als een blinde mol naar de badkamer om te plassen. Frans heeft zich erin geschikt dat zijn kantoor is veranderd in een opslagplaats voor bouwonderdelen en gereedschap en dat je op de overloop goed moet uitkijken waar je je voeten neerzet om niet over de troep te struikelen. De badkamer is vies en stoffig en dat verspreid zich snel door de rest van het huis. Het bureau van Micon-IT staat vol met toiletspullen en de vuile was ligt torenhoog opgestapeld. Wanneer ik op een dag de voordeur open en er onverwacht een zakenrelatie van Frans met een fles wijn op de stoep staat, stuur ik hem zonder er goed bij na te denken naar het kantoor waar Frans aan het werk is. Verontschuldigend roep ik hem na, dat het een beetje een troep is omdat we in een kleine verbouwing zitten. Het schaamrood staat me op de kaken als ik denk aan de zooi die hij gaat aan treffen. Wat voor indruk zal hij nu hebben van Micon-IT?

We beginnen het nieuwe jaar met klussen. Stipt op 1 januari gaan we weer aan de slag. Frans bouwt een houten frame om het reservoir heen. Het frame moet stevig en waterpas zijn. Hij is er de hele zaterdag mee bezig. Omdat hij geen zin heeft om telkens naar beneden te lopen, wordt het hout in de badkamer gezaagd. Al snel ligt overal een dun laagje fijn zaagsel. Ik kan niet veel anders doen dan stand by staan voor het geval Frans even wil sparren over de juiste aanpak. Ik hang wat rond in kantoor; chagrijnig van het lawaai en het feit dat ik niet echt iets kan gaan doen, omdat ik telkens word ingeroepen om iets vast te houden of om even mee te denken. De volgende dag maakt Frans het board op maat dat tegen het houten frame aankomt en waarop de tegels zullen worden geplakt. Eigenlijk hadden we op dit punt moeten stoppen. Dan was het leuk gebleven. Maar Frans wil kost wat kost het toilet ophangen en in gebruik kunnen nemen. Het is een zware klus de toiletpot te tillen en op de juiste hoogte te bevestigen aan het reservoir en aan te sluiten op de riolering. De gebruiksaanwijzing die erbij zit is cryptisch en we snappen er geen hout van. Ik kijk op you tube naar doe-het-zelf filmpjes over het ophangen van een toilet in de hoop wijzer te worden. Uiteindelijk hebben we door hoe het moet, maar wat we ook proberen het toilet hangt niet stabiel. Het veert als je erop gaat zitten. Het is net of het elk moment kan afbreken.

We besluiten het toch maar hierbij te laten. Het toilet kan nog niet in gebruik worden genomen. De werkzaamheden zullen een paar weken stil liggen omdat Frans een paar dagen later aan zijn oog zal worden geopereerd en daarna minstens drie weken niet mag tillen, bukken of sjouwen. Bovendien mag hij natuurlijk niets in zijn oog krijgen.
We ruimen samen het gereedschap op en daarna zuig en sop ik iedere centimeter van de badkamer zodat deze helemaal stofvrij is ter voorbereiding op de oogoperatie van Frans. Als ik ook de rest van het huis heb gezogen plof ik naast Frans in bed. Hij heeft zijn schouder verrekt bij het aandraaien van de wc-pot, ik mijn rug met stofzuigen. We zijn allebei moe en chagrijnig. Wat is er in godsnaam leuk aan klussen?
De volgende dag komen we erachter dat we eerst de tegels moeten plaatsen en dan pas het toilet. De tegels zullen zorgen voor stevigheid, zodat de toiletpot stevig komt te hangen. Nou dat hopen we dan maar.

Voorlopig ligt het traject stil. Frans is inmiddels succesvol geopereerd aan zijn oog. Het herstel verloopt voorspoedig, maar zal nog wel even duren. Bovendien begint het vliegseizoen binnenkort alweer. Ik hoop echt dat we ons badkamerproject kunnen afronden voor we in april drie maanden op vakantie gaan, maar heb er toch een beetje een zwaar hoofd in. Ik denk steeds vaker: help mijn man is geen klusser en ik ook niet!  

Wordt vervolgd (of niet)

Lifegoesonblog

Lieve lezers, vanaf nu is mijn blog te vinden onder de naam: www.lifegoesonblog.nl.
Als je een abonnement hebt zou je nieuwe blogberichten via je e-mail binnen moeten krijgen.
Dit bericht is een test om te kijken of dat ook daadwerkelijk gebeurt. Zou je mij daarom een reactie willen sturen als je dit bericht hebt binnen gekregen? Alvast super bedankt!

Oude auto’s en verhalen

Bij de garage mopperde ik dat ons camperbusje zo slecht start als het koud en vochtig weer is. De garagehouder haalde zijn schouders op. “Och wat is slecht starten”, antwoordde hij relativerend. “Vroeger had je pas auto’s die slecht startten.”
Direct kwamen herinneringen bij me boven aan onze eerste auto, die we liefkozend ‘de Derby’ noemden. Frans had de zilvergrijze auto – die natuurlijk van een oud vrouwtje was geweest – gekocht voor zevenhonderdvijftig gulden. Hij had wat roestplekken aan de onderkant, lekte een beetje olie en startte wat lastiger in de kou, maar verder reed hij uitstekend had de verkoper verteld.
We waren trots op onze Derby met z’n heupgordels en grote gastank die bijna de hele kofferbak in beslag nam. Op een keer waren we bij het tanken vergeten de gasslang los te koppelen van de auto en reden we met slang en al weg. Oeps. Gelukkig liep het met een sisser af.

Het was telkens weer billenknijpen of de bijklussende monteur die onze auto onderhield de roestplekken voldoende had gecamoufleerd om door de jaarlijkse APK te komen. Voor de olielekkage hadden we een simpele oplossing: we kochten twee vijfliter flessen olie en een trechter en als we een rit van meer dan honderd kilometer voor de boeg hadden vulden we eerst een litertje olie bij. Op een dag begon de auto heftig te roken onder de motorkap. Ik manoeuvreerde de auto snel een parkeerhaven in en zag al snel wat het euvel was. Ik was vergeten de dop op de olietank te schroeven. Even wachten tot alles afgekoeld was, olie bij vullen, dop erop en ik kon weer door. Ik leerde in die tijd veel van auto’s.

Het starten van de Derby vond ik echter een uitdaging. Je moest voldoende gas geven om de motor te kunnen starten, maar vooral niet teveel want dan ‘verzoop’ je hem. Dat betekende dat je een hele tijd moest wachten om het opnieuw te kunnen proberen. Het leverde extra druk op dat je maar een paar startpogingen kon doen, omdat anders je accu leeg was en dan waren de kansen om op tijd op je afspraak te komen aanzienlijk geslonken.
Het geluid bij het starten was belangrijk. Een ratelend geluid kon duiden op een haperende startmotor. Hiervoor hadden we een klein hamertje in de auto liggen. Even de startmotor op gang helpen met een tikje van de hamer kon nog wel eens uitkomst bieden. Maar heel vaak ook niet. En dan bleef er maar één ding over: hulp inschakelen van een sterke man.
Ik herinner me de koude maandagochtenden wanneer Frans bij mij in Nijmegen was blijven slapen en hij ’s ochtends voor dag en dauw naar Eindhoven ging voor zijn studie bedrijfskunde. Om zes uur ’s ochtends moest ik dan één of twee sterke mannen ronselen die de Derby wilden aanduwen om hem op gang te krijgen. Meestal hielp dit. Als dat niet het geval was, hadden we nog twee troeven achter de hand. Een sleeptouw en oplaadkabels.
Bij de oplaadkabels moest ik iemand bereid vinden die zijn auto beschikbaar wilde stellen om onze accu op te laden. Met de stroomkabels werd de energie van de accu van de behulpzame medeburger gebruikt om onze lege accu nieuw leven in te blazen. Soms slootten we de kabels verkeerd aan en dan waren beide accu’s leeg.
Aanslepen was een ander probaat middel. Ik vond het doodeng. De Derby werd met een sleepkabel aan een andere auto bevestigd, die vervolgens begon te rijden met de Derby achter zich aan. Ik zat dan in de Derby met de versnelling in de twee en de koppeling ingetrapt. Als we voldoende vaart hadden moest ik de koppeling ineens op laten komen en dan zou de motor aanslaan. Het spannendste moment was wanneer ik moest stoppen om de kabel af te koppelen. Ik moest zien te remmen zonder de auto af te laten slaan. Hiervoor gebruikte ik de handrem, terwijl ik tegelijkertijd gas gaf om de motor aan de gang te houden.
Soms als ik alleen onderweg was, dan durfde ik de auto niet uit te zetten uit angst dat ik hem niet meer aan de praat zou krijgen. Dan liet ik de motor draaien terwijl ik op mijn afspraak was en sloot ik de auto af met de reservesleutel. Aan de invloed die dat op het milieu had dacht ik toen nog niet.

“Dat waren nog eens tijden”, glimlachte ik naar de garagehouder. En het schoot door mijn hoofd dat juist dat geklooi met die olielekkage en dat gepruts met die startmotor voor vrolijke herinneringen en mooie verhalen hebben gezorgd. We rijden nu in een fijne auto die ons overal soepel en zonder problemen naar toe brengt. Dat is heerlijk en ik ben er dankbaar voor, maar het levert weinig gespreksstof op.

En zo is het ook in het leven. Afzien, tegenslag en frustratie zijn niet leuk als je er middenin zit, maar achteraf kun je er smeuïg over vertellen. Het levert herinneringen op en geeft levenservaringen waar we met trots en humor over kunnen verhalen. Dat waren nog eens tijden. Dat hebben we echt meegemaakt. Dat hebben we mogen ervaren. En dat is toch de jeu van het leven.

Gelukkig kreeg ik kanker

Gelukkig kreeg ik kanker is de titel van mijn nieuwe boek. Niet dat ik direct gelukkig was toen ik de diagnose borstkanker kreeg. Integendeel. Ik voelde me bang en onzeker voor wat me te wachten stond. Maar achteraf kan ik zeggen dat kanker me veel heeft gebracht. Het heeft mijn leven verrijkt op een manier die ik vooraf niet had kunnen voorzien.
Met het boek wil ik mensen die nog aan het begin van het traject staan hoop en perspectief bieden. Wanneer je net de diagnose kanker hebt gekregen zit je niet te wachten op verhalen van hoe erg het allemaal is. Uit eigen ervaring weet ik hoe fijn het is om je op te trekken aan positieve verhalen, aan inspirerende voorbeelden, aan lotgenoten die het traject achter de rug hebben en die er goed doorheen zijn gekomen.

In Gelukkig kreeg ik kanker deel ik wat mij heeft geholpen tijdens de diagnose, de behandeling en de opbouwfase. Ik geef aan wat je zelf kunt doen om je leven met kanker zo aangenaam mogelijk te maken. Ik heb mijn tips verdeeld over de volgende vijf gebieden:

Zingeving: Kan ik kanker of andere tegenslag in mijn leven ombuigen tot iets waardevols?

Sociaal: Hoe kan en wil ik mijn familie en vrienden betrekken bij mijn proces?

Mentaal: Wat kan ik doen om positief te blijven en hoop te houden?

Emotioneel: Hoe zorg ik emotioneel goed voor mezelf? Hoe verwerk ik wat mij is overkomen?

Fysiek: Hoe kan ik mijn lichaam vertroetelen? Hoe kan ik fysieke ongemakken verzachten?

Ik heb niet de wijsheid in pacht. Ik bied alleen mijn eigen ervaring aan, waarvan ik hoop dat het anderen inspireert hun eigen weg te vinden. Misschien biedt mijn verhaal herkenning, zet het aan tot denken of geeft het nieuwe inzichten, wellicht helpt het kankerpatiënten keuzes te maken en de regie terug te pakken over hun leven.
Frans spoort mij aan te benadrukken dat het boek niet alleen tot steun kan zijn voor mensen die zelf kanker hebben, maar dat ook hun partner, ouder, kind of vriend er moed uit kan putten.

De geboorte van een boek is spannend. Het idee is maandenlang veilig gegroeid in mijn hoofd,  heeft zich verder ontwikkeld en gevormd toen ik er woorden aan ging geven, maar nu ligt het open en bloot op tafel. Klaar om verspreid te worden in de buitenwereld. Ik merk dat ik dat eng vind. Hoe zal het worden ontvangen? Welke reacties krijgt het? Zal het zijn doel bereiken? Het voelt kwetsbaar om mijn boek te presenteren aan de buitenwereld. Maar ik ben ook trots op mijn boek en wil heel graag dat het gelezen wordt, want ik heb het geschreven om mensen te inspireren en tot steun te zijn.

En dan nu een oproep aan mijn lezers: zouden jullie me willen helpen mijn boek “Gelukkig kreeg ik kanker” bekendheid te geven, zodat zoveel mogelijk mensen die zelf of in hun naaste omgeving te maken hebben met kanker er kennis van kunnen nemen? Als mijn verhaal maar een klein beetje kan bijdragen aan hun geluk, dan is mijn missie geslaagd.

Misschien heb je tips hoe ik mijn boek onder de aandacht kan brengen van de doelgroep?
Misschien wil je informatie delen op Social Media?
Misschien ken je mensen voor wie het boek interessant zou kunnen zijn?
Misschien wil je een recensie schrijven bij Bol.com?
Misschien wil je flyers met informatie over het boek verspreiden?
Misschien wil je over mijn boek vertellen aan familie, vrienden en collega’s?
Misschien kun je me in contact brengen met mensen die bij radio, tv, krant of tijdschrift werken?
Misschien kun je me in contact brengen met artsen, verpleegkundigen die werken met kankerpatiënten?
Misschien heb je ideeën waar ik zelf nog niet aan heb gedacht? Dan hoor ik die natuurlijk graag.

Maar misschien wil je het boek eerst zelf lezen? Dat kan natuurlijk!
Het is te koop via www.bravenewbooks.nl/dorothe-huijsmans en bij alle (online) boekhandels in Nederland en Vlaanderen. Prijs  17,95

 

Op pad met Esther

Toen ik van de zomer een aantal dagen met Huub  naar de wadden eilanden ging, had ik Esther beloofd om ook met haar een leuk uitstapje te maken. Het zou de eerste keer zijn sinds haar herseninfarct dat ze zonder Huub op reis zou gaan. Daarom besloten we een niet al te uitdagende trip te maken en kozen we voor ons uitstapje bestemming Oranjewoud in Friesland.
Esther attendeerde me op een hotel met een invalide kamer, zodat ze zelfstandig zou kunnen douchen, naar het toilet kon en in en uit bed kon komen. Met een ernstige beperking is niets meer vanzelfsprekend, toch is er met een beetje creativiteit nog veel mogelijk.

Toen ik in Deventer aankwam kreeg ik van Huub een demonstratie elektrische rolstoel demonteren en weer in elkaar zetten. Voor de zekerheid had hij het proces ook gefilmd zodat ik het ter plekke  rustig kon bestuderen, mocht het niet direct lukken. De elektrische rolstoel was namelijk een essentieel onderdeel van de reis met Esther. Zonder rolstoel kwamen we nergens.
Het viel me tegen hoe zwaar de wielen waren. Die kon ik met mijn lymfeoedeem arm beter niet tillen. Ook het frame van de rolstoel was te zwaar en onhandig voor mij om in de kattenbak van onze auto te leggen. Ik zou de hulp van het hotel moeten vragen om de rolstoel uit en weer in de auto te krijgen. Esther is gelukkig heel assertief en had dit via een mailtje al snel geregeld.

Huub legde de gedemonteerde rolstoel voor mij in de auto. De woonkamer stond vol met extra hulpmiddelen die mee moesten, zoals de vierpoot om een paar passen te kunnen lopen, het douchematje, de bedbeugel, de oplader voor de rolstoel, diverse kussens en een rolstoeltas.
Esther had er zin in, maar was ook gespannen. Zou het allemaal goed gaan? Ik vond het vooral fijn om dit samen, als twee vriendinnen, te kunnen ondernemen en ik was benieuwd wat we onderweg samen zouden beleven.

We beginnen de dag met een smakelijk ontbijt en een goed gesprek over waardevol leven. Het valt niet mee als je van de één op de andere dag te maken krijgt met ernstige beperkingen en afscheid moet nemen van veel dingen die je zo graag deed en die je waarschijnlijk nooit meer zal kunnen doen. Het kost tijd dat te accepteren. Het vergt moed en doorzettingsvermogen je leven opnieuw vorm te geven. Onzekerheid en schaamte spelen een rol. Hoe zien anderen jou nu je gehandicapt bent? Ben je nog waardevol en van betekenis voor anderen? We kwamen tot de conclusie dat je niet waardevol bent om wat je doet of kunt, maar om wie je als persoon bent.

Rustig keuvelend tuffen we richting Heerenveen. We hebben moeite de ingang van het hotel te vinden. Ik parkeer de auto op de invalidenparkeerplaats en Esther plaatst de invalidekaart voor het raam. Het is voor mij maar een klein stukje van de parkeerplaats naar de ingang van het hotel, maar voor Esther is het een ware work-out. Ze hijst zich uit de auto omhoog en grijpt de vierpoot die ik voor haar heb klaar gezet. Stapje voor stapje slingert ze haar been en de vierpoot vooruit richting ingang. Het is voor haar een flinke inspanning en we grappen dat ze de fysio voor vandaag al achter de rug heeft. We hebben even een spannend moment als de schuifdeuren sluiten als Esther net de drempel over gaat, ze komt bijna klem te zitten tussen de deuren, maar gelukkig gaan deze ook snel weer open.

Bij de incheckbalie horen we dat onze kamer nog niet klaar is, maar dat ze dat zo snel mogelijk proberen te fixen en dat er rond twaalf een jongen met flinke spierballen zal verschijnen die ons kan helpen om de rolstoel uit de auto te halen.
Na een bezoek aan het invalidentoilet heeft Esther voldoende energie verzameld om met de vierpoot naar het restaurant te lopen. We nemen het eerste de beste tafeltje dat we tegen komen en bestellen cappuccino met gebak. Daarna wandel ik naar de balie en vraag aan de jongen die daar zit of hij sterke spierballen heeft. Hij kijkt me bevreemd aan. Ik vraag of hij me wil helpen om een rolstoel uit de auto te tillen. Behulpzaam wandelt hij met me mee. Ik probeer me zo goed mogelijk te herinneren hoe de rolstoel in elkaar gezet moet worden. De jongeman is rustig en heeft een goed technisch inzicht. Met zijn hulp lukt het vrij gemakkelijk om alle onderdelen in elkaar te passen.
Als ultieme test neem ik plaats in de rolstoel en zet hem aan. Het schermpje springt op groen, ik beweeg de knop naar voren en daar ga ik. Onwennig zigzaggend steek ik de parkeerplaats over, met een rotvaart rol ik het hotel binnen en beweeg me gierend van de lach langs obstakels in het restaurant. Gasten kijken me verbaasd aan. Ik vind het fantastisch om met de rolstoel rond te rijden, maar dat komt natuurlijk alleen omdat ik eruit kan stappen als ik er genoeg van heb. Esther ziet me aankomen rollen en ligt ook slap van het lachen. Ik sta op en zij neemt plaats in de stoel.

Hoewel de kamer klaar is en ik verwacht had dat Esther zou willen rusten, kiezen we voor een wandeling. De rolstoel kan zes kilometer per uur en ik moet flink aanpikken om dat tempo bij te benen. Landgoed Oranjewoud bestaat uit een fraai aangelegd park met oude bomen, bruggetjes, vijvers en statige lanen.
In een weiland zie ik een groepje grijsbruine dieren staan en liggen. Ik herken ze als herten. Maar mijn hersenen zeggen tegen me dat ik me vast vergis en dat het wel koeien moeten zijn. Een kudde koeien in een weiland dat is logischer dan een grote verzameling reeën. Maar als we dichterbij komen, zien we aan de smalle kopjes die ons nieuwsgierig bekijken dat het toch echt om herten gaat. Een groep van zo’n dertig herten; sommige liggen te herkauwen, anderen staan te grazen in de wei, een aantal staat verscholen tussen de bomen en slaat ons nieuwsgierig gade.

We hebben een vrij recht pad uitgekozen. Er waait een stevige herfstwind en wanneer het ook nog begint te miezeren lijkt het me tijd om snel terug te keren naar het hotel. Het idee was om een blokje om te lopen, maar dat bleek alleen mogelijk met een grote boog om de snelweg heen. Dus werd het dezelfde rechte weg terug. Ik kon mezelf wel warm lopen, maar Esther zat te verkleumen in de rolstoel. Regenponcho en fleecedeken waren we vergeten mee te nemen. Shit. Ik hoopte dat we niet zeiknat zouden regenen. Voor mijzelf vond ik dat niet zo erg, maar ik wilde niet dat Esther onderkoeld zou raken. Het bleef gelukkig bij wat motregen.
Rond half drie waren we terug bij het hotel. Slapen of lunchen vroeg ik aan Esther? Het werd lunchen. Bij een grote mok thee en een tosti warmden we weer wat op en postte Esther ons vreemde wandelrondje op Strava: twee rechte lijnen in een hoek van negentig graden. Toch mooi een ruime vijf kilometer afgelegd.
Het was inmiddels vier uur en hoog tijd voor een middagdutje. Maar hiervoor moest eerst het bed voor Esther worden geprepareerd. Ik worstelde met het in elkaar zetten van de bedbeugel waar Esther zich aan op moest trekken om uit bed te kunnen komen. Ik besloot niet teveel tijd te verspillen en de hulp van de bedachtzame jongeman met de spierballen in te roepen. Dit bleek een goede zet. Rustig en bekwaam bekeek hij het karwei en even later lag Esther lekker in bed te pitten. Ik had van tevoren  allerlei dingen bedacht die ik zou kunnen doen als Esther in de middag zou rusten. Zelf een dutje doen hoorde daar niet bij, maar is het uiteindelijk wel geworden. Rond zes uur ging de wekker en schoten we allebei wakker uit een verkwikkende slaap.

Om half zeven had ik restaurant De Oranjetuin gereserveerd. We kregen eerst diverse amuses van het huis en toen Esther het voorgerecht op had, vroeg ze zich af of ze nog wel ruimte had voor een dessert en moest ik haar eraan herinneren dat er eerst nog een hoofdgerecht zou komen. Er zat ruimschoots tijd tussen de gangen dus uiteindelijk kwam het helemaal goed en namen we toch nog een dessert en ook nog een afsluitende kop thee. Het was rond een uur of tien dat we onze hotelkamer opzochten. We hadden gepraat over onze jeugd en de opvoeding die we hadden gekregen, onze ouders en hoe dat onze keuzes in het leven had beïnvloed. Aan het eind van de avond kwam er een wat oudere man bij ons tafeltje staan. Het bleek de directeur te zijn en hij wilde graag weten of alles naar wens was of dat hij nog dingen kon verbeteren. Zeker ook gezien vanuit het standpunt van een minder valide.

Het was een gezellige avond. Het voelde vertrouwd met Esther. In bed kletsten we als twee giechelende tienermeisjes op een zomerkamp. Telkens als één van ons wilde gaan slapen, begon de ander weer te kletsen.

Esther had ’s nachts liggen brainstormen over wat er allemaal beter kon in het hotel vanuit het gezichtspunt van een minder valide. Toen ze de directeur beneden in de hal zag staan, trok ze hem aan het jasje en demonstreerde hem wat lastig was (toiletrol te ver weg om te kunnen gebruiken, geen stang om de deur dicht te trekken, douche te ver weg). Ze gaf ons een korte cursus bewustworden waar je als minder valide tegenaan loopt. Ik zie mogelijkheden voor haar om zich hier maatschappelijk voor in te zetten. Ze is mondig en zit boordevol creatieve ideeën (tijdschrift voor mensen met een beperking) en verbeterpunten. Misschien kan het haar helpen om zin en betekenis te geven aan wat haar is overkomen, tenslotte kun je dit alleen doen als je zelf ervaringsdeskundige bent.

Bij het ontbijtbuffet vond ik het vreemd dat er nergens opscheplepels lagen en dat je de broodjes of kaas met je handen of gebruikte bestek moest oppakken. Bleek dat iedereen bij de ingang een eigen tang had gekregen, maar die hadden wij dus gemist….

We wandelden de kleine twee kilometer richting museum Belvedere. Aandachtspunt was dat de batterij van de rolstoel bijzonder snel terugliep. Ik had de accu gisteren wel opgeladen toen we een dutje deden, maar dat was blijkbaar niet genoeg geweest. De terugweg zou spannend worden, maar dat was van latere zorg. Eerst lekker genieten van de kunst in het museum.
Het museum ligt mooi ingepast in het Friese landschap en hangt bijna boven het water. In de tuin staan beelden die indruk op ons maakten. De entree was nog even een dingetje. We waren een uur te vroeg. Voor ons werden mensen zonder pardon teruggestuurd. ‘Komt u vanmiddag maar terug, we zitten nu vol.’ ‘Nee, er zijn geen kaartjes meer te koop.’
Toen ik terugkwam van het toilet zag ik Esther net bij de controle staan waar een dame haar de tickets teruggaf. ‘Hoe heb je dat gefikst?, vroeg ik, terwijl we snel het museum inliepen voor ze zich zouden bedenken. ‘Beetje zielig doen’, antwoordde ze met een glimlach. ‘Heel af en toe kan een beperking ook handig zijn’, zei ze. ‘Daar moet je gewoon gebruik van maken’, stemde ik met haar in.

Het was lang geleden dat ik in een museum was geweest. Ik genoot ervan. Er waren schilderijen van de wadden, landschappen met mystieke bloemen, kleurige schilderijen die met een paar vegen een landschap uitdrukten, het project nachtfoto’s en tekeningen en schilderijen van dieren. En indrukwekkende beelden van hout, brons en glas.

Buiten scheen ineens de zon en op een bankje genoten we van een appeltje en de omgeving. Om de batterij te sparen rolden we heel langzaam terug naar het hotel. Nog even genieten van de zon op het terras met een kroket en een kop soep en dan is het tijd om huiswaarts te keren. We hadden het goed uitgekiend de batterij stond al op de reservestand, maar deed het nog net. De vriendelijke jongeman hielp me weer met het demonteren en inladen van de rolstoel en toen begaven we ons in de vrijdagmiddag file naar huis. De GPS stuurde ons via de meeste kleine binnenwegen van Friesland, Drenthe en Overijssel om de file zoveel mogelijk te omzeilen. Of dit veel tijd scheelde weet ik niet, maar het was in ieder geval geografisch leerzaam. We kwamen door allerlei onbekende dorpjes en buurtschappen, liepen vast op wegonderbrekingen, zaten kilometers lang achter landbouwmachines en tractoren en kwamen uiteindelijk toch nog vast te staan door verkeersdrukte. Hongerig, moe en voldaan bereikten we uiteindelijk Deventer. We sloten af met een maaltijd van de afhaal Chinees.

Het uitstapje met Esther is me goed bevallen. Het was gezellig als vanouds. Het was vertrouwd en fijn weer samen op pad te gaan. En daarmee is voor mij bevestigd dat het er niet om gaat wat je kunt of wat je doet, maar wie je bent als vriendin, als moeder, als partner, als uniek mens. Op naar het volgende uitstapje!

 

Le Mont Saint-Michel en Suisse Normande

Op mijn verlanglijstje, die volgens Frans alleen maar langer wordt naarmate we meer reizen, stond Le Mont Saint-Michel. En nu we er zo dicht in de buurt waren wilde ik er beslist naar toe.

Dat dicht in de buurt viel een beetje tegen. Het was nog zo’n 345 kilometer rijden en we deden er ruim vier uur over. Vanaf de kleine slingerende weg zagen we het beroemde eiland met zijn vesting en abdij al van veraf liggen. Het landschap is hier vlak alsof het net gestreken is.

Le Mont Saint-Michel stamt uit het jaar 700 toen een monnik een visioen kreeg van aartsengel Michael om op het rotsachtige eiland een kerk te bouwen. Sindsdien is het eiland door de eeuwen heen – met uitzondering van een korte periode als gevangenis – steeds een plek geweest voor contemplatie en reflectie. Ook nu leeft er nog een groep broeders en zusters in eenvoud in het oude klooster. De omgeving zal hierin zeker een rol spelen. De abdij ligt hoog op de rotsen vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de baai die met eb kilometers droog valt. Je hebt dan drie uur de tijd om over het uitgestrekte waddengebied met zijn geulen te wandelen. Voorzichtigheid is geboden, want het water komt razendsnel opzetten, zoals Frans en ik met eigen ogen zagen gebeuren. In een kwartier tijd liep de zandvlakte onder de brug  waar we stonden te kijken vol met een kolkende stroom water. Het schijnt dat het water een snelheid heeft van tweeënzestig kilometer per uur.

Via de fraai aangelegde houten brug wandelen we van de parkeerplaats naar het eiland. We hebben kaartjes voor de abdij, die vandaag gratis zijn omdat het open monumenten dag is. Hebben wij weer geluk. Wel hebben we in verband met corona een tijdslot gekregen om binnen te komen.
We zijn niet echt voorbereid op de drukte op het eiland met zijn smalle middeleeuwse straatjes en vele winkeltjes. Het benauwt ons. Zo snel mogelijk proberen we naar de ingang van de abdij te komen, maar ook hier is het druk. In file lopen we door de enorme zalen van de abdij. Hierdoor kunnen we er minder van genieten en maakt het gebouw niet echt indruk op ons. Het uitzicht over het wad is indrukwekkend, maar ik geef toch de voorkeur aan de krijtrotsen.

‘Misschien is het eiland wel prachtig verlicht’, opper ik om Frans zover te krijgen met mij mee te gaan op een nachtelijke wandeling naar het eiland. In mijn hoofd heb ik een romantisch tafereel van wandelen met mijn lief over een brug over zee naar een sprookjesachtig verlicht eiland. Als Frans uiteindelijk meegaat, is het zwaar bewolkt en regent het zachtjes, de pendelbussen rijden nog steeds af en aan en wordt het silhouet van Le Mont Saint-Michel slechts verlicht door één miezerig lampje. Na een paar honderd meter gaan we terug en duiken het bed in.

We hebben allebei behoefte aan rust en natuur na de drukte van gisteren. Ik vind een natuurgebied dat ‘Suisse Normande’ heet. De naam duidt op de rotsige bergen die Zwitsers aandoen. We nemen afscheid van Le Mont Saint-Michel in een cafeetje met cappuccino met uitzicht op de vesting. Via verlaten landweggetjes koersen we door een boomrijk gebied. De wegen beginnen steeds meer te rijzen en te dalen. Op deze manier rijden vinden we allebei leuk om te doen.
Camping de la Rouvre is precies wat we nodig hebben: een oase van rust en natuur, gelegen aan riviertje La Rouvre en een gastvrije ontvangst. Het echtpaar dat de camping runt is vriendelijk en uitnodigend. We mogen zelf een plekje uitzoeken. Ons oog valt op het grote veld achteraan de camping. Hier kun je je hangmat ophangen, een kampvuurtje stoken, genieten van prachtige oude kastanjebomen, een appeltje plukken uit de fruitgaard of Ezel Therese en haar metgezel de bok Gaston een wortel voeren. ’s Avonds leert Frans me schaken op het gezellig ingerichte terras, wisselen we wandeltips uit met andere campinggasten en hoort Frans van de eigenaar dat er twee vliegstekken in de buurt zijn.

Suisse Normande is een dunbevolkt gebied en het blijkt een hele uitdaging te zijn om iets eetbaars te vinden. Met de camper toeren we van dorp naar dorp op zoek naar brood of iets anders dat we mee kunnen nemen op onze wandelingen. Nu het hoofdseizoen voorbij is durven we er niet op te vertrouwen dat we wel een restaurantje of terrasje tegen komen dat geopend is. En die zorg blijkt terecht. Zelfs bij het toeristische hoogtepunt van Suisse Normande, la Roch d’Oëtre zijn de restaurantjes gesloten.
Uiteindelijk vinden we een minisupermarkt. Maar als we om brood vragen, begint de eigenaresse spontaan te lachen. Ze zegt dat we al de zesde zijn die vandaag naar brood vraagt en dat dat echt een probleem is in de regio. Bijna alle bakkers zijn gestopt, omdat het hoogseizoen is afgelopen. Ze hebben een pauze ingelast. Zij laat brood bakken door een boerin, maar dat komt pas eind van de middag binnen. Na twee uur rond rijden vinden we uiteindelijk ‘une boulangerie’.

We maken een wandeling door een kloof met grote bomen en een bruin riviertje met zeldzame rivierkreeftjes. In the middle of nowhere komen we geheel onverwacht een picknick plaats tegen waar we thee en koffie kunnen krijgen. Tijd voor de lunch met koffie, thee en stokbrood. Hoewel de wolken dreigend in de lucht hangen, blijft het droog.
Na de wandeling gaan we op zoek naar één van de vliegstekken. Frans vindt het leuk om daar te gaan kijken, hoewel het vandaag geen vliegweer is. Helaas zijn er wegwerkzaamheden waardoor de toegangsweg naar de vliegstek is afgesloten. Van welke kant we het paragliding startpunt ook proberen te benaderen, overal vangen we bot en het lukt ons niet er te komen.

Het einde van onze vakantie nadert. Een beetje weemoedig nemen we afscheid van Suisse Normande. Een heerlijk gebied om tot rust te komen. Langzaam maken de kleine wegen plaats voor drukke verkeersaders en komen we bij de stad Caen weer terug in de bewoonde wereld.

Bij Honfleur waar de Seine uitmondt in zee nemen we een break. Het is een pittoresk stadje met een houten kerk (zoals je veelal ziet in Scandinavië), een haven met kleurige huisjes en een leuk plein. Op een terrasje van een ‘salon de thé’ met pianomuziek op de achtergrond genieten we nog eenmaal van de zon en van een verrukkelijk gebakje met pistachenoten en pure chocolade. Het meisje van de bediening heeft grote, heldergroene ogen en praat via gebarentaal. Ze is doof.
Op weg naar de auto komen we langs een kunstgalerie waar onze aandacht wordt getrokken door een schilderij van dansende mensen in de vorm van een hart. De mensen zijn weergegeven als kleurige stipjes en toch kun je zien dat ze dansen en bewegen en dat het mensen zijn. Knap geschilderd, mooie symboliek. We zijn ervan onder de indruk.

Net na Honfleur rijden we over de ‘Pont de Normande’. Een witte hangbrug die in een steile boog de rivier de Seine overbrugt. De twee kilometerlange brug is imposant om overheen te rijden. Ik durf nauwelijks van het uitzicht te genieten omdat ik mijn aandacht op de weg moet houden die vrij steil omhoog en omlaag gaat.

Het plan was eigenlijk om vandaag nog ergens te gaan kamperen en dan morgen de laatste etappe naar huis te rijden. Maar zoals wel vaker aan het einde van een reis, ruiken we de stal en rijden we in één ruk door naar huis. Dat biedt perspectief voor de volgende dag.

Het is eind september maar nog steeds heerlijk weer. We pakken onze fietsen en rijden naar Zutphen waar Frans zijn kleding- en schoenenvoorraad aanvult. We lunchen uitgebreid op een terras en fietsen dan terug naar huis. Een mooie afsluiting van onze vakantie samen. ’s Avonds pak ik snel mijn koffer in en vertrek richting Deventer, want er staat alweer een nieuw uitje op de agenda.

Krijtrotsen

’s Nachts regent het en kruipen we knus tegen elkaar aan. De volgende ochtend pakt Frans zijn weer-apps – die hij ook voor het paragliden gebruikt – erbij. Ons plan was om in de Franse Alpen te gaan wandelen, maar er trekt de komende dagen een koufront over de Alpen waardoor in het hele gebied veel regen gaat vallen. Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Italië overal gaat het regenen. De enige regenvrije spot die we op de kaart zien is Normandië.

En zo koersen we met de camper richting de krijtrotsen van Normandië. Het is druk op de weg en de navigatie leidt ons via de Route National, omdat op de tolwegen lange files staan vanwege wegwerkzaamheden. Het deert ons niet. We hebben alle tijd en genieten onderweg van ons eerste Franse stokbrood deze vakantie.
In Yport, een dromerig dorpje met statige landhuizen opgebouwd uit grijze natuursteen, vinden we een camping met uitzicht op de krijtrotsen. Genietend van een kopje thee kijken we hoe de ondergaande zon de witte rotsen langzaam roze kleurt en er steeds meer lichtjes verschijnen in de baai die ver beneden ons ligt.

’s Ochtends is het fris maar zonnig. We pakken de bus naar Etretat waar de zee bijzondere vormen in de zachte krijtrotsen heeft uitgesleten die namen dragen als ‘de olifant’, ‘de boog’ en ‘de naald’. We klauteren vanuit het kiezelstrand omhoog tot we bovenop de kliffen staan en uitkijken over de baai. Ik krijg er maar geen genoeg van. Het uitzicht is zo mooi. De witte rotsen steken fel af tegen de blauwe zee. Niet voor niets vormde dit landschap een bron van inspiratie voor vele impressionistische schilders uit de 19e eeuw zoals Monet en Courbet. Maar de schilderachtige omgeving werd ook het decor voor de verhalen van een populaire Franse held, de gentleman-dief Arsène Lupin (serie is nu te zien op Netflix). Een heel andere indrukwekkende attractie is de golfbaan boven op de kliffen!

We wandelen via een Grande Randonnée over de krijtrotsen terug naar Yport. Onderweg picknicken we met uitzicht op de naald. Aan het eind van de dag nemen we een duik in zee. Het water is heerlijk van temperatuur en er zijn nauwelijks golven, zodat je echt kunt zwemmen en rustig op je rug kunt dobberen zonder overspoeld te worden.

De volgende dag wandelen we de andere kant op, richting Fécamp. Er zijn hier nog niet zolang geleden een aantal rotsen afgebrokkeld en naar beneden gestort waarbij iemand is overleden. Daarom is het strand langs dit traject grotendeels afgezet en ook mag je voor je eigen veiligheid niet meer vlak langs de rand van de kliffen wandelen. Toch is het een mooie wandeling langs slaperige gehuchtjes, een kloof met varens en uitgestrekte landerijen. Fécamp blijkt een wat grotere plaats te zijn met een kathedraal met glas-in-lood ramen, een haven en een oud klooster dat ‘Palais Benedictine’ heet. De Benedictijnen die in het klooster woonden waren wetenschappers. Ze schreven boeken nog voor de boekdrukkunst was uitgevonden om hun kennis te delen. De monnik Bernardo Vincelli besteedde zijn hele leven aan het maken van een levenselixer. Het doel was een geneeskrachtig medicijn te maken dat het leven kon verlengen. De medische wetenschap stelde in die dagen nog niet zoveel voor en er waren eigenlijk nog geen medicijnen. Vincelli gaf zijn elixer de naam Benedictine. Het deed me denken aan het levenselixer uit Asterix en Obelix.
Benedictine is een drank die heden ten dage nog wordt gebrouwen in het Palais Benedictine en die bestaat uit zevenentwintig kruiden en een grote dosis alcohol. Na de rondleiding door het museum en de brouwerij kwamen we uit bij de proeverij, waar we drie varianten van de Benedictine mochten uitproberen. Het drankje liet een warme gloed achter in mijn keel en had een zachte, zoete afdronk. Of we ons leven hierdoor hebben verlengd weten we niet, maar met een lichte roes verlieten we het pand.

We wandelden een eindje over het kiezelstrand langs de onderkant van de witte krijtrotsen. Het was eb en de witte rotsen die normaal onder het water liggen kwamen nu tevoorschijn met flinke plakken zeewier en mosselen. Op een bordje stond dat het verboden was de mosselen te vangen. We schoten niet erg op want de kiezels rolden weg onder onze voeten en de witte rotsen waren glibberig. Af en toe wierp ik een blik omhoog om te kijken of er niet net toevallig een rotsblok naar beneden viel. Bij een trap verlieten we het strand en klommen omhoog de kliffen op, daarna keerden we via de velden terug naar de camping.

Wat een prachtig gebied.

 

Verliefd op Gouda

Tussen de Kanjers voor Kanjers dag en een gepland uitstapje naar Friesland met mijn vriendin Esther, hadden Frans en ik een paar dagen tijd om samen op vakantie te gaan. Maar daarvoor moest hij eerst nog twee dagen naar een klant in Gouda.

Toen we doodmoe thuiskwamen van de Kanjers voor Kanjers dag pakten we in een uurtje tijd onze spullen voor de vakantie in en reden richting Gouda waar ik een plekje had gereserveerd op camping Groen Geluk. Via een smal weggetje kwamen we in het donker aan op de camping, die niet zo idyllisch was als de naam deed vermoeden. We kregen een plekje toegewezen op een soort betegeld terras. De caravans stonden dicht tegen elkaar aan, er waren helaas geen fietsen te huur, de theetuin was gesloten en het geroemde natuurgebied bleek een – in onze ogen – normaal weiland met wat vogels te zijn.

Onze nachtrust werd verstoord door een kolonie muggen die blijkbaar in een onbewaakt ogenblik onze camper was binnengedrongen. Telkens weer hoorden we het irritante gezoem van muggen bij onze oren, op de gordijntjes en muren van de camper verschenen steeds meer geplette muggenlijkjes en bloedvlekjes, omdat ik – grote dierenvriend – de muggen genadeloos doodmepte. Toch leek er aan het gezoem geen einde te komen. Pas tegen een uur of vier viel ik in slaap.

Om half zeven werd ik weer wakker van gezoem, ditmaal was het de wekker. Na een lekker ontbijtje in de camper, haalde Frans zijn laptop tevoorschijn en gingen we op pad. Om acht uur werd hij verwacht bij zijn nieuwe klant in Gouda. Het smalle dijkweggetje tussen Hekendorp en Gouda was geen aanrader in de ochtendspits, je kon elkaar alleen passeren bij speciaal in de weg gemaakte vluchthavens. Dat betekende veel wachten, soms een stukje achteruit rijden, wenkende handgebaren maar ook nors voor zich uitkijkende forensen die reden alsof er geen medeweggebruikers waren. Toch arriveerden we precies op tijd bij de klant, waar we de camper op de gratis parkeerplaats neerzetten.

Frans verdween in het gebouw en ik bleef alleen achter in de camper. Er lag een hele, lege dag voor me. Ik was benieuwd hoe ik die zou gaan invullen. Ik viel om van de slaap, maar om nu in het zicht van het kantoorpersoneel te gaan liggen maffen, vond ik  niet zo gepast. Ik was bang dat het de reputatie van Frans niet ten goede zou komen bij zijn nieuwe klant. Ik schonk mezelf een kopje thee in en nam de mogelijkheden voor vandaag door. Fietsen? Naar het strand? Terug naar de camping? Museum bezoeken?

Al snel kwam ik erachter dat op maandag vrijwel alles dicht zit; fietsverhuur, musea. Ik had geen zin om in de maandagochtend spits te staan op weg naar het strand of om terug te keren naar de camping. Ik besloot naar het centrum van Gouda te wandelen. Ik had een vreselijk duf hoofd en ik hoopte dat een beetje frisse lucht me goed zou doen. Over een gezellig gevuld fietspad met aan beide kanten een brede sloot met eenden, zwanen en meerkoeten wandelde ik richting centrum. Huizen en straten zijn hier omringd door water. Overal zijn sloten, beekjes en grachten met water dat bijna tot aan het asfalt komt. Een heel ander landschap dan de Achterhoek.

Na ruim een half uur liep ik het historische hart van Gouda binnen. Het was verlaten en het stonk naar afval. Vuilniswagens waren overal bezig de kliko’s te legen. Winkels en horeca waren nog gesloten. Bij een terrasje waren ze net de stoelen aan het buiten zetten toen ik passeerde.
‘Hoe laat gaan jullie open?’, vroeg ik.
‘Om 10.00 uur. Maar kan ik u misschien ergens mee van dienst zijn?’, reageerde het meisje van de bediening vriendelijk.
Ik knikte dankbaar. ‘Ik zou heel graag even gebruik maken van het toilet en een kop thee drinken.’
‘Daar kan ik voor zorgen’, zei ze met een brede lach. ‘Loop maar met me mee.’
En zo zat ik even later met een kop thee op een bankje naar de ontwakende stad te kijken.
Ik kreeg het steeds beter naar mijn zin in Gouda.

Ik ontdekte dat Gouda een mooie oude stad is met een rijke historie. Midden op het plein ligt het stadhuis, schuin er tegenover de Waag waar vroeger de kazen werden gewogen, achter het plein de Grote Sint-Janskerk met het Goudse museum. Allemaal gesloten op maandag, maar dat maakte dat ik overal rustig en zonder andere toeristen rond kon dwalen op mijn verkenningstocht. Gouda heeft een leuke haven met oude sluis waar ik een tijdje toekeek hoe plezierjachten van de binnenwateren naar de Hollandse IJssel voeren. Gouda ligt dus net als Doetinchem aan een tak van de IJssel.

Er was ook een park met oude bomen, grote vijvers, bloemen en leuke bankjes. Bij een grote volière streek ik neer op een bankje van mozaïek en keek geamuseerd hoe de groene en blauwe parkieten op takjes heen en weer schommelden, hoe twee witte kaketoes met gele kuif elkaar voerden en kusjes gaven. Ik deed een dutje op de bank en neusde wat in de kleine huisbibliotheek die daar stond. Toen ik trek kreeg, wandelde ik terug naar het grote plein. Het was inmiddels volgestroomd met toeristen en alle terrasjes waren bezet. Op het terras van Bagels en Beans waar ik ’s ochtends zo vriendelijk was geholpen streek ik neer voor de lunch. Heerlijk gegeten en de bediening was weer super vriendelijk. Blij door zoveel vriendelijkheid verliet ik het terras.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na weer een uurtje wandelen viel mijn oog op een bioscoop. Er draaide leuke films en het was aantrekkelijk om ergens lekker rustig te kunnen zitten en uitrusten. En zo zat ik even later met een vijftal andere vijftigplussers op een maandagmiddag naar de film ‘the Father’ te kijken. Anthony Hopkins speelt een bejaarde man die langzaam de grip op zijn leven verliest omdat zijn brein hem in de steek laat. Uitgerust verliet ik de bioscoop en wandelde ik terug naar de camper waar Frans net klaar was met zijn werk.

We reden samen terug naar camping Groen Geluk waar we een smakelijke maaltijd bereidden op ons gasfornuisje in de camper, terwijl we elkaar bijpraatten over wat we die dag hadden beleefd. Ik vertelde Frans dat ik onverwacht verliefd was geworden op Gouda.

De volgende ochtend is de fietsverhuur op het centraal station van Gouda geopend. Voor het eerst van mijn leven neem ik plaats op een elektrische fiets. De enige optie bij de fietsverhuur. Gewone fietsen zijn uit de gratie, zo vertelt de verhuurder. De eerste drie slagen gaan erg zwaar, dan komt de trapondersteuning op gang en krijg ik een flinke zwieper, waardoor ik er als een raket vandoor ga. Als ik ook maar even stop met trappen, dan gaat de ondersteuning eraf en moet ik eerst weer drie zware slagen trappen om op gang te komen. Op kruisingen maakt me dit erg traag. Op de lange, rechte stukken met tegenwind is de trapondersteuning wel prettig, maar in de stad vind ik het eerder  onhandig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik houd de batterij goed in de gaten, want als de accu leeg is, dan wordt het fietsen echt zwaar. Maar gelukkig kan ik probleemloos zo’n vijftig kilometer fietsen zonder de accu op te hoeven laden. Ik fiets van Gouda naar Boskoop en naar de Reeuwijkse Plassen, daarna via Haastrecht weer terug naar Gouda. Het is een prachtige, waterrijke omgeving om te fietsen. Kleine weggetjes langs slootjes vol waterlelies en witte bruggetjes, in Boskoop velden met gekweekte bomen en heesters, bij Reeuwijk grote plassen en vaarroutes voor plezierjachten.

Rond een uur of vier lever ik de fiets weer in en wandel terug naar de camper waar Frans al staat te wachten. In de avondspits koersen we richting Rotterdam en vervolgens naar Breda. Onze gezamenlijke vakantie is gestart.

Op de grens bij knooppunt Hazeldonk vinden we een grappige kleine camping: de Klompenboom. In een grote Lindeboom hangen diverse houten klompen om de takken de goede kant op te leiden. De camping is naar deze boom genoemd. Het is er heerlijk rustig en we genieten van de stilte. De camping is fraai aangelegd met bloeiende bloemen en rondscharrelende kippen.

Kanjers voor Kanjers paraglidingdag

Frans, Margo en een twintigtal kinderen met een beperking en hun ouders, broers en zusjes hadden zich al weken op deze dag verheugd. Eindelijk was het zo ver. Ruim een jaar geleden hadden Margo en Frans deze dag in de agenda gezet en waren de voorbereidingen begonnen. Stichting Kanjers voor Kanjers zou in samenwerking met Maurik Paragliding een vliegdag organiseren, waarbij kinderen met een beperking als tandempassagier de kans kregen een heuse paragliding vlucht te maken.

Gelukkig was het op de geplande dag uitstekend vliegweer. De zon scheen en er waaide een lichte bries. Alle teamleden hadden er zin in om de kinderen een onvergetelijke dag te bezorgen. Na het opbouwen van de stand, het plaatsen van de vlaggen en vaandels, het klaarmaken van de lier en het uitstallen van de helmen en harnassen, kregen we een briefing van Frans met de do’s en don’ts.

Rond half elf reden de eerste auto’s met opgewonden kinderen en hun familie het weiland vol koeienflatsen op. Al snel stroomde het weiland vol en vond iedereen een plekje op meegebrachte stoel of picknickkleed. Frans (Maurik Paragliding) en Harriët (Kanjers voor Kanjers) heetten iedereen welkom en legden uit wat de procedure en de regels waren.

En toen ging de eerste passagier onder luid applaus de lucht in. Kirrend van plezier kwam het kleine ventje weer terug op aarde, met een grijns van oor tot oor op zijn gezicht. Sommige kinderen trilden van spanning, maar wilden toch de lucht in. Gelukkig hadden we drie ervaren tandempiloten die de jonge passagiers op hun gemak wisten te stellen met een grapje en een praatje.
Het was mijn taak de passagiers te voorzien van een passende helm en het harnas aan te doen en vast te maken. Ik vond dat heel leuk om te doen, want zo had ik met elke passagier even contact. Margo bepaalde de volgorde van de passagiers, waarbij we afwisselden tussen groot, middel en klein, zodat we de harnassen gemakkelijk door konden wisselen.

De broodjes knakworst, chips en limonade (gesponsord door de Jumbo) vonden gretig aftrek. Vliegen maakt hongerig. De meeste kinderen vonden het ook leuk om te zien hoe andere kinderen de lucht in gingen. Soms wilden ze eerst kijken om voldoende vertrouwen op te doen voordat ze zelf een vlucht durfden te maken.

Het was een dag vol trots, vreugde en ontroering. Er werd menig traantje weggepinkt, de piloten werden blij van het applaus dat bij iedere vlucht weerklonk, het hele team genoot van de brede grijns op de gezichten van de kinderen. Sommige kinderen hadden een geestelijke beperking, anderen leden aan een chronische ziekte en hadden bijvoorbeeld een sonde, weer anderen hadden een fysieke beperking en misten bijvoorbeeld een been als gevolg van een ongeluk. Eén jongen maakte veel indruk. Nog nauwelijks een jaar geleden had hij een duikongeluk gehad, waardoor hij tot aan zijn middel verlamd was geraakt. Een drietal teamleden tilden hem op, en onder luid gejuich ging hij de lucht in. Hier kon hij zich weer even voelen als een ‘normaal mens’. In de lucht speelde zijn handicap even geen rol en kon hij zich net zo vrij wanen als ieder ander.

Het werd een onvergetelijke en emotionele dag. Na het inpakken van de spullen was ik kapot. Doodmoe maar uitermate tevreden. Frans straalde. Het is een diep gevoelde wens van hem om mensen met een beperking het gevoel van vrijheid in de lucht te laten ervaren.

Concert

Ik kwam net thuis van een tuinconcert van Wibi Soerjadi waar ik met mijn zus en ouders naar toe was geweest. Wibi had virtuoos gespeeld achter zijn vleugel in de tuin, terwijl zijn zwartwit gevlekte hond Pepper vrolijk kwispelend door het publiek had gelaveerd. Pepper had een hardnekkige interesse in mijn handtas gehad. Waarschijnlijk omdat ik daar twee krentenbollen in had verstopt. Niet voor hem, maar voor mezelf. Voor het geval ik trek zou krijgen.
Twee weken eerder was het tuinconcert in het water gevallen. Letterlijk. Een hoosbui had het gazon onder water gezet, de vleugel was nat geworden en Wibi had besloten het concert af te gelasten. Vrijwilligers in regenponcho’s brachten ons de teleurstellende mededeling, nadat we na anderhalf uur rijden vol verwachting aan kwamen rijden, want wij hadden onderweg nauwelijks regen gehad.
Maar vandaag was het zonnig geweest, we hadden in de pauze zelfs een ijsje gegeten en Wibi had ons meegenomen langs zijn repertoire door de jaren heen.
De muziek klonk nog na in mijn oren, toen Frans vertelde dat er – wegens versoepelde coronamaatregelen – extra kaartjes in de verkoop waren gekomen van pianiste Iris Hond die muziek van Ludocivo Einaudi zou spelen in het concertgebouw. Nogal overhaast zocht ik op internet naar datum en tijdstip van het concert, belde mijn zus en mijn ouders – die nog in de auto op weg naar huis waren –  met de vraag of ze mee wilden naar het concert in Amsterdam. Zonder echt hun antwoord af te wachten bestelde ik in mijn enthousiasme alvast vier kaartjes. Want ik vind de muziek van Einaudi prachtig en het is mijn doel deze ooit zelf te kunnen spelen. Als vijftig plusser moet je jezelf ambitieuze doelen blijven stellen vind ik, dat houdt het leven leuk.

De volgende dag belde mijn moeder. Ze wilde liever niet mee naar het concert; een dag na haar verjaardag was misschien iets teveel voor haar, bovendien vond ze de muziek te eentonig. Ze ervaarde het als gepingel en vond het lang niet zo mooi als het concert van Wibi waar ze erg van had genoten.

Ik had verwacht de kaartjes gemakkelijk kwijt te kunnen aan een liefhebber. Maar dat bleek tegen te vallen. Niemand van mijn vriendengroep had tijd of zin om te gaan. Ook facebook leverde geen gegadigden op. En zo kwam het dat ik nog altijd vier kaartjes had op de 86e verjaardag van mijn moeder. We vierden haar verjaardag in een Italiaans hapjes restaurant waar ze prompt vertelde dat ze Iris Hond op televisie had gezien en dat ze toch wel erg mooi speelde. ‘Nou mam, je kunt nog mee morgen’, opperde ik. Ik zag twijfel in haar ogen. ‘Slaap er nog maar een nachtje over, dan hoor ik morgen wel of jullie meegaan.’

En zo kwam het dat ik uiteindelijk toch met mijn zus en mijn ouders op een zonnige zondag in september over een vijfbaans snelweg richting het concertgebouw in Amsterdam gleed. Omdat mijn vader een dikke enkel heeft en niet zo ver kan lopen, had ik een parkeergarage op 500 meter van het concertgebouw weten te reserveren.
De garage was in een woonwijk en de ingang viel nauwelijks op. Toen ik mijn QR-code onder de scanner hield, opende een grote metalen deur en werd er een krappe, zilverkleurige bak zichtbaar. Het was een lift. Het oogde een beetje als in een lugubere film. Zo’n film waarbij je als kijker denkt: ‘doe het niet, ga er niet in.’ Mijn moeder riep iets als; ‘oh god’ en mijn zus en ik giechelden van spanning. Voorzichtig reed ik de auto in de bak. Hij paste er krap in. De metalendeur sloot zich achter ons. Nu konden we geen kant meer op. Ik zette de motor uit, opende het raampje en drukte op goed geluk op één van de liftknopjes. Langzaam kwam de bak in beweging. We konden niet voelen of we omhoog of omlaag gingen. Even gebeurde er niets. Toen opende de deur voor ons en ontsnapte er een zucht van opluchting aan mijn lippen. Met rode konen parkeerde ik de auto in één van de krappe vakken strak tegen een pilaar aan. Het was een kleine parkeergarage die plaats bood aan zo’n twintig auto’s. Om er uit te komen, zouden we weer gebruik moeten maken van dezelfde lift. Dat betekende dat ik de auto zou moeten keren in de krappe ruimte. Maar goed dat was van latere zorg. Eerst op naar het concert.

Op een bankje in de zon aten en dronken we nog wat op het gezellige museumplein. Overal zaten mensen te picknicken op het gras en te genieten van de zon. Ergens aan de overkant van het plein was een demonstratie tegen de coronamaatregelen. Wij lieten bij de ingang van het concertgebouw ons vaccinatiebewijs scannen met de corona-app die we bij iedereen op de mobiel hadden geïnstalleerd.
We waren één van de eersten die de zaal betraden en kozen plaatsen vlak bij het podium met goed zicht op de vleugel. Het concertgebouw is een imposant gebouw met mooie akoestiek. Rode pluche stoelen, op de wanden de namen van beroemde componisten geschilderd en een intieme sfeer, omdat het niet heel groot is.
Iris Hond daalde via een grote trap in wijde rozerode broek af naar het podium, ging achter de piano zitten en deed haar schoenen uit. Ze zette de schoenen met hoge hakken naast de piano, plantte haar blote voeten stevig op de grond, sloot een kort moment haar ogen, haar handen stil boven de toetsen hangend, en begon te spelen. De klanken vloeiden het publiek tegemoet. Zacht, helder en vloeiend. Het was heerlijk om naar te luisteren.
Iris was niet alleen. Ze had gezelschap van strijkorkest Kamerata zuid. Ik vond het interessant om te zien hoe Iris en de dirigent op elkaar waren afgestemd. Hoe ze met kleine, nauwelijks zichtbare gebaren met elkaar communiceerden. De muziek van Einaudi werd afgewisseld met stukjes en liedjes die Iris zelf had gecomponeerd. Ze vertelde over haar vriendschap met Einaudi en wat zijn muziek voor haar betekende. Soms speelde alleen het orkest, terwijl Iris stil genietend in een hoekje zat te luisteren.
Na een staande ovatie speelden pianiste en orkest nog één laatste stuk, toen trok Iris haar pumps weer aan en liep, zonder nog eenmaal om te kijken, de lange trap omhoog en verdween uit zicht. Het was een mooie voorstelling en ik zou er zo nog een keer naar toe gaan. Fijn om dit samen met mijn ouders en zus te mogen en kunnen doen.  Ook mijn ouders hadden er  volop van genoten. Mijn moeder vertelt me nog regelmatig hoe mooi ze de muziek en de hele entourage vond; het maakt me dankbaar en blij dat ik haar zo’n mooi cadeau voor haar 86e verjaardag heb kunnen geven.

Inmiddels heb ik mijn eerste privé pianoles achter de rug en weet ik dat ik nog een lange weg te gaan heb voor ik de muziek van Ludovico Einaudi kan spelen.

 

Panda

Toen mijn nichtje me toevertrouwde dat ze zo graag een keertje naar de panda’s in Ouwehands dierenpark wilde, reageerde ik met een spontaan: “zullen we dan samen gaan?” Ik was al enige tijd nieuwsgierig naar deze zwart-wit gevlekte beren.

Op de carpoolplaats bij Arnhem-noord ontmoet ik mijn nichtje en mijn zus en rijden we samen in de camper naar Rheden. Het is al na drieën als we het dierenpark binnenlopen. Ik was er sinds mijn jeugd niet meer geweest en kon me alleen nog vaag iets herinneren van het berenbos waar zielige beren die onder erbarmelijke omstandigheden in gevangenschap hadden geleefd werden opgevangen.
Onderweg naar de panda’s passeren we een groepje witte leeuwen die lui in de zon liggen. Het mannetje met zijn woeste manen steekt zijn kop omhoog en kijkt uit over zijn harem. Met de grote struiken op de achtergrond lijkt het bijna alsof ze in hun natuurlijke habitat zijn. Zouden ze gelukkiger zijn in het wild? Of vinden deze roofdieren het wel prima dat ze door de mens van voedsel worden voorzien en in ruil daarvoor in hun vrijheid worden beperkt? Ik sta ambivalent tegenover dierentuinen, aan de ene kant vind ik het zielig voor de dieren dat ze niet in vrijheid kunnen leven, aan de andere kant moet ik bekennen dat ik het heerlijk vind om naar ze te kijken en contact met ze te maken. Ik vind dat wij als mensen verantwoordelijk zijn voor het welzijn van dieren en dat we goed voor ze moeten zorgen; dat wij rentmeesters zijn voor de aarde. Dierentuinen kunnen de liefde voor en de kennis over dieren en hun levenswijze vergroten bij het publiek en een rol spelen in het voortbestaan van bedreigde diersoorten.

We hebben geluk. Als we Pandasia, het in traditioneel Chinese stijl opgetrokken pandaverblijf betreden ligt de één jaar oude babypanda Fan Xing op zijn rug te knabbelen aan een bamboestengel. Zijn moeder Wu Wen, dat mooie krachtige wolk betekent, zit een eindje verderop tegen de mooi beschilderde muur eveneens te kauwen op haar bamboemaaltijd. Panda’s slapen een groot deel van de dag en ze zijn op het moment van ons bezoek behoorlijk actief voor een panda, zoals we later zullen ontdekken. Deze reuzenpanda’s met hun zwart omrande ogen zien er schattig uit, maar de enorme klauwen doen vermoeden dat ze misschien niet zo zachtaardig zijn als ze eruit zien. Ze zijn bovendien kleiner dan ik had verwacht voor een reuzenpanda. Het mannetje Xing Ya (elegante ster) zit in yogahouding met zijn voetzolen tegen elkaar, zijn handen losjes in zijn schoot, heen en weer te wiegen, alsof hij aan het mediteren is. Het ziet er heel zen uit.
Een verzorger komt de enorme groene pandakeutels opruimen die overal liggen. Een panda schijt wel 28 kilo per dag!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de shop laten we ons verleiden en kopen mijn nichtje en ik beide een uitvoering van Wu Wen, de vrouwelijke panda in de vorm van een knuffel. Ook het panda dekbedovertrek kan ik niet weerstaan; op het sloop het hoofd van de panda en dan op het overtrek heel schattig de pootjes.

We lopen langs het berenbos waar we behalve een aantal beren ook een viertal ruziënde wolven zien. De beren liggen verscholen in hutjes van takken of zitten verstopt achter een boom. Hoe langer we kijken hoe meer beren we ontdekken. Er zijn zwarte beren, bruine beren en honingberen. De honingbeer in het berenbos heeft een gladde, zwarte vacht en zit een appel te eten.
Net als ik me afvraag waar de ruziënde wolven zijn gebleven, zie ik dat ze vlak voor me in de bosjes liggen. Onopvallend dichtbij en knus tegen elkaar aan.

Natuurlijk gaan we ook kijken bij de chimpansees, de bonobo’s en de gorilla’s. We vangen een glimp op van het babyolifantje, net twee dagen oud, dat onder zijn moeder staat. We zien reuzenschildpadden van honderdtwintig jaar oud en turen naar de ijsberen die met takken aan het spelen zijn. Daarna gaan we nogmaals naar het verblijf van de panda’s. Ze slapen. Het mannetje ligt halverwege de helling van zijn klimbaan. Het ziet eruit alsof hij ter plekke dood is neergevallen.

Tevreden keren we terug naar de camper waar mijn zus een heerlijke maaltijdsalade tevoorschijn tovert en ik een kopje thee met vruchtensalade presenteer, terwijl we napraten over de panda’s.
Thuisgekomen doe ik na een snelle wasbeurt het nieuwe dekbedovertrek op bed. Verrassing voor Frans. Vannacht slapen we onder de panda’s.

Meanderen op de wadden

Meanderen. Meebewegen met eb en vloed. Het natuurlijke levensritme volgen. Met onze goede vriend Huub bracht ik drie dagen meanderend door op de wadden. Een periode waarin we alle tijd van de wereld hadden en die eindeloos leek te duren maar die tegelijkertijd is omgevlogen. We hadden geen voorop gezet plan; de dagen lagen leeg en uitgestrekt voor ons en leken zich spontaan te ontvouwen in het moment. Iets waar we allebei intens van genoten.

De waddentaxi, ms Zeehond genaamd, was een bootje dat plaats bood aan twaalf passagiers. De kapitein plaatste onze fietsen met bepakking tegen de reling en sjorde ze vast met een band. Op de vraag of we buiten op het bankje bij onze fietsen mochten blijven zitten, antwoordde de kapitein dat hij dat liever niet had. Het was rotweer, de boot zou op de golven klappen en we zouden ons tijdens de tocht niet kunnen verplaatsen en ons stevig vast moeten houden als we op het dek bleven. Huub en ik keken elkaar aan. ‘Laten we maar verstandig zijn’, zei Huub tenslotte. De kapitein herhaalde nogmaals dat het echt rotweer was en attendeerde ons op de kotszakjes die voor ons lagen. Of we die alsjeblieft wilden gebruiken als het nodig was. Ik keek Huub vertwijfeld aan. Dat kon wel eens een heftige overtocht worden. Heel anders dan het romantische tochtje dat ik in mijn hoofd had toen ik de overtocht met de ms Zeehond had geboekt.

Onze minivakantie was nog wel zo rustig begonnen. We hadden de auto op het grote parkeerterrein in Harlingen achtergelaten. Op de fiets hadden we een stukje van het oude centrum van Harlingen verkend en toen in het haventje een krentenbol etend gewacht op de komst van de waddentaxi.
De overtocht die een uur duurde was niet zo extreem als ik me had voorgesteld na de introductie van de kapitein. Weliswaar spoot het water hoog over de boot en bonkten we over de golven maar ik vond het ritme best aangenaam en genoot van het spektakel. Af en toe blikten we achterom en zagen hoe onze fietsen werden bedolven onder golven van zout water.
Het was lastig om ons te oriënteren. We voeren langs diverse zandplaten en zagen verschillende eilanden liggen, waarbij we gokten welke nu Vlieland was. Door de meanderende vaargeul veranderden we regelmatig van koers.

Bij aankomst op Vlieland waren de dreigende donkere onweerswolken verdwenen. De lucht was vriendelijk blauw en de zon scheen toen we in de kleine haven met plezierbootjes aanmeerden. Wel woei er een stevige wind.
Door Oost-Vlieland, het enige dorpje op het eiland, fietsten we naar camping Stortemelk. Omdat je op Vlieland geen auto mee kan nemen, stond de camping vol tenten. Nergens een camper of caravan te bekennen, dat was een bijzonder gezicht.
We lunchten op een bankje in de zon met meegebrachte broodjes en een koel drankje dat we in het supermarktje op de camping hadden gekocht. We fietsten de camping rond op zoek naar een leuk plekje. Hoewel het een grote camping was, hing er een rustige, ontspannen sfeer.

 

 

 

 

We hadden moeite onze tentjes op te zetten. Het waaide zo hard dat de één op het grondzeil moest gaan liggen, zodat de ander de enorme houten haringen – die we op aanraden van de receptie in de kampwinkel hadden gekocht – vast kon zetten. Een vriendelijke buurvrouw leende ons een hamer om de haringen diep de grond in te slaan. We waren verhit en moe toen we de tentjes eindelijk stormproof hadden staan. Tijd voor een duik in zee.
De zee was niet ver weg. We hoefden slechts één duin te beklimmen en toen lag een wijds en verlaten strand voor ons. We renden speels de golven tegemoet. Het water was verrassend warm en we bleven lang in de golven springen en drijven.
Liggend in het zand deden we een mindfulness oefening, waarbij je rustig ademend je ademhalingen telt. Ik was mijn adem al na een paar tellen vergeten, maar het was ontspannend om naar het geruis van de zee te luisteren en naar de blauwe lucht te staren, terwijl de wind over mijn gezicht blies. Een tweede duik in zee volgde. Daarna sjouwden we ons omhoog door het losse zand de duin over richting douche.

Huub had een waterkoker mee genomen. Briljant. Nu konden we thee zetten en soep maken. Na een cup a soepje met cracker gingen we dan eindelijk fietsen. Met de wind vol in het gezicht ploegden we ons voort over het eiland. We fietsten door een glooiend duinlandschap met kleine struikjes en grasland, afgewisseld met vennetjes en af en toe een boom. Omdat we best trek hadden besloten we niet naar het uiteinde van het eiland – een uitgestrekte zandvlakte die de Vliehors heet – te fietsen, maar via een omweg terug te gaan naar Oost-Vlieland om iets te eten.

Bij een pizzeria kozen we beiden voor pasta met curry en Noordzee krab. Op de camping genoten we nog van een mok thee en een prachtige zonsondergang in de duinen. Daarna installeerden we ons in onze tentjes die stonden te klapperen in de wind. Maar met van die mega haringen kon ons niets gebeuren. Tevreden gingen we slapen, elk in onze eigen bubbel.

De boottochten waren de enige momenten waarop we de tijd in de gaten moesten houden, daarom had ik mijn telefonische wekdienst ingesteld en werd ik de volgende ochtend wakker met een vrolijk muziekje. Het waaide nog steeds stevig en mijn binnentent ging er in een onbewaakt ogenblik met stokken en al vandoor. Het buitelde over de camping en ik moest er in een sprintje achteraan. Na het inpakken van onze spullen, ontbeten we zittend op de grond met crackers en krentenbollen uit onze basisvoorraad.
De catamaran die ons van Vlieland naar Terschelling bracht was veel groter dan we hadden verwacht. De kleine waddentaxi waarmee we de dag tevoren de overtocht van het vaste land naar Vlieland  hadden gewaagd paste er wel een paar keer in. De catamaran had geen plaatsen op het dek. Met een handje vol andere passagiers namen we plaats op de ruime stoelen, terwijl we over het water scheerden. Mijn ogen waren gefocust op de zandplaat waar regelmatig zeehonden liggen te zonnen. ‘Vandaag wil ik echt zeehonden zien’, had ik Huub tijdens het ontbijt toevertrouwd. ‘Al is het er maar één.’ De dag tevoren hadden ze zich niet laten zien en ook nu was de zandplaat verlaten.

 

 

 

 

 

Het eerste dat ons opviel in West-Terschelling toen we de boot afstapten met onze fietsen was het parkeerterrein vol auto’s. Even voelden we weemoed naar de leegte van Vlieland, maar al snel sloten we ook Terschelling in ons hart. Bij een standbeeld van de vissersweduwe uitkijkend over zee hadden we een prachtig uitzicht over het drooggevallen wad. We konden haar aantrekkingskracht niet weerstaan, parkeerden de fietsen, trokken onze schoenen en sokken uit en meanderden over geribbeld zand. We liepen tot aan de waterrand, de vaargeul gevuld met grote schepen was vlakbij, aan de andere kant witte duinen begroeid met ruw gras en een gezellig cafeetje.
We zaten misschien wel twee uur in de zon met een cappuccino en een broodje te kletsen met uitzicht op het wad. Tijdloos. Daarna stapten we op de fiets om het eiland te verkennen. We reden door bossen, langs vennen, kleine dorpjes en de zee. Bij een camping van Staatsbosbeheer in het dorpje Lies sloegen we onze tentjes op. De camping lag verscholen in het bos, zodat we er eerst voorbij waren gefietst zonder er erg in te hebben. Huub liep met de waterkoker naar het toiletgebouw om een kopje thee te kunnen zetten. Na lang zoeken vond hij een plankje aan de buitenkant van het gebouw met een stekkerdoos. Het duurde eindeloos voor het water kookte, want de waterkoker moest de stekkerdoos delen met een aantal mobieltjes die aan de oplader lagen. Maar wat maakte het uit, we hadden alle tijd.

Eind van de middag fietsten we naar zee en streken neer bij een gezellige strandtent. We gingen helemaal los met wijn en alcoholvrij bier. De tijd verstreek terwijl we kletsten en aten. Huub had het fris gekregen en ik stelde voor om een strandwandeling te maken om op te warmen. Met de voeten door het water liepen we ongemerkt een heel eind over het uitgestrekte strand dat we bijna voor ons alleen hadden.
‘Hé wat ligt daar? Is dat een zeehond?’ Ik rende dichterbij om te kijken. Op de rand van de zee lag inderdaad een zeehond. Een dode. Kreeg ik toch nog wat ik had gevraagd.
De hele wandeling liepen we elkaar al uit te dagen om te gaan zwemmen. Volgens mij was het water super lekker, juist nu het buiten wat kouder was. Snel trokken we onze badkleding aan en renden de golven in. De zee was rustig, bijna kabbelend, zodat we op onze rug op de golven konden dobberen. Verfrist en vol energie fietsten we terug naar de camping.

 

 

 

 

 

 

 

 

Liggend in mijn slaapzak kreeg ik overal jeuk. Ik probeerde het te negeren. Uiteindelijk besloot ik op te staan en te gaan douchen om het zoute water van mijn huid te spoelen. Ik pakte een plastic zak met een zipsluiting en deed er een handdoek in, nam een flesje zeep mee en liep onder de sterrenhemel over de camping naar het toiletgebouw. Er was geen verlichting en in de douche was het pikdonker. Voorzichtig propte ik mijn nachthemd in het plastic zakje. Mijn hand taste naar de knop om de douche aan te zetten. Zou het warm of koud water zijn? De voorzieningen waren nogal primitief. Er waren drie toiletten, een douche en een kraan met koud water waar alle campinggasten ’s avonds voor het slapengaan in een kring omheen stonden om hun tanden te poetsen. Ik miste iets van een wasbakje om de afwas in te doen of een schapje om je toilettas op te zetten.
Na een koude aanloop bleek de douche heerlijk warm water te geven.

De volgende ochtend stapte ik op de fiets om bij de lokale supermarkt warme broodjes en wat beleg te kopen, terwijl Huub zich ontfermde over de thee. We genoten van een uitgebreid ontbijt. Daarna stapten we op de fiets om de oostkant van het eiland te verkennen. Na een flinke kop soep fietsten we naar de Boschplaat, een natuurgebied met veel vogelsoorten. We parkeerden onze fietsen en beklommen een duin. Vanaf het duin hadden we een mooi uitzicht over zee, de uitgestrekte duinen en twee naakte mannen die daar lagen te zonnen.

Via de waddenkust reden we terug naar West-Terschelling. Links het wad, rechts de weilanden vol blèrende schapen. De kleintjes riepen hun moeder, die dan luidkeels antwoordde, waarna het jong in rap tempo op haar afliep. Elk schaap had zijn eigen geluid.
In West-Terschelling reden we nog snel even langs de Brandaris, de bekende vuurtoren van het eiland en baken in tijden van noodweer.

 

 

 

 

Vandaag was de zee glad als een spiegel. We konden de Brandaris nog lang zien liggen, terwijl de boot door de meanderende vaargeul gleed. Het leek alsof we niet opschoten en we telkens weer van richting veranderden. In de verte zagen we de windmolens op het vaste land en de afsluitdijk tussen Friesland en Noord-Holland. Na twee uur varen kwamen we aan in de haven van Harlingen.
Voordat we naar de auto fietsten verkenden we eerst nog even het centrum van Harlingen met zijn oude huizen en havens met bootjes. Rond tien uur waren we terug in Deventer waar we hongerig aanvielen op een bakje kwark, want het portie kibbeling dat we rond vijf uur hadden gegeten was al door onze magen gezakt.

Het was een heerlijke driedaagse geweest, waarin de flow zijn werk had gedaan. De volgende dag fietste ik van Deventer naar Doetinchem op mijn trekking bike en de dag daarop met mijn racefiets van Doetinchem naar Deventer om de auto op te halen. Hierbij genoot ik van het gezelschap en de gastvrijheid van mijn vrienden Huub en Esther. Ik hoop dat we nog veel leuke uitjes samen mogen meemaken.

Een onverwacht avontuur

Frans en ik zaten buiten te lunchen toen de telefoon ging. Ik sprintte naar binnen en nam hijgend op. Het was Basten, iemand die we kennen via Maurik Paragliding’. Hij vroeg of we vanavond iets te doen hadden.
‘Nee’, riep ik voordat ik er zelf erg in had, terwijl een golf van opwinding door me heen trok. ‘Nee, toevallig hebben we vanavond nog niets.’
‘Hebben jullie zin in een ballonvaart?’
‘Jazeker’, riep ik enthousiast, me vlak daarna realiserend dat Frans nog van niets wist. Maar Frans knikte instemmend ja en stak zijn duim op toen ik naar hem toe rende met de telefoon nog aan mijn oor en hem druk gebarend in staccato stijl vroeg: ‘vanavond ballonvaart ok’?’

We stonden al meer dan een jaar op de wachtlijst en twee dagen geleden toen ik een ballon in de lucht zag hangen had ik nog intens gewenst dat wij snel aan de beurt zouden zijn. Nu was het zo ver en ik was opgewonden als een klein kind. Ik had er heel veel zin in.

Om zeven uur verzamelden we ons bij het huis van Basten. We droegen een lange broek om onze benen te beschermen en hadden onze bergschoenen aan. Samen met de twee andere passagiers bracht het ballonteam ons naar het dorpje Zwiep bij Barchem in de Achterhoek. De grote aanhanger met daarin de ballon en het mandje werd op een weiland gereden. Eerst werden de branders op een frame in de mand bevestigd, daarna werd de enorme ballon uitgelegd en met een ventilator gevuld met koude lucht. De ballon is zo groot dat je er gemakkelijk in kan staan met een paar mensen. Een paar kinderen die langs de kant stonden mochten de ballon even van binnen bekijken. De mand lag nog stil op zijn zij. Toen verwarmde Basten, onze ballonvaarder, de lucht in de ballon met een brander.

De ballon, die verankerd was aan de auto met aanhanger, kwam overeind en trok de mand rechtop. Nu mochten de vier passagiers, één voor één in het mandje klimmen dat al een beetje in de lucht bungelde. In de mand zaten twee klimgaten waar we onze voeten in konden zetten, daarna mochten we op de rand van de mand gaan zitten en ons zachtjes naar beneden laten zakken. De mand slingerde een beetje heen en weer, terwijl ik omhoog klom en werd opgevangen door Basten. We moesten proberen zo stil mogelijk te blijven staan. Ik probeerde een plaatsje te vinden tussen de drie grote gasflessen. Het was krap in het mandje met vijf mensen en het was even zoeken waar ik het beste een beetje comfortabel kon staan. De gasbrander ging aan en verspreidde een warme gloed rond mijn hoofd.
De verankering werd losgemaakt en daar gingen we de lucht in. Eerst nog even slingerend, maar al snel stil en geruisloos stijgend tot grote hoogte. De mand was van riet en was aan de binnenkant bekleed met stof. Ongelooflijk dat zo’n mand sterk genoeg was om ons allemaal te dragen.
Ik genoot van het uitzicht. Je kon heel ver kijken, ook al was het een beetje heiig. We zagen Lochem met de Lochemseberg, Barchem, Ruurlo, Vorden en Zutphen liggen in het Achterhoekse coulissen landschap. We hadden zicht op boerderijen, zagen hoeveel mensen een zwembad in de tuin hebben, koeien die verschrikt naar ons op keken, kinderen die vanaf de grond naar ons zwaaiden, prachtige bossen, akkers, wegen die het landschap doorsneden en de kronkelende IJssel. We scheerden laag over de karakteristieke toren van kasteel Wildenborch en zijn lanen en uitgestrekte tuin.

De vlieghoogte is moeilijk in te schatten vanuit de ballon. Zo rond de honderdvijftig meter hoogte kun je alles heel mooi zien, op vijfhonderd meter wordt alles al kleiner, maar op een kilometer hoogte verlies je het contact met de aarde een beetje. Basten attendeerde ons op een inversielaag in de lucht, dit geeft een heel mooie lichtende streep aan de horizon en duidt op een warme luchtlaag hoog in de hemel. In de lucht zijn verschillende stromingen en op verschillende hoogtes kun je verschillende windrichtingen hebben.
Omdat de wind op tweehonderd meter hoogte ons snel in de richting van Doetinchem blies, manoeuvreerde Basten ons met behulp van de gasbrander naar een kilometer hoogte waar de ballon een andere kant op dreef. Een knap staaltje ballonvaarkunst. Met een ballon kun je alleen omhoog en omlaag, je hebt geen invloed op de richting die je uitgaat. Je kunt bijvoorbeeld niet even een stukje naar links of naar rechts sturen. De wind bepaalt waar je naar toe gaat.
Ik heb inmiddels ervaring met verschillende vormen van luchtvaart: een gemotoriseerd klein vliegtuigje, een zweefvliegtuig, een paraglider en nu ook een ballon. Alle vormen hebben iets speciaals, maar tot nu toe vind ik de ballon het fijnst. In de vliegtuigen zit je toch wat krap met een dak boven je hoofd. Met paragliden heb je het vrije gevoel van de buitenlucht om je heen, maar het is wiebelig en de wind suist om je hoofd. In het mandje van de ballon glijd je door de lucht. Stil en bijna meditatief. Alleen het geluid van de brander verstoort af en toe de stilte. Het is rustgevend. Het nodigt uit tot genieten van het landschap dat onder je doorglijdt. Er is geen wind. Ik zou dit heel graag vaker doen.

De landing is het ingewikkeldste deel van de vlucht. Je hebt een groot weiland zonder vee en prikkeldraad nodig om te kunnen landen. Liefst ook in de buurt van een weg, zodat de auto met aanhanger het weiland op kan rijden om de ballon in te laden.
De meeste landingen zijn spronglandingen, waarbij de mand met een kleine plof op de grond terecht komt, soms gaat de mand dan nog één of twee keer even omhoog en volgen er nog twee kleine plofjes, voordat de ballon echt geland is. Maar vandaag hebben we kans op een bijzondere landing, vertelde Basten enthousiast: de sleeplanding. Hierbij kiept de mand op zijn zijde zodra deze de grond raakt. Vervolgens wordt de mand nog een flink eind over de grond voortgesleept, voordat deze tot stilstand komt. Het is zaak ervoor te zorgen dat je hoofd en handen binnen de mand houdt om jezelf niet te bezeren. Of we een sleeplanding zullen krijgen hangt af van de wind, besloot hij zijn betoog.

We oefenden deze spectaculaire landing droog in de lucht. Hierbij gingen we in een rijtje dwars op de vaarrichting staan, pakten de touwlussen stevig vast en bogen door onze knieën. Als het mandje om zou vallen, lagen we op die manier met zijn vijven lepeltje-lepeltje tegen elkaar aan. We kregen instructie om in de mand te blijven liggen, totdat Basten het sein gaf dat het veilig was om eruit te klimmen. Toen we alles droog hadden geoefend, vlogen we nog twintig minuten verder.
Toen werd het tijd voor de echte landing. Hierbij kregen we zicht op de stuurmanskunst van Basten. Het eerste weiland dat we uitkozen bleek door de ondergrond toch niet geschikt, de brander ging vol aan en daar stegen we weer op tot we vlak over de boomtoppen scheerden. Onverwacht draaide de ballon en veranderden we van richting. Bij de grond bleek de wind uit een andere richting te komen dan op hoogte van de boomtoppen. We moesten wederom op zoek naar een geschikt weiland. Door de harde wind hadden we veel ruimte nodig om te kunnen landen. De stad Doetinchem naderde en daar zijn weinig landingsmogelijkheden.
We vonden vlak bij het huis van Basten een geschikt weiland om de landing in te zetten. We scheerden met grote snelheid steeds lager over de grond, terwijl we instructie kregen om in de rij te gaan staan en ons goed vast te houden. Ik greep me vast aan de touwen en boog mijn knieën om de klap op te vangen, het volgende moment sleurden we liggend over de grond, ik zag het hoofd van de jongen naast me die ver uit de mand stak vanwege zijn lengte, het gras dat vlak langs mijn hoofd  voorbij raasde, spetters koeienpoep die door de lucht vlogen. Het leek eindeloos te duren. Ineens was het afgelopen en lagen we stil. Beduusd bleven we liggen, totdat we van Basten het sein kregen dat we overeind mochten komen. De jongen naast me zat helemaal onder de koeienflatsen. De poep was door de gaten in de mand waar je je voeten in kan zetten naar binnen gekomen. Ik vond het GEWELDIG.

Al die tijd had het ballonteam ons zo goed mogelijk met auto’s gevolgd. Vlak voor de landing was er radiocontact over de te verwachten landingsplaats en vlak na de landing arriveerde het team om te helpen opruimen en inladen.
Terwijl de zon onder ging en het al schemerig werd, vouwden we de ballon op en pakten de spullen in de aanhanger. Omdat we vlak bij het huis van Basten waren geland hoefden we niet ver te rijden. Onder een oude perenboom bij kaarslicht en onder het genot van een hapje en een drankje genoten we na van deze mooie ervaring.

Die nacht beleefde ik de ballonvaart nog diverse keren opnieuw in mijn dromen.

 

Half rondje Nederland

Dit voorjaar zou ik twee weken met Margo de Groene Weg naar de Middellandse zee gaan fietsen, maar door corona moesten we onze plannen wijzigen. Het is een half rondje door Nederland geworden via diverse langeafstandsroutes (LF-routes) door de provincies Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland. Graag breng ik je via dit blog op de hoogte van onze avonturen door storm en regen, waarbij we op wonderbaarlijke wijze altijd de juiste voorzieningen op het juiste moment tegenkwamen. Ons motto was dan ook: alles komt goed!


Dag 1 – Om de buien heen fietsen
(Eindhoven  –  Alphen-Chaam – 50 km)

Frans bracht ons met het campertje naar Eindhoven. In een park vlak bij het centraal station laadden we onze fietsen van de fietsendrager en hingen onze fietstassen aan de fiets. Aan mijn voorwiel had ik mijn twee oude, lekke fietstassen waarin ik mijn toiletspullen en alle etenswaren had gestouwd. Achterop zaten mijn twee nieuwe felblauwe 100% waterdichte fietstassen met daarin mijn kleding,  daartussen had ik een knalrode bagagezak met daarin mijn schattige Hubba Hubba lichtgewicht tent, slaapmatje, superdunne slaapzak en mijn luxe uitspatting: een opklapbaar stoeltje om de avond op door te brengen, bevestigd met een net met haken.
De dagen daarvoor was onze woonkamer veranderd in een soort buitensportzaak en lagen overal schoenen, kledingstukken, briefjes, kampeerartikelen, voedsel en bidons verspreid door de ruimte. Mijn nieuwe tentje had ik opgezet in de tuin en samen met Frans een nachtje uitgeprobeerd. Halverwege de nacht waren we door de tuin terug naar onze slaapkamer geslopen, ik had een stijve nek en Frans had last gekregen van zijn rug. Niettemin hadden we een gezellige tijd doorgebracht in de tent, giechelend als twee verliefde tieners hadden we tegen elkaar aangelegen in de te krappe ruimte.
Ik had geprobeerd het gewicht zo goed mogelijk over de fietstassen te verdelen. De achtertassen  waren allebei zo’n vier kilo, de voortassen allebei drie en dan nog zo’n vier kilo voor de bagagezak. Alles bij elkaar een ruime achttien kilo. Ik had me dan ook beperkt tot het strikt noodzakelijke, want ik wist dat ik door mijn operatie had ingeboet op kracht en conditie en elke kilo meer zou mijn tocht alleen maar zwaarder maken.
Ik had heel veel zin in de tocht, maar zag er ook een beetje tegenop. De weersvoorspellingen waren ronduit slecht en ik was een beetje bang dat ik het fysiek niet zou trekken. Maar het enthousiasme van Margo werkte aanstekelijk.
We zwaaiden Frans uit en gingen op zoek naar de bordjes met LF-13 Schelde-Rheinroute. De eerste meters had ik moeite de zware fiets in beweging te krijgen, het stuur trilde en slingerde een beetje door het gewicht. Na een paar honderd meter dook ik de bosjes van het stadspark in voor een sanitaire stop. Opgelucht fietste ik verder.
Via Best reden we over een fietspad langs een kanaal richting Oirschot. Donkere wolken pakten zich samen en al snel plensde de regen in mijn gezicht. We schuilden onder een viaduct tot de ergste regen voorbij was. Toen de lucht geklaard was reden we verder langs het kanaal. Via een slingerende houten brug fietsen we Oirschot binnen, een gezellig Brabants plaatsje waar we op een terrasje wat warms te drinken namen en ons door de vrolijke ober lieten overhalen tot zelfgemaakte monchoutaart. We vervolgden onze tocht via Hilvarenbeek richting Tilburg en Breda. Toen er weer een wolkbreuk dreigde vonden we wederom een viaduct om te schuilen. We benutten de tijd goed door twee crackers met kaas te verorberen. Tot nu toe hadden we de buien aardig weten op te vangen. Margo zei: we fietsen gewoon om de buien heen vandaag. Maar rond een uur of vier zagen we de lucht opnieuw donker worden, op de weer-app zagen we dat er onweer op komst was. We zochten onze toevlucht onder een overkapping van een gesloten winkel. Margo dook nog even snel de supermarkt binnen. Ik stond buiten te klooien met de ritsen van mijn nieuwe regenbroek. De zippers waren losgeraakt van de rits en ik kreeg ze er met geen mogelijkheid meer aan. Margo met haar pragmatische inslag lukte het gelukkig wel de ritsen te repareren. We zochten op goed geluk een camping uit met een trekkershut en hoopten maar dat deze vrij zou zijn. De laatste kilometers fietsten we door de regen.
De receptie was gesloten. Ik drukte op de intercom en een stem vertelde dat er iemand zou komen. We wachten tien minuten. Nogmaals op de intercom gedrukt. Geen reactie. Ineens stapten een man en een vrouw uit een auto en liepen steunend en kreunend onze kant op. Ze openden de receptie en vertelden dat ze net boodschappen aan het doen waren, toen ze werden opgeroepen om de receptie te openen. Het was erg verwarrend. Het leek alsof ze geen idee hadden wat ze moesten doen. Tijdens de registratie liep de computer vast en moesten we alles opnieuw invoeren. Het duurde eindeloos. Op ons voorstel om contant te betalen en de registratie te laten zitten gingen ze niet in.
Gelukkig kregen we een prima trekkershut met bedden, kooktoestel en picknick bank. We hingen onze kleding te drogen en kookten ons potje aan de picknick tafel, want het was inmiddels droog.
We hadden zo verlekkerd zitten kijken naar de kip op de BBQ van onze buren, dat ze ons een paar kippenboutjes aanboden, die we dankbaar verorberden bij ons mini glaasje wijn en groenteprutje. We besloten de dag met een spelletje Punto.

Dag 2 – Brabantse bossen en landerijen
(Alpen-Chaam – Bergen op Zoom  – 63 km)

We vertrekken met lichte regen. Mijn nieuwe regenpak doet goede diensten. We fietsen door bosrijk gebied en ploegen over mulle zandpaden, de vogeltjes fluiten hun hoogste lied, de regen tikt tegen mijn gezicht, ik snuif de geur van het bos op, het groen van de prille bladeren is zo fel dat het bijna pijn doet aan mijn ogen. Ik geniet. Het is een prachtig stukje en voor mij onbekend Nederland.
Hele stukken fietsen we door het bos. Mijn ketting kraakt en piept door al het zand. Het is zwaar fietsen, maar de moeite waard.

We stoppen voor de lunch bij ‘t Proathuis’, een houten, overdekte picknickplaats waar we lunchen met crackers besmeerd met la vach qui ri. Het regent nog steeds, dus we zijn blij met dit kleine toevluchtsoord waar we even droog kunnen zitten.

Ineens is het landschap veranderd in een vlak gestreken gebied met grote landerijen. Vruchtbare akkergrond met vers geploegde lappen donkere aarde, aspergeteelt, uien, aardbeien. De regen wordt minder en de wind steekt op. Een felle wind blaast in mijn gezicht en doet mijn snelheid terugzakken. Ik leg mijn armen op het stuur, zoals ik vroeger als scholier ook wel fietste als ik moe was en toch thuis moest zien te komen. Langzaam kom ik in een cadans die goed vol te houden is. We fietsen door een puntje van België. De Belgen zijn galant in het verkeer en laten ons bij oversteekpunten netjes voor gaan. Uit een automaat bij een boerderij trekken we een bakje zoetgeurende aardbeien. We passeren het plaatsje Wouwse Plantage. Dit gebied van grote landerijen en rijke landbouwgrond is de streek waar mijn vaders familie zijn wortels heeft. Ik realiseer me dat ik er eigenlijk nog nooit geweest ben.
We vinden een camping net onder Bergen op Zoom bij het gehuchtje Heimolen. Gezien de vele regen die we hebben gehad willen we graag een trekkershut, maar de enige trekkershut op het terrein is net vergeven. We komen terecht op een trekkersveldje samen met een aantal andere fietsers. We zoeken een enigszins beschut en vlak plekje uit en zetten ons tentje op. Voor mij is het de eerste keer dat ik de tent onderweg op zet en het kost me beduidend meer tijd dan fietsroutinier Margo, die ondertussen het eten al klaar heeft. Een vullende salade met gekookte eieren en croutons, een tomatensoepje afgemaakt met verse tomaat en stokbrood met kaas. Een drie gangenmenu inclusief miniglaasje rode wijn.
Er zijn heerlijk warme douches en kluisjes waar je veilig je telefoon kan opladen. Mijn eerste nachtje in de tent is nog wennen, ik glijd telkens van mijn smalle matje en krijg dan een stijve rug van de optrekkende kou. Ook worstel ik met de lakenzak die als een wokkel om me heen gedraaid zit.

Dag 3 – Tegenwind
(Bergen op Zoom – ’s Gravenpolder – 55 km)

Het is droog als we de tent opbreken, maar de buitentent is nat en ik besluit deze los onder het bagagenet te proppen in de hoop dat het droogt tijdens de fietstocht. In ieder geval wordt zo de rest van de slaapspullen niet nat. Na een ontbijt met kwark, verse aardbeien en muesli vertrekken we richting Zeeland, maar eerst spuiten we bij de camperplaats onze fietsen schoon die helemaal onder het zand en de modder zitten. Het lijkt wel of gemountainbiked hebben.
Rondom Bergen op Zoom is het heuvelachtig en bosrijk. Langzaam wordt het landschap kaler en vlakker als we richting de grens tussen Brabant en Zeeland komen. De sfeer is anders in Zeeland. Het is er leeg en kaal. De weinige dorpjes die er zijn hebben geen voorzieningen. Geen bakker, geen gezellig terrasje. De vrouwen lopen hier allemaal in een rok. We missen de Brabantse gezelligheid.
We hebben uitzicht op het Antwerpse havengebied met grote opslagtanks en walmende pijpen van chemieconcerns. Zeecontainerschepen varen naast ons op de Westerschelde. De westenwind is straf en blaast pal in ons gezicht. De grasdijk met schapen en lammeren strekt zich eindeloos voor ons uit. De geur van zoete meidoorn en koolzaad vermengt zich met de lucht van pittige ui en de zilte zee. Af en toe staat er ergens een verlaten boerderij, die wat afwisseling in het landschap brengt.
We ploeteren voort tegen de wind in. Om iets minder wind te vangen fietsen we onder langs de dijk in plaats van erover heen. Het nadeel is dat we geen zicht hebben op de zee en aankijken tegen de grasdijk met schapen die ons gedag lijken te zeggen met hun geblaat.

We hebben honger en gaan in het dorpje Waarde op zoek naar eten. We fietsen een rondje om de kerk, maar nergens een spoor van een winkeltje. Het is met fietsen de kunst om net genoeg eten mee te nemen dat je een basisvoorraad hebt; teveel eten past niet in de fietstas en zorgt voor onnodig veel gewicht, te weinig eten kan ervoor zorgen dat je met een lege maag verder moet, omdat je niets kunt vinden. Ons motto ‘alles komt goed!’ komt ook deze keer weer uit. We treffen een fruitkraam die net aan het opbreken is. We kopen een tomaat, kersen, een peer en een appel. Op een bankje in de zon met uitzicht op het water, dat zich langzaam terugtrekt waardoor de zanderige bodem tevoorschijn komt, eten we crackers met tomaat, mueslireepjes en fruit. Er komt een man met een lelijk Zeeuws accent naast ons zitten. Hij is verlegen om een praatje. Hij vertelt dat de corona in dit gebied hoger is dan het landelijk gemiddelde. De mensen kruipen hier bijeen in de kerk en vertrouwen op de Heer. Hij heeft zelf niet zo’n vertrouwen in Gods hand, heeft al verschillende mensen zien sterven aan het virus. Hij behoort tot de schamele vijf procent van de bevolking op Zuid-Beveland die zich laat inenten tegen corona.

Na onze fruitlunch vervolgen we onze tocht tegen de wind in. We fietsen inmiddels over een dijkje met uitzicht op het water en de vele vogels die hier op het drooggevallen wad hun voedsel bijeen pikken. We passeren Kruiningen en bij Hansweert steken we via een brug het sluizencomplex over het Zuid-Bevelands kanaal over. We staan een tijdje te kijken naar de schepen die in de sluis liggen. Ineens horen we iets omroepen waarbij het woord dames valt, de rest kunnen we niet verstaan. Maar als er ook een belsignaal klinkt, begrijpen we dat we ons snel uit de voeten moeten maken, omdat de sluisdeuren waar we op staan binnen afzienbare tijd omhoog zullen gaan.

Als we het smalle deel van het eiland gepasseerd zijn fietsen we meer het binnenland in. Langs kleine bosschages, rietvelden en plassen. Net onder Goes bij het dorpje ’s Gravenpolder vinden we een prachtige natuurcamping. Het toiletgebouw ligt verscholen onder de grond en er is een mooie binnenplaats met een rond houten dak waar je lekker kan zitten mocht het slecht weer zijn. Maar vanmiddag is de zon gaan schijnen en we hebben allebei ons gezicht verbrand. We gloeien als rode kooltjes in het vuur. Mijn handen zijn ook verbrand en laten een scherpe grens zien met mijn witte polslijn.
De plekken op deze camping zijn zeer royaal. We trekken onze lange broeken uit en laven onze witte benen aan de zon. We hebben de tijd om lekker rustig aan te doen. We zitten in de zon en drinken eerst een kopje thee met wat lekkers. Dat hebben we wel verdiend na zo’n lange dag tegen de wind in fietsen. Ondertussen krijgen we allemaal appjes van vrienden en familie die meer landinwaarts in de regen zitten en enigszins medelijden met ons hebben.
We grijpen deze kortstondige zonnige periode aan om onze fietsbroeken te wassen en te drogen te hangen in de wind. De uitgeknepen zemen blijven lang vochtig, maar we vinden een droogrek en hangen de was te drogen in het warme toiletgebouw.
Vanavond kook ik voor de afwisseling. Het wordt pasta met spinazie á la boursin, champignons en kaasflakes. Ik heb altijd moeite om iets te bedenken voor het eten. Ben daar niet zo creatief in. Vaak vergeet ik het zelfs helemaal en komt pas het besef dat ik iets te eten moet regelen als mijn maag knort. Margo daarentegen zit boordevol ideeën wat betreft het samenstellen van smakelijke, voedzame maaltijden. Ze duikt even de supermarkt in en hop daar is ze weer met een gevuld rugzakje met lekkernijen. Ik ben telkens weer verrast door wat ze heeft meegenomen. De ene keer bananenpannenkoekjes, dan weer griekse yohurt met honing, ingrediënten waarmee ze een maaltijd salade tevoorschijn tovert inclusief geroosterde pijnboompitjes en nog veel meer. En dat allemaal op ons één pits gasbrandertje.
We liggen vroeg in ons tentje, want na het zakken van de zon wordt het ijzig koud. Voor morgen is er weer regen voorspeld.

Dag 4 – De Zeeuwse kust
(’s Gravenpolder – Vebenabos  – 56 km)

Het is zwaar bewolkt maar droog als we wakker worden. We pakken snel onze tent in en lopen naar de binnenplaats om te ontbijten. Dan merkt Margo dat haar voorband leeg is. Terwijl ik het ontbijt maak en de fietsbroeken van het wasrek haal, plakt Margo de band van haar fiets. Het is handig dat we een wasbak met water bij de hand hebben, want het is een klein lekje dat lastig te vinden is.
Bij het dorpje Nisse ontdekken we bij de kerk een piepklein terrasje. Het wordt thee, cappuccino en verse worteltaart. Nisse is een leuk dorpje met huizen van felrood gemêleerde bakstenen met typisch Zeeuwse gevelstijl en donkergekleurde vensters. We fietsen door Zeeuwse polders en hoge graslanden met bloeiende meidoornhagen die hoog opgeschoten langs de weg staan om ons te beschutten tegen de wind.
Rond een uur of twee zijn we in Middelburg, bekend terrein voor Margo, waar we op een terrasje met uitzicht op het Middeleeuwse gemeentehuis een tosti verorberen. Vanuit Middelburg is het niet ver meer naar Vlissingen. Margo krijgt vleugels en fietst blij rond in haar korte broek. Ik houd stug al mijn kleding aan. We stappen over van de LF 13, die hier eindigt, op de Kustroute. Een route die ook met bordjes is aangegeven.


In hartje Vlissingen stoppen we bij een supermarkt. Margo attendeert me op een louche type met capuchon die verdacht tegen een grote pilaar aan leunt, precies zo dat ik hem niet kan zien. Ik bewaak de fietsen, terwijl Margo de boodschappen doet. De louche figuur verdwijnt snel als ik mijn blik strak op hem gericht houd.
Ik vind Vlissingen echt een mooie stad. Stijlvolle huizen aan het water, overal bootjes, kinderkopjes, uitkijkpunten en natuurlijk het strand dat zich geel voor ons uitstrekt. Enorme schepen die vlak langs de kust varen. We genieten even van de zee en fietsen dan weer verder. Iets voorbij Vlissingen bij Vebenabos vinden we een boerenminicamping. We hebben het veld bijna voor ons alleen, er staat nog één caravan. We planten onze tentjes aan de rand van struiken in de late middagzon. Snel de korte broeken aan en genieten van deze schaarse zonnige momenten. We eten een maaltijdsalade met gerookte kip, pistache noten en gekookt ei. Na het eten wordt het snel fris.
Om warm te worden lopen we naar zee. Op een duin kijken we naar de passerende schepen en de zon die langzaam in de zee zakt. Het belooft met zo’n vijf graden een bitter koude nacht te worden. Ik trek alle kleren aan die ik zo ongeveer bij me heb en lig nog te rillen. Had ik toch maar voor die iets dikkere slaapzak gekozen.

Dag 5 – Piraat in de duinen
(Vebenabos – Scharendijke – 65 km)

Mijn oog was gisteren al wat geïrriteerd door de wind en de kou, vandaag is het dik en rood als ik opsta. Het traant voortdurend en daardoor kan ik het nauwelijks open houden. Ik zie wazig en dat is erg vermoeiend. Ik besluit het oog af te blokken door mijn zwarte mondkapje er overheen te trekken. Ik zet het mondkapje vast met speldjes. Ik voel me net een piraat met één oog. Margo fietst met haar knal oranje jasje als een baken voor me uit. Ik focus me op het oranje voor me. Ik zie echt slecht. Een  deel van mijn gezichtsveld is verdwenen. En dat net nu we door een prachtig duinlandschap fietsen.
Bij Domburg fietsen we door een bosgebied. Ik voel me onzeker op de fiets, omdat ik de hoogteverschillen en bobbels op het fietspad niet zie. In Domburg hebben we een lekkere pauze bij een koffietentje waar ik verse Verveine thee neem. We kopen een aantal toeristische kaartjes van het strand, de duinen met fietsen en een zeehond en sturen die naar het thuisfront.

Het mondkapje gaat weg en ik doe eerst mijn zonnebril op en plaats daar schuin overheen mijn buf tegen de wind. De kustroute is echt prachtig voor wat ik ervan kan zien.
Zoals gehoopt toen we onze route planden, is de wind zuidwest en blaast pal in onze rug. We vliegen dan ook over de Oosterscheldekering langs Neeltje Jans en de Roggeplaat naar het volgende Zeeuwse eiland. De tocht gaat verder door het natuurgebied van Westenschouwen waar Margo haar befaamde eiersalade maakt door gekookte eieren met mayonaise en wat peper en zout fijn te knijpen in een plastic zakje.


Mijn darmen vertellen mij al een tijdje dat ik naar het toilet moet. Ik negeer dit signaal zo goed als mogelijk, want er is nergens gelegenheid. Uit het niets duikt een wit huisje op. Is het wat ik denk? Ja, het is een openbaar toilet en er is nog toiletpapier ook. Wonderlijk hoe we telkens op onze tocht precies tegen komen wat we nodig hebben.
We komen in wat toeristischer gebied met plaatsen als Burg-Haamstede en Renesse. De campings zijn hier groot en lux. Margo wil nog wel doorfietsen naar het volgende eiland, maar ik heb de knollen op. Het is vermoeiend om de hele dag wazig te zien en met één oog de wereld te aanschouwen. Bovendien is er storm op komst en zoeken we een windvrij onderkomen voor de nacht, wat nog wel eens lastig kan worden omdat het Pinksterweekend is. Terwijl ik buiten op een stoel moedeloos mijn hoofd in mijn handen laat zakken, zie ik een beetje viezige man in zijn kantoor draaiend op zijn bureaustoel bellen. Hij blijft wel tien minuten aan de lijn. Plotsklaps komt Margo opgetogen met de man naar buiten. ‘Het is geregeld’, zegt ze. We lopen naar een gebouw, de man opent met een sleutel de deur voor ons en zegt: ‘zet de fietsen ook maar gewoon binnen hoor’. Voor ons ligt een grote ruimte met een achttal tafels en stoelen er omheen. Het is de kantine en wij mogen vannacht in deze ruimte onze matjes neerleggen. De viezige man zegt nog, dat het wel wat vies is, want er is lang niet schoongemaakt en overhandigt ons de sleutel. ‘Fijn dat ik jullie blij heb kunnen maken’, zegt hij en Margo stopt hem vijfentwintig euro in de hand. Binnen maken we een kleine vreugdedans. We hebben een overnachtingsplek gevonden waar we stormproof de nacht kunnen doorbrengen. Margo vertelt dat de man alles in de omgeving had afgebeld om onderdak voor ons te regelen, maar alles had vol gezeten. Toen had hij gezegd dat we als we vannacht moesten schuilen, we wel in de kantine mochten gaan liggen. ‘Mogen we ook direct in de kantine gaan liggen?’, had Margo ad rem gevraagd en zo was het gekomen. We konden via een verbindingsdeur zelfs binnendoor naar de douches en de toiletten. We hingen de natte tenten te drogen, maakten een lekkere maaltijd en zaten met een slaapzak over ons heen te kletsen, want het was koud in de kantine. We legden onze matjes op het grondzeil en installeerden ons voor de nacht.
De wind loeide, de regen ramde op het dak, maar wij lagen lekker droog en beschut.

 

Dag 6 – Relaxen
(Scharendijke – Oostvoorne  – 44 km)

Margo vond mijn oog er beter uitzien. Ik vond dat niet. Mijn oog deed zeer en ik maakte me zorgen. Margo maakte twee foto’s van mijn oog en die zond ik voor advies naar mijn huisarts, die schreef een recept voor een antibioticazalfje voor dat ik tegen de middag op kon halen bij een apotheek in Rockanje. Top geregeld. Gerustgesteld klom ik weer op de fiets. Het idee dat er iets aan mijn oog gedaan kon worden, zorgde er direct voor dat ik minder last had van de klachten.
Overal lagen afgewaaide takken en bladeren op de weg. Het stormde nog steeds. Als de wind schuin stond werd ik zomaar tien centimeter opzij gezet. Het was koud, nat en winderig. Maar we hadden de wind in de rug. Met windkracht zeven bliezen we over de Brouwersdam naar Goeree-Overflakkee. Het waaide zo hard dat ik niet eens hoefde te trappen. Af en toe blies de wind me zo hard voorwaarts dat ik het zelfs een beetje eng vond. In het leuke plaatsje Goedereede pauzeerden we op een terras met een kop thee en cappuccino. Het vriendelijke meisje dat ons bediende adviseerde ons de Maasvlakte te vermijden, omdat het daar erg vlak is en de wind er vrij spel heeft. Bovendien was het onzeker of het pontje dat ons van de Maasvlakte naar Hoek van Holland zou brengen in de vaart was met dit onstuimige weer.
Eveneens met de wind in de rug passeerden we de Haringvlietdam en kwamen aan op Voorne-Putten waar we in Rockanje op zoek gingen naar de apotheek en mijn antibioticazalfje ophaalden.
Toen was het eindelijk tijd voor een visje. De hele vakantie had ik daar al naar uitgekeken. Op het gezellige marktplein scoorden we een groot portie kibbeling met ravigotte saus. Hier leerden we dat we al lang Zeeland uit waren en dat we ons in Zuid-Holland bevonden.
Aangekomen in Oostvoorne moesten we een beslissing nemen over de route die we gingen volgen. We stopten bij een uitzichttoren en klommen omhoog. We keken uit over zee en de duinen. De Maasvlakte op, gokken dat het pontje zou gaan en de route langs de kust vervolgen of afbuigen en overstappen op de Maasroute? Een keiharde windvlaag blies ons bijna omver. Het was duidelijk. Die Maasvlakte moesten we niet doen. Te gevaarlijk met die harde windstoten. Vanaf nu gingen we de Maasroute volgen. We bogen af en kregen de wind van opzij. Het was hard werken. Margo had een hele leuke overnachtingsplek gezien op internet die ons lonkte. Het was nog wel een beetje vroeg, maar we hadden een relaxte middag wel verdiend vonden we.
Helaas was alles vol geboekt voor het Pinksterweekend. Toch kwam er weer een oplossing. Er was een blokhut die pas de volgende dag verhuurd was, maar al wel helemaal in orde gebracht voor de nieuwe bewoners. Wij mochten er slapen als we onze matjes op de grond legden en alles pico bello achter zouden laten. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen.
Wat hadden we weer een mooi plekje gevonden. Eerst dronken we een kopje thee op de veranda, maar al snel gingen we naar binnen, want het was te fris om buiten te zitten, ook al scheen er een waterig zonnetje. Ik ontfermde me over de was, die we te drogen hingen aan een rek op de veranda. Al snel zagen we onze fietsbroeken in de heg bij de buren hangen en misten we een paar sokken.
We maakten dankbaar gebruik van de cateringservice en bestelden een maaltijd bij het eetcafé van de camping. Zalm, frites en salade. Jammie. Bij de thee nog een Zeeuwse bolus. Het werd een latertje voor ons, we bleven lang kletsen en speelden een paar spelletjes Punto.

 

Dag 7 – Regen, regen, regen
(Oostvoorne – ’s Gravendeel – 66 km)

In de spetterende regen met onze capuchon op hebben we moeite de Maasroute te vinden. Na een half uurtje fietsen zijn we weer bij ons startpunt van de dag. We hebben blijkbaar ongemerkt een rondje gefietst. Een bonustrack voor extra kilometers zo grappen we.
Eenmaal op de route hebben we aan onze linkerkant uitzicht op petrochemische industrie van de Maasvlakte. Het oogt bijzonder lelijk en we zijn blij dat we daar niet tussendoor hoeven te fietsen. Het hoogtepunt van de dag is Spijkenisse. Echt een plaats die je niet wilt missen…. We maken nog een extra rondje alvorens we de brug over de Oude Maas pakken naar Hoogvliet Rotterdam.

We fietsen al uren door de regen en we zijn dringend toe aan een leuke pauzeplek. Niet veel later ontdek ik een donker houten gebouw. Ik stop en rijd er naar toe, Margo heeft er niet veel vertrouwen in, maar ik ga toch even kijken of het open is. ‘Alles komt goed’, zeg ik tegen Margo, ‘follow mee.’ Met lichte tegenzin komt Margo met haar fiets achter me aan. Aan de achterkant van het gebouw is een overdekte veranda met terrasverwarmers, dekentjes en zitbanken met zachte kussens. We pellen onze natte kleding uit en hangen die over een stoel te drogen. We nestelen ons onder de heater in een fleecedeken en bestellen tomatensoep en een broodje kroket. Het smaakt hemels. Als we zijn opgedroogd en opgewarmd bezoeken we nog even het toilet en dan trekken we onze natte kledder weer aan. In loop van de middag wordt het zowaar droog. Met een pontje steken we bij Zwijndrecht de Oude Maas weer over naar Puttershoek, vandaar uit gaan we naar ’s Gravendeel.
Net voor sluitingstijd bezoeken we een bijna lege bakkerij. Er is nog boterkoek en er zijn nog Zeeuwse moppen. Het brood is allemaal op. De vriendelijke dame die ons helpt vraagt waar we overnachten. Ze weet namelijk nog wel een passende plek voor ons. Ze verdwijnt naar achteren en we vragen ons af wat ze allemaal aan het doen is. Blijkt dat ze een routebeschrijving voor ons heeft uitgeprint naar Camping Polderland. Als ze uitlegt hoe we er moeten komen, lijkt het een heel eind de verkeerde kant op, maar uiteindelijk is het nog maar iets van drie kilometer. In het centrum van ’s Gravendeel doen we inkopen voor de avondmaaltijd en het ontbijt. Ik bel naar de camping met de vraag of ze twee fietsende dames een warm en comfortabel onderdak kunnen bieden. Dat blijkt geen probleem. ‘Kom maar deze kant op, ik heb verschillende opties voor jullie’, antwoord de campingeigenaar. Als we op de camping arriveren doen we hem de groeten van Jeanette van de bakkerij, die ons zo spontaan de camping heeft aanbevolen. De eigenaar neemt ons mee naar een fantastisch huisje met verwarming, eigen keuken en douche en toilet en twee slaapkamers. En dat alles voor de prijs van veertig euro. We trekken onze natte schoenen en sokken uit en laten onze weke, bleke voeten drogen in de buitenlucht.
We zetten de thermosstaat op twintig graden en hangen al onze natte spullen op de verwarming. Zelf ontploffen we bijna van de hitte en lopen met een rood hoofd door ons huisje. Zoveel aangename warmte zijn we niet meer gewend. We hebben trek en slaan een stuk boterkoek en een flink aantal Zeeuwse moppen achterover totdat ik misselijk ben en de restjes wegspoel met een warme mok thee. Het diner bestaat vandaag uit een broodje hamburger met salade en een broodje broccoliburger.
Maar eerst regel ik mijn coronavaccinaties. Frans had me geappt dat ik een oproep had gekregen. Het lukte niet om via internet een afspraak te maken, maar telefonisch lukte dat wel. Ik kon niet in Doetinchem terecht waar Margo de prikstraat bemant. Ik had het leuk gevonden om door haar geprikt te worden, maar het is Lichtenvoorde geworden. Op 31 mei de eerste prik met Pfizer of Moderna en op 5 juli de tweede vaccinatie.
’s Nachts lig ik in een heerlijk zacht tweepersoonsbed, voor het eerst deze vakantie zonder extra kledinglagen en zonder pijn aan mijn heup.

Dag 8 – Bezoek
(’s Gravendeel – Rumpt – 79 km)

Uitgerust word ik wakker. We zijn vroeger dan anders en zitten al snel op de fiets. Het is lekker fietsweer vandaag. Op de vroege Pinkersterochtend fietsen we door het centrum van een verlaten Dordrecht. Een leuke havenstad met oude houten boten, slingerende grachten, kleurige huizen en gezellige pleinen met grote bloeiende kastanje bomen. Daarna koersen we richting de Biesbosch met zijn vele water- en weidevogels. Met een pont steken we de Nieuwe Merwede over en komen dan in het echte waterland uit. Stil genieten. Net op tijd kom ik erachter dat het pontje over het Steurgat is gestremd. We kijken op de navigatie-app van Margo en kiezen een alternatieve route die ons naar Werkendam brengt. Via Sleeuwijk en Hoekeinde bereiken we Woudrichem waar we de pont pakken naar Gorinchem waar op een terrasje bezoek op ons wacht.
Onze mannen, Hans en Frans, zijn ons met een bezoek komen vereren. Ze hebben warm thermo-ondergoed voor ons meegenomen om de koude nachten iets te verzachten en nemen vuile was en t-shirts voor mooi weer mee terug naar huis. Hans heeft ook de nieuwe slippers voor Margo mee genomen, waar ze erg blij mee is.
We hebben vandaag stevig doorgefietst om de afgesproken tijd te halen, we zijn slechts tien minuten te laat en hebben er voor de lunch al vijftig kilometer opzitten. We vinden een fijne lunchplek waar we de mannen onze verhalen vertellen en uitgebreid bijpraten, terwijl we een stevige lunch verorberen. Rond een uur of drie stappen we uitgezwaaid door Hans en Frans weer op de fiets. We stappen over van de Maasroute op de LF9, die loopt tussen Bad Nieuwe Schans in Groningen en Breda. Aan de overkant van de Merwede zien we slot Loevestein liggen. We fietsen door de West Betuwe en volgen het riviertje de Linge over een dijkje dat ons slingerend naar Kedichem, Vogelswerf en Leerdam brengt. Dit gebied ken ik van eerdere fietstochten op mijn racefiets. Vooral in het voorjaar als de appelbomen in bloei staan is het hier prachtig. Via fort Asperen, gaan we naar Acquoy, Gellicum en tenslotte naar camping de Pit in Rumpt.
Op een vers gemaaid grasveldje onder de appelbomen slaan we onze tentjes op. Het toiletgebouw heeft vloerverwarming en mocht het vannacht weer heel koud worden dan neem ik me voor het matje in één van de douches te leggen. Er is een kapschuur waar we onze fietsen droog kunnen neerzetten en waar we aan een tafel onze maaltijd bereiden. Een zak droogvoer waar we alleen wat warm water bij hoeven te doen. We mengen het met een beetje extra rijst. Het is nasi met cashewnoten en het smaakt prima. We besluiten de maaltijd met een kop thee en boterkoek. Daarna doen we nog een spelletje Punto.
In de douche grapt Margo: ‘vannacht doe ik mijn vierentwintiguurs broek weer aan.’ Het belooft wederom een koude nacht te worden en het is inmiddels routine geworden om voor het slapen gaan warm te douchen en ons dan te hullen in alle warme kleding die we bij ons hebben. We hebben eigenlijk al dagenlang dag en nacht dezelfde kleding aan. Mijn nachtkledij bestaat uit: warme sokken, een lange thermo-onderbroek met daar overheen een lange wandelbroek, thermoshirt met lange mouwen, fleecejack en donsjas, buf en capuchon.

 

Dag 9 – De stal lonkt
(Rumpt – Arnhem – 77 km)

Op camping de Pit hangen overal gedichtjes van de eigenaresse. In de bomen, op het toilet, in de kapschuur. Ook staan overal boeketjes met vers geplukte bloemen. Het is een camping die met zorg en aandacht wordt gerund. De douches zijn warm en schoon en er hangt ontsmettingsmiddel om je handen te desinfecteren.
We ontbijten met warme pannenkoekjes met banaan en jam. Echt super lekker! De weersvooruitzichten zijn ronduit slecht. De komende dagen blijft het koud en nat. Ik opper dat we in twee dagen thuis kunnen zijn, Margo denkt dat we zelfs vanavond al in ons eigen bed kunnen liggen. Dat lijkt me wat te ver om in één dag te fietsen. Maar ik vind het ook geen aantrekkelijk vooruitzicht om in Arnhem te overnachten. Als ik zo dicht in de buurt van Doetinchem ben ruik ik de stal en wil ik naar huis. De trein lijkt een aantrekkelijk alternatief voor onze laatste etappe naar huis. We zullen zien hoe het gaat lopen. Voorlopig regent het weer als we op de fiets stappen. Ik trek ’s ochtends direct mijn regenpak aan, dat is handig als ik op het natte gras moet zitten bij het inpakken van de tent of op een nat bankje onderweg. De route is mooi en voert ons langs landgoed Mariënwaerdt, fruitstad Geldermalsen, via Buren naar Ravenswaay waar we het pontje naar Wijk bij Duurstede nemen. We zijn inmiddels in de provincie Utrecht aangekomen. Net op tijd vinden we weer een gezellige en warme lunchplek met verwarming, kaarsjes en dekens om op te warmen. We zitten onder een overkapping aan de rand van het water waar de regendruppels in grote bellen uiteen spatten. De aspergesoep smaakt ons goed.
We stappen over van de Lf 9 op de LF 4 die van Den Haag naar Enschede gaat en komen terecht op de Utrechtse Heuvelrug langs statige buitenplaatsen en landgoederen in Amerongen, Rhenen en Wageningen. We fietsen over fietspaden vlak langs de rivier. In Doorwerth hebben we nog een venijnig klimmetje door het bos dat me de adem beneemt en mijn benen laat verzuren.

Margo wil nog wel doorfietsen naar huis, maar ik vind het alternatief met de trein te aantrekkelijk. Die laatste dertig kilometer zullen echt niet lollig zijn en ik vind het jammer onze reis chagrijnig te eindigen. Ik app Frans dat de stal lonkt en ik graag wil mee eten. Hierop biedt mijn held aan ons op te komen halen. We nemen dit aanbod met beide handen aan. Ergens tussen Oosterbeek en Arnhem worden we opgepikt. We zetten Margo af in Nieuw-Wehl waar ze haar jarige dochter gaat verrassen met een onverwacht bezoek. Natuurlijk fietst ze de laatste kilometer naar het huis van haar dochter. Stoer zo’n moeder!

En dan ben ik weer thuis. Het is vreemd om na negen dagen weer binnen te zijn in een warm huis. En om te slapen zonder sokken aan en zonder muts op mijn hoofd. Maar het went ook weer heel snel.

Ik heb genoten van het fietsen, van de groei van mijn conditie, van het buiten zijn, de vele mooie landschappen, de leuke lunchplekjes die we telkens vonden, de blokhutten en campings, de maaltijden die Margo bereidde op haar éénpits kooktoestel, het druppen van de regen op het tentdoek als ik lekker knus in mijn slaapzak lag en natuurlijk van het gezelschap van mijn fietsmaatje Margo.

Wat mij betreft smaakt het naar meer!

Tegenwind

Ik had een koude, winderige dag uitgekozen om mijn excentrieke, jarige tante te verrassen met een bliksembezoek. Het was een mooie gelegenheid om mij voor te bereiden op mijn aanstaande fietsvakantie en mijn splinternieuwe fietstassen uit te proberen. Toen ik mijn felblauw gekleurde fietstassen voor de trekkingbike ging inpakken, merkte ik al snel dat het een hele andere manier van denken vergde dan wanneer ik met de racefiets op stap ging. Bij de racefiets was ik eraan gewend geraakt zo weinig mogelijk mee te nemen; alleen dat wat in de zakken van mijn wielrenshirt paste. Thuis moest ik al beslissen welke kleding ik aan zou doen en ook qua eten kon ik alleen het hoognodige meenemen. Nu met de nieuwe fietstassen kon ik mijn beslissingen uitstellen: ik nam drie paar schoenen mee om onderweg uit te testen, ik propte regenkleding in de tassen, vulde een thermoskan met heet water, voegde een mok, brood, banaan, appel en mueslireep toe, besloot ook nog maar mijn dons jasje en fleecejack mee te nemen en nog zaten de fietstassen niet vol. Toch was ik er niet helemaal happy mee.
De fietstassen waren stug en ik vond het onduidelijk hoe ik ze dicht moest maken. Toen ik onderweg stopte voor een pauze kon ik in de tassen niet vinden wat ik nodig had; het was een wanordelijke bende waar ik niets in terug kon vinden. Ik vond het irritant dat ik de hele tas open moest maken, ik miste een rits en een handig klein zakje waar ik dingen als mijn telefoon, bankpas en zonnebril in kon doen. De telefoon zat nu in de grote zak en telkens als ik even wilde kijken voor de route moest ik stoppen, de fietstas open maken, graaien en zoeken naar de telefoon, die natuurlijk naar beneden gezakt was… Kortom, ik begon al enigszins humeurig aan de tocht.
Dat ik van begin af aan wind tegen had hielp ook niet mee. Ik heb nu eenmaal een hekel aan wind, vooral aan koude, noorden wind. Om de wind enigszins te omzeilen koos ik voor een fietspad door het bos. Toch lukte het niet echt te genieten van de tocht, mijn hersenen waren gefixeerd op mijn nieuwe fietsonderbroek met zeem, die knelde en schuurde tegen mijn billen. Bovendien kreeg ik al snel last van mijn rechterknie. Het duurde even voordat ik me realiseerde dat dat waarschijnlijk kwam, omdat ik te zwaar trapte tegen de wind in. Ik vond het fietsen met de lompe fietstassen zwaar en log in vergelijking met de tochtjes op de racefiets. De fietstassen klapperden en knarsten toen ik over de hobbelige keien in het centrum van Doesburg reed en ook ik zelf werd flink door elkaar geschud. Ik liet mijn mopperstand even varen toen ik door de Havikswaard fietste langs geurende witte bloesems en weilanden vol pinksterbloemen en er een waterig zonnetje aan de hemel verscheen. Ik vervolgde mijn tocht met aan de rechterhand de heuvelrug van de Posbank, langs statige herenhuizen en mooie oude bomen. In Velp kocht ik bij patisserie Christian twee gebakjes met gele room en verse aardbeien, die ik voorzichtig bovenin één van de fietstassen plaatste. Het was druk in het centrum van Velp; voetgangers, fietsers en automobilisten krioelden door elkaar heen alsof er geen corona bestond. Terwijl ik voortploeterde werd ik regelmatig ingehaald door schijnbaar moeiteloos fietsende oude van dagen op een e-bike, oude mannen op een racefiets, moeders op een bakfiets en jonge meiden op een stadsfiets.
Ik verliet de drukke hoofdweg en sloeg rechtsaf richting Rozendaal waarmee ik aan een flinke klim omhoog begon. Voldaan kwam ik boven aan en constateerde dat ik mijn bezoekadres op drie kilometer was genaderd. Ik hoefde alleen nog maar linksaf te slaan en die weg een aantal kilometers te vervolgen. Toen ik de heuvel omlaag knalde, drong het tot me door dat ik waarschijnlijk te vroeg naar links was gegaan en de heuvel opnieuw zou moeten beklimmen. Dapper klom ik de berg weer op. Voor de zekerheid even checken op google maps of ik goed zat. Nee, ik moest toch een andere kant uit dan ik had verwacht. Dus hop de heuvel weer af. Al snel was ik aan het ronddolen door de stad en had geen idee meer welke kant ik uit moest. Ik was al drie kwartier aan het heuvel op en af fietsen en de afstand tot mijn doel was nog steeds drie kilometer. Uiteindelijk bereikte ik toch bekend terrein en vond ik na enig zoeken het juiste adres. Ik parkeerde mijn fiets in de voortuin en belde aan.

In mijn hoofd had ik een beeld van mijn tante die verbaasd maar blij in de deuropening stond, terwijl ik haar feliciteerde en de twee gebakjes overhandigde. Daarna zou ze me blij verrast uitnodigen om binnen te komen en zouden we gezellig samen van het gebakje smullen. Het was mijn bedoeling haar een leuke verjaardag te bezorgen. Ze zat al meer dan een jaar alleen in haar huisje en had alleen wat contact met haar buren. Ook had ik rekening gehouden met het scenario dat ze – ondanks dat ze vrijwel nergens naar toe ging – niet thuis zou zijn. Maar het liep anders dan ik had verwacht.
Na het aanbellen, hoorde ik gestommel en daarna een luide roep met ‘ik kom er aan hoor’, de deur werd van het slot gedaan en daar stond mijn tante met een zwart mondkapje waarop twee panters waren afgebeeld. Het eerst wat ze zei was: ‘oh ben jij het, hoe kom jij nou hier verzeild? De bloemen zijn er al hoor, die staan al in de vaas.’ Ik had voor haar verjaardag een bos bloemen met een kaartje gestuurd, omdat ik toen nog niet van plan was om langs te gaan. We bleven even sprakeloos staan. Toen feliciteerde ik haar en probeerde haar de gebakjes te geven, maar ze deed een stap opzij en zei:  ‘kom dan maar even binnen.’ Het was niet onaardig, maar het was ook niet heel uitnodigend. Het voelde ongemakkelijk. Ik had beter even kunnen bellen dat ik in de buurt was, zo realiseerde ik me, ik had haar nu natuurlijk overvallen. Maar ik had haar ook niet onnodig nerveus willen maken voor mijn bezoek.
Ik kreeg een kopje thee. Zelf nam ze niets, want ze had al koffie gehad. De twee gebakjes stonden op het aanrecht. Die zou ze van de week een keer als toetje eten, zo vertelde ze me. En daar zat ik dan op de eikenhouten bank recht tegenover haar, terwijl ik nipte van mijn kopje thee en ik enorm verlangde naar een van de overheerlijke gebakjes die ik had meegenomen of in ieder geval iets anders om mijn honger te stillen.
Haar huisje was net een museum, elke vierkante meter was gevuld met kunstvoorwerpen. Speren en schilden van geitenvel, etsen en schilderijen, beelden van wilde dieren, droogboeketten, wandkleden en boeken. Heel veel boeken.
Ik had het gesprek op reizen gebracht, want daar werd ze meestal vrolijk van zo wist ik uit ervaring. Al snel zat ze beeldend te vertellen over haar reizen naar Zuid-Afrika, Namibië en Botswana. Afrika het continent waar ze haar hart aan had verpand en waar ze bijna was gaan wonen als haar man toen niet ziek was geworden. Reizen waar ze met een grote glimlach aan terugdacht. Reizen die ze alleen als oudere dame van in de zestig had ondernomen. Mijn excentrieke tante die aan de ene kant zoveel weet en wereldwijs is en aan de andere kant soms tenenkrommende opmerkingen kan maken in gezelschap, rollend met haar grote ogen en blazend van verontwaardiging en nog leeft in een wereld van vijftig jaar geleden. Ze is alleen bereikbaar via een geheim nummer op haar vaste telefoon die aan een snoer vastzit en naast de bank staat. Ze had haar huisarts een handgeschreven brief gestuurd om te vragen wanneer ze aan de beurt was voor haar vaccinatie tegen corona. Ze is heus goed geïnformeerd over alles wat er in de wereld gebeurt en ze is geestelijk volkomen helder, alleen moderne technologie als een laptop, mobieltje of telebankieren hebben niet haar interesse. Ze heeft een hart van goud, maar toch voel je je meest van tijd enigszins opgelaten in haar gezelschap, al is het moeilijk onder woorden te brengen waar dat precies door komt.

Ze zwaaide me uit, terwijl ze in de voortuin stond in haar knalgele ensemble van een duur merk met de snit uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Voor een tientje op de vlooienmarkt gekocht, maar van een heel goed merk, zo had ze me toevertrouwd. Ik kan het wel waarderen als iemand zo zijn eigen stijl heeft. Ze is beslist authentiek en zichzelf, maar zeker ook een tikkeltje wereldvreemd.

Ik liet me de heuvel afrollen, fietste door mooie stadsparken en door wijken met oude arbeidershuisjes. Al fietsend at ik twee boterhammen met pindakaas. Het was koud. In Velp stopte ik weer bij patisserie Christian en kocht opnieuw twee gebakjes. Ditmaal met het idee ze samen met Frans op te eten.
Ik fietste langs landgoed Biljoen en kwam uit op het dijkje richting Westervoort. Tegen het verkeer in fietsend stak ik de brug over de IJssel over. En toen was het nog zevenentwintig kilometer tegen de wind in naar huis.
Ik reed met de wind in mijn gezicht over de dijk richting Lathum, Bahr en Giesbeek en ik begon te begrijpen wat mijn fietsvrienden bedoelden met afzien. Tot nu toe had ik mijn fietstochten altijd met plezier beleefd. Natuurlijk zat het wel eens even wat tegen, maar dat duurde nooit lang. Ik vond het niet erg om nat te regenen of om wind tegen te hebben, maar vandaag was dat anders. Ik vond er voor het eerst sinds mijn fietsrevival helemaal niets aan. Ik kon me gewoon niet meer voorstellen wat er leuk was aan fietsen. Waarom was ik hier eigenlijk aan begonnen? Ik vond de wind onaangenaam, het fietsen zwaar en ik verlangde enorm naar warm op de bank zitten met een kopje thee en een gebakje.

De terugtocht leek eindeloos lang. Ik vond het landschap saai en monotoon. Telkens verwachte ik dat ik eindelijk de wind in de rug zou krijgen, of in ieder geval van opzij, maar dat gebeurde niet. De wind leek met me mee te draaien. Op een bankje bij camping Siebieverden in Eldrik at ik kleumend één van de twee gebakjes op, met plakkerige handen stapte ik even later weer op de fiets. Klaar voor de laatste etappe. Koud en knorrig arriveerde ik rond zes uur bij ons huis. Ik installeerde me op de bank met een deken, een kopje thee en gebakje nummer twee. Dat had ik wel verdiend vond ik na zoveel tegenwind.

De tegenwind was niet alleen fysiek, maar zat vooral in mijn hoofd zo realiseerde ik me. Het was mijn mindset die het onaangenaam maakte, niet de wind. Bij iedere trap was ik bezig met zo snel mogelijk thuis zien te komen, verlangde ik naar warmte, thee en iets lekkers als beloning, hierdoor was ik niet aanwezig in het hier en nu en daardoor kon ik niet genieten. Ik was teveel bezig met een moment in de toekomst. Als ik maar eenmaal thuis ben, dan wordt het beter, zo dacht ik en hiermee ging ik voorbij aan het mooie en waardevolle van wat zich op dat moment onder mijn neus afspeelde.  Het is goed dat ik nu weet wat afzien is. Maar een volgende keer ga ik gewoon weer als vanouds genieten van het fietsen heb ik me voorgenomen.

Zwerven

Ik ben een zwerver. Niet in de strikte betekenis van een armlastig persoon zonder vast woonadres, want ik woon in een prachtig huis en slaap bijna altijd met een dak boven mijn hoofd, maar in de zin van iemand die graag rondtrekt zonder vastomlijnd plan.

Zwerven staat bij mij voor ontdekken en avontuur. Op verkenningstocht gaan, ronddwalen zonder strak gedefinieerd doel, onbekende wegen inslaan en niet precies weten waar je uit gaat komen, de route kiezen die je intuïtie je ingeeft en genieten van wat je onderweg tegenkomt. Ik hou van zwerven. Het is gezellig als er iemand mee gaat, maar ik kan ook goed alleen zwerven.

Als ik teveel en te lang alleen in huis achter de computer heb gezeten, dan doet het vooruitzicht op een zwerftocht mijn hart sneller slaan van opwinding en plezier. Zwerven kan in de camper samen met Frans, op de fiets met een vriendin trekkend door de Achterhoek of in mijn eentje wandelend in Montferland. Het gaat om het gevoel van vrijheid. Om het avontuur van het onbekende. Rondstruinen zonder tijdsbesef. Doelloos en zonder prestatiedrang.

Soms zwerf ik met vrienden door het bos achter ons huis, waar ik na jaren van bijna dagelijkse wandelingen, toch nog nieuwe paden weet te ontdekken. Sommige vrienden schrikken wanneer ik vertel dat ik me op onbekend terrein bevind, ze pakken dan meestal snel hun mobieltje erbij om de locatie te traceren en de route naar huis terug te vinden. Ik weet dan vrij zeker dat ik niet met een medezwerver te maken heb.

Op een warme zonnige dag in april pakte ik sinds lange tijd weer eens mijn trekkingbike uit de schuur voor een zwerftocht. Ik had deze keer wel een doel (noten kopen in Zutphen met aansluitend een kopje thee drinken bij mijn zus), slechts een vage tijdsplanning (ik ben er ergens begin van de middag), maar geen uitgestippelde route. De route koos ik intuïtief, door de weg in te slaan die de grootste aantrekkingskracht op me uitoefende. Dit bracht me via de Kruisbergsebossen in de uitgestrekte landbouwgronden rond Steenderen en in het vestingstadje Bronkhorst. Via de dijk slingerde ik richting de buitenwijken van Zutphen en arriveerde ik in het oude stadscentrum waar ik een flinke voorraad noten kocht. In de tuin bij mijn zus in Eefde dronk ik een kopje thee en kletsten we zoals alleen zussen dat kunnen.
De terugweg ontvouwde zich via Huize de Voorst, naar Almen aan de Berkel, via bosrijk gebied naar landgoed Wientjesvoort en het dorpje Linde. De vogeltjes floten, aan de bomen meldde zich het eerste prille groen, de zon scheen op mijn blote huid en ik genoot met volle teugen.

Ik vond het een uitdaging door de onbekende landerijen richting Doetinchem te koersen zonder de plaatsen Hengelo of Zelhem aan te doen. En zo ontdekte ik een heel nieuw gebied bij de buurtschappen Dunsborg, Oosterwijk en Wittebrink, terwijl de zon steeds lager zakte, mijn benen slapper werden en de hongerklop toesloeg. Mijn bidon was leeg, maar gelukkig had ik een fietstas vol noten bij me. In het zonnetje in de berm van een zandpad ruste ik wat uit en at een handvol noten en cranberry’s. Het landschap was verlaten en ik had geen flauw idee waar ik was.

Ik had Frans rond vijf uur een appje gestuurd dat ik bijna thuis was, maar het was inmiddels half zeven en het leek erop dat ik nauwelijks progressie had geboekt. Uit het niets doemde het dorpje Velswijk op. Ik was weer op bekend terrein. Om kwart voor zeven fietste ik onze oprit op, moe maar weer een avontuur rijker. Hongerig viel ik aan op de maaltijd die Frans voor me had bereid.

Zwerven. Je laten verrassen en de flow zijn werk laten doen. Een rotsvast vertrouwen hebben in een mooie reis met een goede afloop. Ik word er telkens weer blij van.

Zelfredzaamheid

Dit blog draag ik op aan mijn vriendin Esther, die een aantal jaren geleden een herseninfarct kreeg, waardoor ze gedeeltelijk verlamd raakte. Ik ben ongelooflijk trots op haar. Trots op hoe ze haar leven met veel inspanning weer heeft opgepakt en er het beste van probeert te maken. Trots op haar doorzettingsvermogen. Trots op haar niet aflatende inspanning om vooruit te komen. Het dagelijkse rondje dat ze door weer en wind fietst op haar driewieler. Ik denk de laatste dagen veel aan haar. Dat komt omdat ik door mijn operatie een aantal dingen – tijdelijk – niet meer zelfstandig kan. Zo heb ik hulp nodig bij het uittrekken van een T-shirt of pyjama, bij het uit de kast halen van een schaal of zware pan en bij het wassen van mijn haren. Om geen rek op de wond te zetten mag mijn arm niet boven mijn schouder uitkomen. Zes weken lang mag ik niet sporten, niet bukken, niet tillen, niet rekken en geen zwaar huishoudelijk werk doen als dweilen en stofzuigen. In eerste instantie lijkt dat laatste best aanlokkelijk en een mooi excuus om het mijn partner te laten doen, maar in de praktijk merk ik dat ik het best lastig vind om zo afhankelijk te zijn. Vooral de eerste dagen na de operatie had ik best veel hulp nodig en voelde ik me bezwaard daar telkens om te moeten vragen.
Aan de andere kant merkte ik soms ook het tegenovergestelde bij mezelf; dan vroeg ik Frans iets voor me te doen terwijl ik dat stiekem met wat meer inspanning en creativiteit best zelf had gekund.

Wanneer iets voor een ander slechts een kleine moeite is, maar voor jou een grote inspanning en je bovendien zuinig moet omspringen met je energie, is het verleidelijk om hulp te vragen. Maar er zitten natuurlijk grenzen aan. Ik kon niet verwachten dat Frans continue paraat stond om als een goede toverfee aan al mijn wensen en verwachtingen te voldoen op het moment dat ik daar om vroeg. Hij was tenslotte ook gewoon aan het werk.
Het was ook niet echt mijn wens om zo afhankelijk te zijn van mijn man; ik heb mijn zelfredzaamheid hoog in het vaandel staan.

Ik vroeg me af hoe dat bij mijn vriendin en haar man ging. Daar lagen de zaken waarschijnlijk veel complexer. Mijn hulpbehoevendheid was tenslotte tijdelijk en betrof slechts een beperkt aantal zaken. Zij moesten op zoek naar een nieuwe balans in hun relatie. Een balans die voor beiden acceptabel en langdurig vol te houden is.

Om Frans niet te overvragen maar ook mezelf niet tekort te doen, stelde ik een aantal selectiecriteria op voor mezelf. Het eerste en belangrijkste criterium was: Kan ik het zelf? Wat zou ik doen als ik alleen thuis was? Wat als ik het op een andere manier probeer?
Het tweede criterium betrof de vraag: Hoe belangrijk is mijn wens? Hoe graag wil ik het? Is het een ramp als het niet gebeurt?
En tenslotte criterium drie dat te maken had met het tijdstip van uitvoering. Belangrijk hierbij was de vraag: moet het NU gebeuren of kan het net zo gemakkelijk op een ander moment worden gedaan? Voor Frans was het fijn als hij de dingen voor mij op een zelfgekozen moment mocht doen.

Deze vragen hielpen me om creatieve oplossingen te bedenken, prioriteiten te stellen en te relativeren. Ik irriteerde me bijvoorbeeld aan een vaas met halfvergane bloemen met stinkende stelen die nog op tafel stond. Ik wilde deze vaas heel graag oppakken, de bloemen in de groenbak gooien en de vaas lekker uitsoppen. Toch besloot ik dat het geen ramp was als de vaas nog even bleef staan. Evenals de moddersporen op de vloer geen drama waren. Of dat ik best nog twee nachtjes langer onder hetzelfde beddengoed kon slapen. Of de lelijke lappen die Frans voor het raam had gehangen, zodat de zon niet op het televisiescherm viel en ik lekker kon netflixen, maar die ik ook graag weer had verwijderd om in de zon te kunnen liggen soezen. Het waren geen dingen die echt belangrijk waren, al had ik ze zelf graag aan willen pakken als ik dat had gekund.

Op mijn tenen gaan staan en mijn arm omhoog strekken om toch nog net die borden uit de kast te kunnen pakken, de chirurg maande me dit vooral niet te doen. ‘Niet die zware pan van het fornuis tillen of nog net dat kopje van die te hoge plank willen pakken of je bukken om de vaatwasser uit te ruimen, doe dat vooral NIET’, zo waarschuwde hij me tijdens de laatste controle. Omdat ik Frans dus niet voor elk wissewasje wilde vragen, ging ik netjes op de knieën zitten om de vaatwasser uit te ruimen, serveerde ik het eten soms op gebaksbordjes, maakte de salade in een plastic kom, schepte het eten uit de pan op een bord in plaats van met de pan te gaan sjouwen, liep zes keer de trap op en neer om de was naar boven te brengen en maakte knielend het toilet schoon.
Op een ochtend moest ik voor iets kleins even naar de huisarts. Toen ik de telefoon neerlegde nadat ik de afspraak had gemaakt, realiseerde ik me dat ik een beroep op Frans moest doen. Ik kon nog niet autorijden of fietsen en lopend zou ik niet op tijd op de afspraak komen. Lastig die afhankelijkheid. En ja, het moest ook nog al la minuut geregeld worden. Frans fronste zijn grote, grijze wenkbrauwen, zuchtte diep, streek over zijn hart, keek me diep in de ogen,  verzette zijn werkafspraak en bracht me met de auto naar de huisarts. De schat.

Frans helpt me bij de zaken die essentieel zijn en die ik echt niet zelfstandig kan, zoals mijn haren wassen boven de badrand, mijn steunkous aantrekken, mijn zwachtel bh met twintig haakjes losmaken, me uit mijn pyjama jasje helpen en me ’s ochtends na een lange nacht op de rug liggen uit bed takelen. Deze kleine verzorgingsmomenten zijn uitgegroeid tot knusse, intieme momenten waar we allebei van genieten.

Gelukkig neemt mijn zelfredzaamheid langzaam weer toe. De chirurg heeft de pleisters en de knoopjes van de hechtingen verwijderd. De wonden genezen goed, daarom heb ik toestemming om weer op mijn zij te slapen. Eindelijk weer eens heerlijk de hele nacht door kunnen slapen. Daar word ik zó gelukkig van. En vanaf volgende week weer autorijden. Nog drie weken dan mag ik ook weer fietsen en langzaam opbouwen met bukken, strekken en tillen.

Het was een leerzame ervaring om een tijdje niet geheel zelfredzaam te zijn. Ik kan me beter verplaatsen in mijn vriendin die veel van haar zelfredzaamheid heeft moeten inleveren, maar die door hard werken ook weer een deel van die zelfredzaamheid heeft terug veroverd. Chapeau Esther!

Ontboezeming

Hier dan eindelijk weer eens een blogbericht. Op de één of andere wijze had ik de laatste maanden weinig schrijfinspiratie. Ik leefde door de corona maatregelen samen met Frans in een kleine, comfortabele, maar ook wat saaie bubbel. Er gebeurde weinig schrijfwaardigs.
Intussen was ik bezig met iets waarvan ik niet goed wist of ik dit nu openbaar wilde maken of niet. Een onderwerp dat je niet direct in elk gesprek op tafel legt, zeker als het nog in een verkenningsstadium verkeert. Uiteindelijk voelde ik toch de behoefte er open over te zijn. Net zoals ik altijd open ben geweest over mijn ervaringen met borstkanker. En dit onderwerp ligt in het verlengde ervan. Hoop dat je geniet van mijn ontboezeming.

Sinds de kanker en de okselklieren uit mijn rechterborst waren weggesneden, ging ik door het leven met twee ongelijke borsten. Een tijdlang interesseerde me dat totaal niet. Ik was blij dat ik überhaupt nog twee borsten had en verder lag de focus op overleven, de behandelingen zo goed mogelijk doorstaan, beter worden, herstellen en vervolgens het leven weer oppakken en leuke dingen doen. De aangedane borst lag door de bestraling als een vaste klomp tegen mijn lijf gedrukt en behoefde weinig ondersteuning. Ik bleef gewoon mijn oude, vertrouwde bh’s dragen.
Toen de chirurg bij een controle eens vroeg of ik niet overwoog mijn borsten symmetrisch te laten maken, omdat er toch wel een groot verschil tussen zat, antwoordde ik nogal kortaf, dat ik dat een luxe probleem vond. Ik had mijn leven net weer op de rit. Genoot met volle teugen van alles wat ik weer kon. Dat ging ik toch niet op het spel zetten voor twee gelijke borsten? Ik moest er niet aan denken opnieuw onder het mes te gaan, om te laten snijden in mijn gezonde borst, om zes weken niet te kunnen sporten, om weer moe te worden. Nee, geen denken aan.

Toch zette de opmerking van de chirurg me aan het denken en na een tijdje trok ik de stoute schoenen aan en plande ik een oriënterend gesprek bij de afdeling plastische chirurgie. Dit was echter zo’n nare ervaring, dat ik het idee snel weer in de ijskast zette. Mijn borsten waren door de jaren heen door vele vrouwen- en mannenhanden betast en bevoeld, maar dat was altijd respectvol en met de juiste intentie gebeurd. De plastisch chirurg ging te werk alsof hij in de slagerij een gehaktbal stond te kneden. Ik voelde me een stuk vleeswaar dat ter keuring werd aangeboden. Ik was zo verbijsterd door zijn gedrag, dat ik met stomheid was geslagen en geen woord kon uitbrengen. Zwijgzaam verliet ik zijn kamer. Het duurde een tijdje voor de ervaring was ingedaald en ik de woorden had gevonden die ik tegen hem had willen zeggen op dat moment.

Onder invloed van lymfe therapie veranderde de harde klont in mijn borst langzaam weer in zacht en soepel weefsel. Door de hormoontherapie maakten mijn borsten een enorme groeispurt door en veranderde mijn cup D in een cup F. Het werd steeds lastiger om een geschikte bh te vinden met deze borsten waar meer dan een cupmaat verschil tussen zat. In de grote maten is een beugel gebruikelijk, maar dat klemde te veel af, waardoor het lymfeoedeem toenam. Wat overbleef waren een soort korsetten die me aan mijn oma deden denken en die helemaal niet prettig zaten. De wanhoop nabij na een uur in zo’n krap pashokje, waarbij de verkoopster telkens weer vol goede hoop een draak van een bh tevoorschijn toverde, ging ik dan toch weer overstag, kocht een duur exemplaar, deed die een middag aan waarbij ik me continue irriteerde aan het gevoel en borg het ding dan op in een verborgen lade van mijn kledingkast waar hij nooit meer uitkwam.

Afgelopen zomer rijpte dan toch het plan om mijn gezonde borst te laten verkleinen. De eerste stap was een chirurg te vinden die ik mijn borst kon toevertrouwen. Die vond ik in het Alexander Monro ziekenhuis, een ziekenhuis in Bilthoven dat zich volledig richt op de behandeling van borstkanker. De plastisch chirurg was een vriendelijke man die openstond voor al mijn vragen en twijfels, die zorgvuldig en respectvol te werk ging en die duidelijk trots was op zijn vak. Hij zei dat hij volledige symmetrie niet kon garanderen, maar dat hij zijn uiterste best ging doen om het zo mooi mogelijk te maken en de balans te herstellen. Een gedreven vakman, die honderden operaties aan borsten had verricht; precies wat ik nodig had.

Mijn vakman, door zijn vrouwelijke collega’s liefkozend bij zijn voornaam genoemd, vroeg of ik tevreden was met mijn rechterborst waar ter hoogte van de voormalige tumor een deuk zit. Beroepsmatig wilde hij mij erop attenderen dat ook die deuk te verhelpen was. Met een naald zou er buikvet worden weggezogen, dit vet zou worden gefilterd en dan vervolgens in de borst worden ingespoten. Ik verzekerde hem dat ik de rechterborst wilde houden zoals die was. Het deukje en het tien centimeter lange litteken onder mijn oksel zie ik als zichtbare tekens van mijn ervaringen in het leven. Het maakt zichtbaar wat ik heb meegemaakt in het leven, dat hoeft niet verdoezeld te worden. Dat hoort nu bij mij. De kanker is een belangrijke fase in mijn leven geweest; een fase waar ik trots op ben en die me veel heeft geleerd.

De volgende stappen in het proces waren: een verwijzing regelen via de huisarts, goedkeuring vragen aan mijn zorgverzekeraar, mijn behandelend arts informeren en vragen om informatie door te sturen en een scan regelen. Daarna werd ik op de wachtlijst geplaatst.
Het was een onzekere tijd. Ik stond vanaf half december op de wachtlijst. Had geen idee wanneer ik aan de beurt zou zijn, dat zou ik pas kort van tevoren horen. Ik wilde het risico op corona zo klein mogelijk houden, zodat de operatie geen gevaar zou lopen, want inmiddels was ik er klaar voor. Ik wilde heel graag dat het door zou gaan. Natuurlijk vroeg ik me ook wel eens af wat ik me nu weer op de hals had gehaald. Waarom wilde ik dit avontuur aangaan? Waarom risico lopen dat het lymfeoedeem zou toenemen? Waarom snijden in een gezond lichaamsdeel?  Maar toch, vanbinnen was ik vastbesloten. Ik ging dit doen. Ik wilde weer door het leven met twee min of meer gelijke borsten.

Begin februari werd ik gebeld. De operatie stond gepland voor maandag acht februari. Omdat ik het lastig vind om lang nuchter te zijn, had ik gevraagd of ik voor de ochtend ingepland kon worden. Mijn wens was gehonoreerd, ik was de eerste van die dag en moest om 07.15 uur in Bilthoven zijn.
Donkere wolken pakten zich samen boven Nederland. Wolken waaruit een flink pak sneeuw tevoorschijn kwam. Het was prachtig. Maar het maakte mijn operatie onzeker. Zouden we in de vroege ochtend in staat zijn het ziekenhuis te bereiken of zouden we ergens stranden in een sneeuwduin of de weg af roetsjen vanwege ijzel? Er was immers code rood voorspeld wegens sneeuwval en gladheid. Er werd gewaarschuwd niet de weg op te gaan als dit niet strikt noodzakelijk was.
Terwijl Frans de oprit zo goed mogelijk sneeuwvrij probeerde te maken, zodat we de volgende ochtend weg konden rijden, ging mijn brein aan de slag met noodscenario’s. Wat als we vast kwamen te zitten? Dan was het koud. Dus dekbedden en waxinelichtjes meenemen. Dan kregen we honger en dorst. Dus thermoskan warm water, thee en brood mee. Misschien moesten we ons uitgraven, dan werden we vies en nat. Dus warme, droge kleding mee.

Na een korte nacht, waarin ik telkens droomde dat ik per ongeluk iets had gegeten terwijl ik nuchter moest blijven, reden we om half zes in onze camper (want voorzien van winterbanden en met lekkere warme stoelverwarming) stapvoets door een dikke sneeuwlaag naar de snelweg. Het was verbazingwekkend druk op dit tijdstip. Welkom bij werkend Nederland. Allemaal mensen die zich door de barre omstandigheden naar hun werk begaven, extra vroeg om op tijd te komen. Soms was het wegdek zwart, dan weer vol stukken bevroren ijsklonters, waar we stapvoets overheen reden in een lange, trage kolonne van voertuigen. Mijn noodvoorziening hadden we niet nodig. Veilig bereikten we precies op de afgesproken tijd het Alexander Monro ziekenhuis.

Al snel werd ik klaargemaakt voor de operatie. Het hele operatieteam had het gered om op tijd aanwezig te zijn. De chirurg tekende met een zwarte viltstift allerlei vlakken op mijn borst, waarbij hij uitlegde wat zijn overwegingen waren. Ik vertelde de anesthesist nogmaals dat ik lymfeoedeem heb aan mijn rechterarm en dat ik daarom geen infuus of bloeddrukmeting aan mijn rechterarm wilde. Gelukkig was ik nog helder genoeg om waar te nemen dat ze dit aansloten op mijn linkerarm.

Het eerste wat ik merk is dat er iets uit mijn keel word getrokken. Een heel onprettig gevoel. Verder lijkt het alsof mijn ledematen nog verdoofd zijn, ik kan ze niet bewegen. Ik merk wel dat mijn rechterarm hoog is weggelegd en in gedachten deel ik een punt van waardering uit voor het operatieteam. Ze hebben goed zorggedragen voor mijn lymfeoedeem arm. Als ik mijn ogen open is het alsof ik op een deinend schip op volle zee ben. De verkoeverkamer golft op en neer en ik heb moeite om scherp te stellen. Ik sabbel op een waterijsje maar heb moeite met slikken, mijn keel lijkt nog verdoofd. Af en toe komt er een verpleegkundige naar me toe om te vragen hoe het met me gaat. Ze houden me twee uur langer op de verkoeverkamer omdat ik telkens moet braken. Als ik mijn ogen open of mijn hoofd een beetje beweeg is het  alsof ik in een zweefmolen op de kermis zit waar ik heel graag uit wil.

Eind van de middag word ik naar een ruime kamer met uitzicht op een besneeuwd boslandschap gebracht. Een prachtig gezicht. Jammer dat ik niet optimaal kan genieten van deze luxe hotelsuite met eigen badkamer. Ze hebben me de mooiste kamer van het hele ziekenhuis gegeven en ik mag een nachtje blijven, omdat ik me zo beroerd voel. Heel voorzichtig drink ik twee glaasjes water, een kopje thee en eet drie rijstkorrels. Dan komt alles er weer uit.
Het braken lucht wel op en rond zeven uur begin ik me een beetje beter te voelen. Ik lig nog aan een infuus met pijnstilling. Frans mag vannacht gezellig in het bed naast mij slapen. Om half twaalf komt de nachtzuster kennismaken. Als ze vraagt of ze iets voor me kan doen, vertel ik haar, dat ik een visioen heb van een beschuitje met suiker. Ze zijn hier ontzettend vriendelijk en leggen me echt in de watten. Even later staat mijn wens voor mijn neus. Het is het lekkerste beschuitje met suiker dat ik ooit heb gegeten.

Omdat ik nog wat wiebelig op de benen sta begeleidt Frans me naar het toilet. Op de terugweg vergeet ik helemaal de infuuspaal mee te nemen, gelukkig is Frans alert en sleept de paal op wieltjes snel achter me aan.

Om half zeven wordt het ontbijt geserveerd. Als ik me daarna wat opfris in de badkamer trek ik voorzichtig het elastische steunverband waarin ik verpakt zit naar beneden en werp een eerste blik op de borst. De wonden zijn afgeplakt met smalle pleisters waar op sommige plaatsen wat bloeddruppels doorheen komen. Verder wat bloeduitstortingen bij mijn oksel. Ik vind de borst er vreemd bol uitzien en allerminst bescheiden van formaat. Wanneer de chirurg even later de borst komt controleren, zie ik aan zijn ogen dat hij gekrenkt is in zijn beroepstrots als ik zeg dat ik de borst nog behoorlijk groot vindt. Hij vertelt dat er nu nog vocht in de borst zit, dat moet langzaam wegtrekken. De komende maanden gaat de borst pas zijn definitieve vorm krijgen. Hij heeft zijn uiterste best gedaan de borsten ongeveer van gelijke omvang te maken, zodat ik aan beide zijden weer dezelfde cupmaat heb. Hij heeft tweehonderddertig gram weg weggehaald. Dat is behoorlijk veel verzekert hij me. Ik zie direct een pakje roomboter voor me, met van die kleine streepjes na iedere vijftig gram. Bijna een heel pakje boter eraf, dat is inderdaad best veel. Een gewicht dat ik niet meer iedere dag hoef mee te dragen, dat niet meer aan mijn schouder trekt of diepe gleuven achterlaat in mijn huid.

 

 

 

 

 

De verpleegkundige koppelt het infuus af en helpt me in een zwachtel bh die ik zes weken lang dag en nacht moet dragen om de borst te ondersteunen. Ook krijg ik een lijstje met do’s and don’ts mee voor de komende zes weken: niet rekken, niet bukken, niet tillen, niet sporten, niet stofzuigen of ander ‘zwaar’ huishoudelijk werk, de arm niet boven de schouder uit laten komen, op de rug slapen, wandelen en oefeningen om de schouder soepel te houden.
Dan rijden we door een prachtig besneeuwd landschap met blauwe lucht naar huis. Frans heeft het bedbankje in de kamer uitgeklapt, zodat ik liggend op mijn rug kan genieten van de sneeuw en de vogeltjes die zich vrolijk te goed doen aan de vetbolletjes en de pindakaas.

 

 

 

 

 

Het herstel verloopt voorspoedig. Af en toe maak ik een verkeerde manoeuvre en krijg ik een pijnscheut, maar over het algemeen heb ik geen pijn. De borst ziet er bont en blauw uit; het blauwpaars verandert langzaam in geel. Alleen het op mijn rug slapen is lastig; het veroorzaakt rusteloze benen. Om de paar minuten trekken mijn benen in een onwillekeurige, spastische beweging samen waardoor ik niet in slaap kan komen. Afgelopen nacht duurde het tot vier uur in de ochtend voor ik in slaap viel. ’s Nachts spook ik dan door het huis. Ik loop rondjes in de woonkamer om extra moe te worden of probeer het matras van het logeerbed uit, maar ik heb nog niets ontdekt wat helpt. ’s Ochtends heb ik zo’n pijn in mijn rugspieren van het in één positie liggen dat Frans me als een oud wijf uit bed moet takelen.

Ondanks deze kleine ongemakken ben ik blij met mijn gedeeltelijke ontboezeming. Ik denk dat ik er nog minstens dertig jaar plezier van ga hebben.

 

Fietstocht langs de Maas

Het begon op een zonnige woensdagmiddag toen ik na lange tijd weer eens samen met Margo een fietstocht maakte. We reden op het fietspad langs de IJssel tussen Doesburg en Keppel. Margo vertelde over haar droom om ooit nog eens de ‘Groene weg naar de Middellandse zee’ te fietsen. ‘Ja’, stemde ik met haar in, terwijl mijn avontuurlijke fietshart sneller begon te kloppen: ‘het lijkt me geweldig om na weken fietsen aan te komen bij de Middellandse zee.’
Het plan was snel gemaakt. We zouden een paar dagen gaan proefdraaien in Nederland. Kijken of het fietsen met bepakking en het kamperen in een lichtgewicht tentje me zouden bevallen en of we elkaars gezelschap ook na een paar dagen fietsen nog konden waarderen. De keuze viel uiteindelijk op de nieuwe Maasroute. Een bewegwijzerde route tussen Maastricht en Rotterdam, waarbij we vanaf Gennep zouden afbuigen naar het oosten.

De route van 250 kilometer zouden we afleggen in vier dagen. Margo is gewend om 100 kilometer per dag te fietsen, maar voor mij hebben we de afstand aangepast naar zo’n 60 tot 65 kilometer per dag. Margo zou ook haar tempo, dat een stuk hoger ligt dan dat van mij,  aan mij aanpassen. Onder deze voorwaarden durfde ik het avontuur wel aan.

Enthousiast begon ik te wroeten in onze oude, lang niet gebruikte kampeerspullen op zolder. Zo vond ik de fietstassen die Frans en ik in 1986 hadden aangeschaft voor onze eerst vakantie samen: een fietsvakantie. Ik herinner me nog de pittige heuvels van Zuid-Engeland waar we met onze drie versnellingen fietsen tegen op probeerden te trappen. De stevige zeewind altijd pal in ons gezicht. De dagen vol regen, waarbij het water sopte in onze schoenen. De keren dat ik zo moe was, dat ik de fiets vol nijd in de berm smeet. Wat is er ook weer zo leuk aan fietsen?

Ik kwam er al snel achter dat de tentjes die we hadden te groot waren voor op de fiets, de slaapmatjes te dun voor mijn rug en de slaapzakken te pompeus en dik om mee te nemen. Margo regelde voor mij een lichtgewicht slaapmatje en een minuscuul, opvouwbaar stoeltje. Het tentje leende ik van mijn zus.
Ik verzamelde alle spullen die ik mee wilde nemen op de eetkamertafel en woog zorgvuldig af wat beslist mee moest en wat eventueel kon afvallen. Ik wilde zo licht mogelijk reizen, maar ook geen noodzakelijke dingen moeten missen. Op de dag van vertrek zette ik de fiets in de woonkamer, bevestigde de oude fietstas op de bagagedrager, verpakte alles in plastic diepvrieszakjes en was blij verrast dat alles er met enig proppen in paste.

Frans was bereid om Margo en mij, op zijn tocht naar de Franse Alpen, af te zetten bij het beginpunt van onze reis in Maastricht. Met de fietsen achterop en de camper volgeladen met fietstassen en paraglidersspullen reden we richting het zuiden. Ik had een camping geboekt aan de Maas in het plaatsje Eijsden, net onder Maastricht. Margo zette haar ronde, lichtgewicht tentje op en presenteerde een heerlijke maaltijd met wraps, pasta en groente. Dat was genieten.

’s Nachts had ik het voor het eerst in jaren weer eens koud. Bibberend lag ik in mijn lakenzak onder een fleecedeken, want de dikke slaapzak had ik niet meegenomen. Nu kon ik nog lekker warm tegen Frans aan kruipen, maar hoe zou dat de komende nachten gaan, als ik alleen in mijn tentje zou liggen koukleumen?

 

Fietsdag 1 – Eijsden – Maastricht – Ohé en Laak – Grathem

Na een stevig ontbijt en een kop thee, nemen we afscheid van Frans en stappen we op onze fietsen. Een beetje onwennig rijd ik de camping af. Twee fietstassen aan de zijkant van de voorwielen en een grote fietstas achterop maken dat mijn fiets aanvoelt als een moeilijk bestuurbare mammoettanker. Het fietspad tussen Eijsden en Maastricht is recht en rustig met uitzicht op de Maas. Het helpt om te wennen aan het fietsen met bepakking en aan de schoenen met kliksysteem die ik voor het eerst op de trekking bike aan heb.

We zijn al snel in Maastricht en Margo vraagt of ik al toe ben aan een koffiepauze, maar eigenlijk zit ik net lekker in het ritme, dus fietsen we door. De tocht gaat voor een deel door de stad en kruist een aantal bruggen, waarbij we even flink moeten aanzetten om boven te komen. Het is bewolkt maar droog. Volgens de buienradar kan er wat lichte regen vallen.
We passeren de pittoreske plaatsjes Borgharen en Itteren en fietsen door een natuurgebied met woeste runderen en weides vol wilde, bloeiende bloemen.

Bij Brommelen gaan we de Maas weer over. Het is een steile klim omhoog, mijn snelheid is laag en als Margo onverwachts moet afstappen om een groepje wielrenners voorrang te verlenen, val ik helemaal stil. Eén moment sta ik in balans, dan val ik om. Vergeten dat ik mijn schoenen had vastgeklikt. Op het laatste moment probeer ik nog los te klikken, maar bij een te lage snelheid lukt dat niet meer. Wielrenvrienden hadden me er al voor gewaarschuwd: vroeg of laat valt iedere wielrenner een keer, omdat hij vergeet zijn schoenen op tijd los te klikken.
Ongelukkig lig ik onder mijn fiets met mijn rechtervoet nog vastgeklikt, hangend in de lucht. Eén van de wielrenners maakt de schoen los, een ander tilt de fiets van me af en trekt me met zijn uitgestoken, corona hand, zoals hij grapt, omhoog. Met wat schaafwondjes en blauwe plekken op ellenboog, heup en knie stap ik nog een beetje bibberig van de schrik weer op de fiets.

Het waait stevig. Maar we hebben de wind in de rug en worden bijna als vanzelf vooruit geblazen. Het landschap is afwisselend met kleine dorpjes, woeste weidegebieden met wilde grazers, oude bomen en kolken.
Aan mijn slappe benen merk ik dat een hongerklop op komst is en ik tip Margo dat het tijd is voor een lunchpauze. Op een stenen muurtje genieten we van crackers met smeerkaas, een muesli bol, verse dadels en een appel, terwijl de donkere wolken boven ons hoofd voorbij razen in de lucht. Voor de zekerheid hebben we ons regenjasje aangetrokken, maar we houden het droog.
De tocht gaat verder via Urmond, Obbicht en Illikhoven naar Roosteren waar we neerstrijken op een terrasje voor een kopje thee met waarschijnlijk de laatste aspergesoep van het jaar. Dat is genieten, zeker nu de zon doorbreekt.
Met de zon en de wind in de rug vliegen de kilometers voorbij en voor we het in de gaten hebben arriveren we in Ohé en Laak waar we eigenlijk hadden willen overnachten. Maar het is pas twee uur ’s middags en het voelt nog iets te vroeg om te stoppen. We hebben nog zin om door te gaan en laten de leuke minicamping met enige weemoed aan ons voorbij gaan.
De Maas maakt hier een bocht en we krijgen te maken met tegenwind. Het tempo gaat snel omlaag en het lichte trappen verandert voor mij in zwoegen. Moegestreden tegen de wind komen we aan in Stevensweert waar we even stoppen om een plan te maken voor onze overnachting. Voor een camping moeten aan de overkant van de Maas zijn, nog een kilometer of tien te gaan. Omdat we niet zeker weten of we in de kleine dorpjes nog een supermarkt tegenkomen, doen we inkopen in het iets grotere Maasbracht. Dat wil zeggen, ik ga uitgeteld op een bankje liggen en Margo gaat de supermarkt in.
Via de app Campy heeft Margo twee campings geselecteerd. We kiezen beiden unaniem voor de kleine minicamping in Grathem in plaats van de camping bij de jachthaven in Wessem. Margo leidt ons via de kortste route naar de camping. Een prachtige route via onverharde zandpaden, bosrijke kronkelwegen en een recreatieplas. Ik heb inmiddels behoorlijk last gekregen van mijn linkerknie, maar de camping is in zicht. Rond een uur of vier arriveren we bij een leuke hoeve met geel met groen geschilderde deuren en luiken. Er staat een picknick tafel met bloemen voor ons klaar om aan te koken en we kunnen onze tentjes op een beschut plekje zetten met uitzicht op een weide met alpaca’s. Een grote bruine alpaca met een witte kop komt bij het hek staan en kijkt ons brutaal aan. ik ben even bang dat hij gaat spugen, maar hij blijft ons alleen nieuwsgierig observeren.

De tent van mijn zusje kenmerkt zich door oneindig veel haringen. Gelukkig krijg ik hulp van Margo die haar tentje in een mum van tijd heeft staan. Na een aperitiefje en een warme douche voel ik me weer een heel ander mens. Op haar één pits brandertje en met haar nieuwe pannenset tovert Margo een smakelijke pastamaaltijd tevoorschijn. De gastvrouw van de camping komt een praatje maken en informeert ons over de beverkolonie die hier huist. De bevers hebben een ondergronds nest dat half onder water zit, rond een uur of negen worden de bevers meestal actief en heb je kans om ze te spotten. Dus wandelen we even later via de achterkant van de camping richting de beek met dotterbloemen waar de bevers wonen in hun ondergrondse vesting. We hebben geen geluk, de bevers laten zich niet zien en ook de ijsvogeltjes die hun nestjes bouwen door gaten te maken in de lemen oever houden zich schuil voor ons. Later die avond vertelt de gastvrouw dat ze een bever heeft gezien in een ander deel van de beek.

Zelfs met al mijn kleren aan heb ik het nog koud in de tent. De wind waait ongenadig hard en het tocht in de tent. Ik sluip naar buiten en probeer de buitentent dichter bij de grond te krijgen, zodat de wind er niet onderdoor kan waaien. Dat helpt wel iets, maar toch slaap ik die nacht niet echt lekker, omdat ik lig te bibberen. Les één: neem altijd een slaapzak mee, ook al denk je dat het warm genoeg is, buiten slapen is een stuk kouder dan binnen in een gebouw.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fietsdag 2 – Grathem – Roermond – Venlo – Lottum

De tentjes ingepakt en ontbeten met kwark en muesli in het ochtendzonnetje. De omgeving van Grathem is prachtig en ik zou er echt van hebben kunnen genieten als ik niet zo’n pijn aan mijn knie had gehad. Via de recreatieplas waar een ‘pretpark voor duikers’ is ondergebracht (een onderwater wereld met bussen, boten en huizen waar duikers zich in uit kunnen leven), zoals de gastvrouw van de camping ons vertelde, fietsen we richting Beegden en Horn waar we via een lange brug de Maas oversteken en in het centrum van Roermond uitkomen. Tijd voor een bakje koffie.

Mijn knie blijft opspelen. Ik merk dat ik niet meer zo alert ben in het verkeer, omdat ik gewoon geen zin heb om af te stappen en weer opnieuw gang te moeten maken. Doortrappen doet pijn. Ik denk dat het een overbelaste pees is. Margo oppert dat het misschien toch van de val van gisteren is en adviseert een pijnstiller en daarnaast om een paar versnellingen lichter te gaan trappen, zodat de knie zo min mogelijk wordt belast. Misschien heb ik gisteren met de tegenwind te zwaar getrapt, mijmer ik in mezelf, en ook het telkens op gang komen met de bepakking is zwaar.

De pijnstiller lijkt te helpen, we raken in een leuk gesprek verwikkeld en de kilometers glijden onder onze banden door. Op een bankje met uitzicht op een kwakende kikkerpoel nuttigen we onze lunch. Het is droog en er schijnt een voorzichtig zonnetje. Bij Beesel steken we met een wit pontje het water over naar Kessel en bij Baarlo gaan we weer met een pontje naar het aan de overkant gelegen Steyl. Van daaruit gaat het richting Venlo, maar niet voordat we op een terras hebben geproefd van een echte Limburgse vlaai. In Venlo stoppen we om een kijkje te nemen in een kapelletje met brandende kaarsjes. Van Venlo gaat het naar Grubbenvorst en door naar Lottum waar het heerlijk geurt naar rozen. Rond een uur of vier arriveren we bij camping de Rozenhof.

Donkere wolken pakken zich samen. De buienradar voorspelt heftige buien. We besluiten de eigenaar van de camping te vragen of we vannacht onze matjes in de recreatieruimte mogen leggen. Dat heeft als voordeel dat we morgen niet in de stromende regen alles in hoeven te pakken en dat onze tentjes droog blijven. De eigenaar kijkt ons even peinzend aan en zegt dan dat hij even iets aan zijn vrouw moet vragen. Ons enigszins verrast achterlatend loopt hij weg. Even later komt hij terug. We mogen voor € 35,- in een zespersoons huis overnachten als we ons eigen beddengoed gebruiken. Superdeal.

Omdat het zo kan gaan regenen fietsen we eerst naar Lottum centrum om inkopen te doen voor ons avondeten en ontbijt. Lottum heeft alleen een bakkerij en een snackbar. Het meisje bij de bakker is bijzonder behulpzaam en geeft ons behalve broodjes ook plakjes kaas en boter mee voor ons ontbijt. Bij de snackbar scoren we een frietje dat Margo in haar rugzakje meeneemt. En zo zitten we even later aan een grote houten tafel met friet met smakelijke kip curry saus van Hak. Ons toetje is een sappige nectarine en een kop thee met een stroopwafel.

Na de warme douche wandel ik wat over het terrein van de camping. De heftige buien zijn nog niet gearriveerd. Voor ons huis is een mooie rozentuin, er zijn kassen met groenten en kruiden waar een gezellig zitje is gemaakt om te lezen en te mijmeren zo staat er geschreven op een bordje. Overal scharrelen kippen rond, voor de liefhebbers is er een groot schaakbord en er is een konijnenheuvel met grote hangoor konijnen die ik natuurlijk even wil aaien. Wat bijzonder dat we op deze fijne plek zijn uitgekomen.

De avond brengen we door met het spelen van Punto, een tactisch kaartspel en Wordfeud. Het is een genot om in een warm en zacht bed te liggen, terwijl de regen tegen de ramen slaat. We zijn zo blij dat we warm en droog de nacht door kunnen brengen en morgen zien we wel weer verder.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fietsdag 3 – Lottum – Bergen – Boxmeer –  Gennep – Plasmolen

Tussen negen en tien in de ochtend trekt een front over met pittige buien, daarom slapen we lekker uit, kijken foto’s liggend op onze rug in bed en geeft Margo me een aantal handige tips op het gebied van social media. Rond half elf trekken we onze regenkleding aan en stappen wederom bepakt op de fiets. In Broekhuizen pakken we de Maasroute weer op. We fietsen nu door een tuinbouw gebied. Er valt een lichte regen, mijn knie is een beetje stijf en pijnlijk, maar toch geniet ik van het fietsen.

Bij Blitterswijck wacht ons weer een pontje. Het veer ligt er verlaten bij. We willen net aan de bel trekken als de veerman verontschuldigend aan komt lopen. Hij was even een bakje koffie drinken. Hij vertelt dat hij tussen Venlo en Gennep de Maasroute heeft gecontroleerd, dus de bewegwijzering moet tiptop in orde zijn. Fijn dat er vrijwilligers zijn die dit werk doen. Wat leven we toch in een heerlijk land.
In een klein dorpje vinden we een lunchroom waar we gastvrij worden onthaald. We pellen onze natte kleding uit en hangen deze te drogen over de leuning van een stoel. We zijn de enige gasten. De courgettesoep met spekjes gaat er goed in. Nog een cola voor de suikers en dan springen we weer op de fiets. Het is droog, maar de donkere wolken om ons heen voorspellen weinig goeds.
We zijn omringd door zwarte luchten, maar tot onze verbazing fietsen we nog steeds zonder regen. En dan ineens barst het los. Ik voel het water via mijn hals naar binnen stromen, langs mijn borstkas omlaag, mijn zeem loopt vol, mijn voeten soppend in mijn schoenen, nat tot op het bot.
Het is zo extreem dat het grappig is. Even later ga ik naast Margo fietsen met een brede grijns op mijn gezicht, ik heb de neiging om keihard één of ander flauw liedje te gaan zingen. ‘Je kunt nog lachen’, zegt Margo verbaasd.
‘Wil je stoppen?’, vraagt Margo. Ik kijk om me heen. We fietsen door een verlaten landschap met weiden en akkers. Ik fiets liever door dan dat ik hier in de stromende regen onder een lekkende boom ga staan. Met fietsen blijf je tenminste warm en erger dan dit kan het niet worden.
‘Grote, diepe plas’, waarschuwt Margo me. Lachend fiets ik er dwars doorheen. Alles is toch al kletsnat en de tijd dat ik een eind achter Margo bleef fietsen, omdat haar achterwiel water en modder omhoog spatte is al lang voorbij.
Het scheelt dat de temperatuur goed is. We naderen weer een pontje. De schipper ziet ons aankomen in de stromende regen en wacht op ons voor hij naar de overkant vaart.
We fietsen door nationaal park de Maasduinen over fietspaden omringd door heggen en bossen. Bij een stenen kapelletje stoppen we. Een kleine schuilplaats om even iets te eten en uit te rusten. Er staat een mooie houten bank in waar we op kunnen zitten. Het kapelletje is splinternieuw; gebouwd in 2020 het jaar van de coronacrisis, door een moslim, een katholiek en een protestant om de eenheid te gedenken van al wat leeft, zo staat er geschreven op een bordje in de vorm van een vlinder. Onder de indruk van de ‘vlinderkapel’ delen we onze laatste muesli bol.

‘Ik moet even stoppen, mijn band maakt een vreemd geluid, ik denk dat er een steentje in zit’, zegt Margo. Even later stapt ze op de fiets en begint als een razende te trappen. ‘Shit, ik heb een lekke band’, roept ze. Net tevoren had ik nog gezegd, dat ik fietsen op de trekking bike zo fijn vind, omdat je vrijwel nooit een lekke band krijgt….
We verlaten de Maasroute en gaan richting Sambeek op zoek naar een fietsenmaker. Een vriendelijke bewoner vertelt ons dat we voor de dichtstbijzijnde fietsenmaker in Boxmeer moeten zijn. Ik fiets vast vooruit om de hulptroepen in te schakelen en Margo volgt lopend met haar fiets in de hand. In de winkelstraat van Boxmeer vind ik al snel een grote fietsenzaak. Wanneer ik aan kom rijden knijp ik hard in de remmen en val om. Voor de tweede keer deze week lig ik op het asfalt met mijn fiets boven op me. Ik kijk in het verschrikte gezicht van een oudere vrouw die me helpt de fiets overeind te tillen. ‘Kijkt u toch alsjeblieft uit’, smeekt ze me bijna. Ik voel mijn heup en ellenboog branden.
Mijn linkerschoen was ongemerkt vastgeklikt aan het pedaal en toen ik af wilde stappen, lukte dat niet. Mijn voeten waren door de regen zo gevoelloos geworden dat ik niet meer kon voelen of ik nu wel of niet vast zat.
Ik trek mijn regenkleding uit en loop de winkel binnen. ‘Geen probleem, dat bandje plakken we direct voor u.’ Ik opperde nog voorzichtig of ze ook een mobiele service hadden en ze Margo misschien tegemoet konden rijden, maar dat zat er niet in. Toen ik belde om het goede nieuws door te geven, kreeg ik een opgetogen Margo aan de  lijn, ze was er al bijna. Niet lang daarna zag ik haar blauwe jasje de hoek omkomen. De fietsenmaker zette mijn zadel, dat door de val scheef was komen te staan, weer recht en hing de fiets van Margo in de touwen. Een jonge jongen zette er een nieuwe binnenband in en we konden onze tocht zonder al te lang oponthoud weer vervolgen. Er scheen inmiddels een waterig zonnetje en wij waren in de warme fietsenwinkel weer een beetje opgedroogd.
Op een bankje in Gennep overlegden we over onze laatste overnachtingsplaats. We kozen voor camping de Geuldert in Plasmolen. Omdat we niet zeker wisten of we nog winkels tegen zouden komen, deden we voor de zekerheid boodschappen in Gennep. Bij het schoonmaken van het winkelwagentje spoot ik per ongeluk een man nat met de ontsmettingsvloeistof. Hij had zelf niets in de gaten, maar zijn hele blouse was nat. Een vrolijke dame kon er wel om lachen. ‘Een dag niet gelachen, is een dag niet geleefd’, fluisterde ze ons toe in het voorbij gaan.

We trakteren ons op een flesje rode wijn en toastjes met Franse kaas, dadels en gekruide amandelen. De slaapzak en andere natte spullen hangen te drogen in de zon, wij zitten op onze ministoeltjes te genieten. Het was ondanks de regen een hele leuke dag. We sluiten af met een kleurrijke groente maaltijd met kipfilet en quinoa.

Vannacht is het niet koud, maar nu is er weer iets anders dat me uit mijn slaap houdt. Een oude, dove, rokende man heeft de televisie in zijn voortent keihard staan. Ik kijk op mijn mobiel. Het is kwart voor één ’s nachts. Niks, lekkere rustige minicamping, denk ik chagrijnig. Wat ga ik doen? Opstaan en vragen of het zachter mag of het geluid negeren en proberen in slaap te vallen? Ik ga eerst naar het toilet. Als ik terugkom, sta ik even besluiteloos voor de dichte voortent te luisteren naar het lawaai dat daar vandaan komt. Ik zie vaag de blauwe lichten van een televisie, maar ik zie geen persoon. Ik heb eigenlijk niet zoveel zin om in mijn nachtkleding een vreemde tent binnen te dringen om te vragen of het zachter mag, dus sluip ik weer terug naar mijn tentje en ga op mijn zij liggen met de deken over mijn oor getrokken. Weldra val ik in slaap. De volgende ochtend hoor ik dat Margo ook last had van het lawaai, maar dat het rond één uur was gestopt.



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dag 4 – Plasmolen – Sint-Jansberg – Millingen aan de Rijn – Babberich – Doetinchem

We worden opgeschrikt door een telefoontje; de man van Margo heeft een motorongeluk gehad. De motor heeft flink wat schade, maar gelukkig is hij er met een gebroken teen vanaf gekomen. Dat betekent dat Margo morgen en de komende dagen de winkel moet draaien. Bij het ontbijt bekomen we van de schrik en praten nog wat na.
Margo haalt de clips onder mijn schoenen vandaan, zodat ik – als ik nog eens val – in ieder geval niet de schoenen de schuld kan geven.

Net na Plasmolen wacht de uitdagende Sint Jansberg op ons. In een uiterst licht verzet klim ik omhoog. Ik heb er lol in. Mijn knie doet het goed vandaag. Rondom Groesbeek is het druk op de wegen, de auto’s rijden hard en ik vind het irritant dat ik telkens moet inhouden om achter Margo te komen als er een auto aankomt en daarna weer moet aanzetten. Ik kom zo niet lekker in een ritme. In Duitsland is het rustiger en kunnen we weer naast elkaar op het fietspad rijden.
Uit het weiland net naast het fietspad stijgt gracieus een ooievaar op, met zijn vleugels wiekend en zijn lange zwarte poten gestrekt naar achteren vliegt hij net voor ons langs, op weg naar een hoog nest waarop nog twee andere ooievaars staan.

In Millingen aan de Rijn stoppen we op een pleintje. We zijn op zoek naar een leuke lunchplek. ‘Zullen we naar de Millinger theetuin gaan?’, vraagt Margo. Ik stem enthousiast in. Het is wel vijf kilometer van de route, dus in totaal fietsen we er tien kilometer voor om, maar dat hebben we er wel voor over.  Ik ben al wel eens in de theetuin geweest, maar dat is lang geleden. Margo ziet altijd bordjes staan als ze in dit gebied fietst en is nieuwsgierig. We hebben wind tegen, maar de route is mooi.
Bij de theetuin aangekomen blijkt dat we entree moeten betalen, dat is een beetje een afknapper. We willen alleen even lekker lunchen en dan weer verder. Omdat er verder in de omgeving niets is aan horeca, gaan we toch naar binnen. Het ‘Muharadha’ broodje met geroosterde paprika, granaatappelpitjes en feta smaakt heerlijk en maakt veel goed. Margo vindt dat je in een theetuin toch op z’n minst losse thee zou moeten krijgen en geen thee uit een zakje. Misschien iets voor haar dochter die thee sommelier is.

Met de wind in de rug fietsen we over de dijk en pakken de pont van Millingen naar Pannerden over de Rijn. De Maas hebben we gisteren bij Gennep achter ons gelaten. Vanaf toen zijn we overgestapt op een knooppuntenroute die Margo van te voren al heeft gedownload op haar mobiel. Het is een drukke vaarroute en we moeten even wachten op een groot vrachtschip dat passeert. De pont gaat flink schommelend naar de overkant en we moeten ons goed vasthouden.

We fietsen weer in bekend terrein, langs watersport gebied de Bijland, het dijkje van Babberich en landgoed Halsaf, langs Beek en de Montferlandse bossen. Bij de waterskibaan in Braamt nemen we nog een drankje en dan splitsen zich onze wegen.

Thuisgekomen pak ik de klamme spullen uit de fietstassen, hang de tent te drogen en stop de wasmachine vol. En dan heerlijk in een bad met arnica olie om mijn stramme spieren en gewrichten te verwennen. In bad dommel ik een beetje in slaap.
Ik twijfel, maar ik pak toch de auto in plaats van de fiets,  als ik weer schoon en fris op weg ga naar Margo voor een heerlijke Thaise maaltijd en nabespreking van ons avontuur. Het fietsavontuur is goed bevallen en smaakt naar meer. Nieuwe plannen zijn al in de maak. Op naar de Middellandse zee.

Geluk in tijden van corona

Nu het coronavirus over de hele wereld uitwaaiert, de intensive care afdelingen in ziekenhuizen volstromen en we afstevenen op een economische crisis, maken veel mensen zich zorgen over de gezondheid van hun geliefden of hoe ze het hoofd boven water moeten houden nu er geen inkomsten meer zijn. In tijden van crisis staat ons geluk onder druk. Maar wat is geluk eigenlijk?

Lange tijd dacht ik dat geluk iets ongrijpbaars was, iets dat je onverwachts kon overvallen. Zomaar gelukkig. Kleine momentjes van geluk die me overstroomden bij de glimlach van een bekende op straat, bij een mooie zonsondergang of tijdens een goed gesprek met vrienden. Inmiddels noem ik deze vorm van geluk: het kleine geluk. Het is het geluk dat je tegenkomt in alledaagse dingen. Het genieten van een kopje thee, plezier beleven aan het kijken naar een mooie film of luisteren naar ontroerende muziek. Deze vorm van geluk kan je spontaan overvallen, maar je kunt het ook een handje helpen. Dit kun je doen door bewust stil te staan bij de kleine dingen die jou blij maken, door dankbaar te zijn voor al het moois in je leven. Door je aandacht te richten op de fijne en mooie dingen die er naast alle zorgwekkende corona ontwikkelingen in de wereld zijn, ontstaat er bijna als vanzelf een glimlach van geluk op je gezicht.

Naast klein geluk bestaat er wat ik westers geluk noem. Het stapje voor stapje toewerken naar een doel dat je wil bereiken. Het is wetenschappelijk onderzocht dat het hebben van een doel mensen gelukkig maakt. Het motiveert en geeft voldoening om ergens mee bezig te zijn, om iets te creëren. Een doel voor ogen hebben geeft richting en structuur aan het leven en dat valt voor veel mensen weg nu het coronavirus mensen hen aan huis gekluisterd houdt. Het coronavirus zet een streep door veel sportieve, sociale en carrière gerichte doelen. De maatregelen om het virus in te dammen zetten het hele leven op zijn kop. Alles is anders. De vraag is hoe kunnen we ons soepel en creatief aan de nieuwe situatie aanpassen? En dan komen we uit bij wat ik noem de oosterse manier van geluk noem.

De oosterse wijze van geluk ziet het leven als een stromende rivier waarin je je kunt laten meedrijven. Onderweg kom je van alles tegen. Verzet je je tegen wat de rivier van het leven je brengt dan ervaar je lijden. Kun je zonder oordeel en met verwondering kijken naar alles wat er gebeurt in je leven dan ervaar je een innerlijke staat van geluk, die je ook vrede zou kunnen noemen. Accepteren is het sleutelwoord. Er het beste van maken, gegeven de omstandigheden. Er de voordelen van inzien. Elke crisis biedt ook een kans. Een mogelijkheid om eens iets heel anders te ervaren, om je creativiteit aan te boren, om het leven vanuit een ander perspectief te bekijken.
Ook de coronacrisis biedt kansen. Het thuiswerken geeft nieuwe technologieën een impuls, we brengen meer tijd door met ons gezin en we krijgen tijd en ruimte voor activiteiten waar we anders niet aan toekomen.

Tot slot is er nog een diepere laag van geluk. Geluk dat verbonden is met zingeving en van betekenis zijn voor anderen. De grootste staat van geluk ervaren we als we het gevoel hebben ergens deel van uit te maken en wanneer we iets kunnen bijdragen aan het geluk van anderen. Daarom zie je nu zulke mooie initiatieven ontstaan. Natuurlijk de medewerkers in de zorg die zich met hart en ziel inzetten om mensen te verzorgen en weer beter te maken. Muzikanten die hun muziek gratis aanbieden ter inspiratie, of die optreden om ouderen een hart onder de riem te steken, bloemisten die gratis bloemen laten bezorgen, restaurants die heerlijke maaltijden bereiden en laten bezorgen bij kwetsbare mensen die zelf geen boodschappen kunnen doen. Heel ontroerend vind ik ook het initiatief van medewerkers van een Spaans verzorgingstehuis, die zich samen met de bewoners opsluiten in het tehuis om er zo voor te zorgen dat het coronavirus buiten de deur blijft. Ze gaan ’s avonds niet terug naar hun eigen huis, maar blijven vierentwintig uur per dag bij de bewoners. Een vrijwillige en volledige lock down om de kwetsbare ouderen waar ze voor werken te beschermen.

We realiseren ons door de coronacrisis wat echt belangrijk is in ons leven. De verbinding met onze geliefden, er voor elkaar zijn. We voelen weer tot in het diepst van ons hart hoe belangrijk contact met anderen voor ons is nu dat niet meer vanzelfsprekend is.
Blijf gezond. Blijf verbonden. Creëer momentjes van geluk voor jezelf en anderen.

Muziek voor je brein

In de krant viel mijn oog op een advertentie. Muziek voor je Brein – pianolessen voor volwassenen stond er. Nu koesterde ik al jaren een stille wens om eens in mijn leven nog een keer piano of gitaar te leren spelen. Toch ben ik nooit naar een muziekleraar of de muziekschool gestapt. Die drempel vond ik gewoon te hoog. Bovendien was ik stiekem toch een beetje bang dat ik hiervoor al te oud zou zijn of niet muzikaal genoeg.
In de advertentie stond echter nadrukkelijk dat je geen enkele muzikale ervaring nodig had om te kunnen starten en de cursus van tien lessen was speciaal bedoeld voor mensen boven de vijfenvijftig jaar. Kortom, ik herkende me helemaal in de doelgroep, ook al had ik de gewenste leeftijd nog niet bereikt. Ik kon me vast wel een jaartje ouder voordoen dan ik was…

Nu wil het toeval dat ik een vriendin sprak die mijmerde dat ze ooit nog eens piano wilde leren spelen. Enthousiast vertelde ik haar van de cursus die ik had gezien en dat ik net als haar de wens had om piano te leren spelen. En zo kwam het dat we samen op een zaterdagochtend in Wijk bij Duurstede bij muziekwinkel van Ginkel stonden. De bevlogen eigenaar liet ons de klanken van verschillende elektrische piano’s horen, terwijl wij geobsedeerd naar zijn soepel bewegende vingers keken. Er ging een hele, nieuwe wereld voor ons open.
Een uurtje later hadden we onze keuze gemaakt, het huurcontract ondertekend en probeerden we twee elektrische piano’s, twee standaarden en twee pianokrukjes in de auto te stouwen. Wat uiteindelijk ook lukte. We konden niet wachten om te beginnen met oefenen, want de avond ervoor hadden we onze eerste les gehad.

Het leren spelen van een instrument stimuleert onze hersenen intensief. Muziek maken activeert verschillende delen in je brein. Niet alleen de motorische gebieden, maar ook de delen die verbonden zijn met je geheugen, je creativiteit, je empathie en je timing worden geprikkeld en moeten samenwerken om muziek te maken. Piano leren spelen is dus een uitstekende manier om je brein actief te houden. Tijdens de eerste les begreep ik direct waarom dit zo is.
Niet alleen kregen we uitleg over de toetsen van de piano met hun verschillende toonladders, lopend van A t/m G en de basispositie van onze handen, waarbij elke vinger correspondeerde met een cijfer. De duimen staan bijvoorbeeld voor het cijfer één, de wijsvingers corresponderen met cijfer twee en zo verder tot de pinken die de vijf vertegenwoordigen. Daarnaast leerden we dat er twee notenbalken zijn; één voor de linkerhand en één voor de rechterhand. Deze twee notenbalken moet je tegelijkertijd kunnen lezen. KANSLOOS. In mijn brein werd het één chaos van noten, letters en cijfers. Ik wist niet meer waar mijn pink zat, wat links of rechts was (dat komt wel vaker voor, ook in het dagelijks leven), laat staan dat ik een noot gedurende de juiste lengte kon aanslaan of enige melodie kon produceren.
Ik kwam er tot mijn verbijstering achter dat ik mijn vingers helemaal niet onafhankelijk van elkaar kon bewegen. Als ik een toets wilde aanslaan dan gingen al mijn vingers mee de lucht in en was ik daarna de positie van de toetsen kwijt. Het lukte mijn brein nog niet om de juiste route naar mijn wijsvinger en pink te vinden om deze een korte, krachtige beweging te laten maken, zonder dat mijn middelvinger meedeed. Dat was dus het eerste wat ik ging trainen; het onafhankelijk leren bewegen van mijn vingers. Enthousiast maar kapot kwam ik thuis van mijn eerste pianoles.

Dagelijks korte stukjes oefenen kregen we mee als tip. Tien minuutjes is effectiever dan een uur, omdat de spieren nog moeten wennen en het brein anders oververhit raakt. Ik merk dat het de ene dag veel beter gaat dan de andere dag. Als ik moe ben of als mijn hoofd veel heeft moeten nadenken dan gaat het pianospelen niet zo best. Ik vind het lastig om de positie van een noot op de notenbalk te kunnen ontcijferen – op welk lijntje staat dat ding eigenlijk  – laat staan dat ik twee notenbalken tegelijkertijd kan interpreteren. Volgens de leraar een kwestie van langdurig oefenen, dan wordt het uiteindelijk automatisme. Zo ver ben ik nog lang niet. Maar het oefenen werpt al wel zijn vruchten af; af en toe klinkt het echt al een beetje als een melodie. En dat geeft voldoening.

Ik heb nu drie lessen gehad, die ik trouw volg. Toen ik met de fiets was gevallen was één van de eerste dingen die ik dacht: ‘zou ik wel piano kunnen spelen nu ik last heb van mijn pols?’
Ik had het nog aan de dienstdoende arts van de huisartsenpost gevraagd, die mijn lip aan het hechten was: ‘denkt u dat ik piano kan spelen?’. De arts had bevestigend geantwoord, waarop ik had gezegd: ‘dat is mooi, want dat heb ik nog nooit gekund…..’ (grapje van Frans).
Gelukkig was mijn pols niet gebroken en kon ik al mijn vingers nog bewegen, al deed de duim wel wat zeer. En zo zat ik vrijdagavond met een dikke lip maar uiterst tevreden bij de pianoles.

Mijn lip heeft inmiddels weer zijn normale proporties, de hechtingen zijn eruit en mijn knieën en schenen zijn alleen nog wat geelpaars. Mijn uitdaging met de piano is nu om toetsen afwisselend hard (forte) en zacht (piano) aan te slaan, en om staccato of legato te spelen. Nog geen idee hoe dat moet, maar ik heb er veel plezier in om dit uit te vinden.

Dat mijn brein druk bezig is alle indrukken van de pianoles te verwerken, bleek toen Frans ’s nachts wakker werd van mijn vingers die piano speelden op het matras.

petit affairs  klik hier voor muziek

Gevallen vrouw

Ja, ik ben een gevallen vrouw. Hoe dat zo is gekomen? Nou, dat zal ik je vertellen.

Afgelopen donderdag ging ik met een vriendin naar een boekpresentatie in de stad. Ik vond het leuk een andere schrijfster uit de Achterhoek te ontmoeten. Ze had meegedaan aan een schrijfwedstrijd en was tweede geworden. Van de winnaar zou het verhaal worden uitgegeven als boek. De uitgever vond haar bijdrage echter zo goed dat ook haar thriller ‘Op het verkeerde moment’ in boekvorm was uitgegeven. Een beetje onwennig, maar met gevoel voor humor en zelfspot, stond de schrijfster tegenover haar toekomstige lezers, terwijl ze vertelde dat ze als klein meisje al spannende verhalen verzon en ervan droomde om schrijfster te worden.
Ik maakte een praatje met de dames van de uitgeverij, die zich volledig hadden gespecialiseerd in het spannende boek. Het thriller genre is populair in Nederland. Meedoen met een schrijfwedstrijd biedt een goede gelegenheid om je in de kijker te schrijven en in beeld te komen bij een uitgeverij. Willen ze je manuscript eenmaal uitgeven dan verzorgen zij de publiciteit;  ze organiseren boekpresentaties en zorgen voor recensies in kranten en tijdschriften. Dat heb ik voor mijn boek allemaal zelf moeten doen.
Onder het genot van een kopje thee en een paar bitterballen kletste ik wat met mijn vriendin en wat andere mensen, totdat het tijd werd om naar huis te gaan. Het miezerde een beetje toen ik huiswaarts keerde op mijn fiets. Ik neuriede een liedje in mezelf, want ik voelde me blij en tevreden dat ik voor het eerst in dagen niet misselijk was en verheugde me op de maaltijd die Frans voor me aan het klaarmaken was. Zonder ook maar het geringste vermoeden van wat me te wachten stond.

Verbaasd constateerde ik dat ik vol met mijn gezicht op de straatstenen was terechtgekomen. Daar lag ik dan op straat naast de artiesteningang van het Amphion theater. In flits had ik mijn achterwiel weg voelen glijden, om het volgende moment met een smak tegen de grond te slaan. ‘Au, au, wat doet dat zeer’, kermde ik luid. Van alle kanten kwamen mensen aanlopen. Ik voelde een stekende pijn door mijn linkerpols en beide knieën trekken. Ik weet niet meer of ik zelf ben opgestaan of dat vriendelijke omstanders me overeind hebben getrokken. Ik weet nog dat ik daar verdwaasd en bibberig van de schrik stond en uitprobeerde of ik mijn benen nog kon bewegen.
Kan ik iets voor u doen mevrouw? Moeten we hulp inroepen? Wilt u niet even op het trapje gaan zitten? Ik dacht diep na, maar mijn hoofd kon geen goed antwoord verzinnen. Ik wist wel dat ik naar huis wilde en helemaal geen zin had om op een trapje in de regen te gaan zitten. Ik kon mijn armen en benen nog bewegen dus volgens mij viel het allemaal wel mee.
‘Hier, een zakdoekje voor het bloeden, mevrouw’. Een jongeman overhandigde me een papieren zakdoekje. ‘Ik wil best met u mee lopen hoor.’
Ik voelde me ineens een heel erg oude vrouw, waarvan niemand in de gaten heeft dat ze pas vierenvijftig jaar is. Gevallen met de fiets. Zomaar midden in de stad. Zonder enige aanleiding. Ik die op de racefiets over bospaden had gehobbeld, onverharde zandpaden had getrotseerd en me zelfs voorzichtig had gewaagd aan een slingerende afdaling. Hoe kon ik hier nu vallen?

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik denk dat het wel gaat, dank je wel’, zei ik tegen de bezorgde jongen.
Het leek me het beste om voorzichtig naar huis te fietsen. Toen ik wilde opstappen, zag ik echter dat mijn stuur helemaal verbogen was. Twee sterke mannen fatsoeneerden het stuur zo goed mogelijk en daar ging ik. Ik had het koud. Stram en een beetje wankel fietste ik richting Kruisbergseweg. Bij het passeren van het ziekenhuis bedacht ik dat het misschien wel goed was om even langs de huisartsenpost te gaan.
Toen ik me meldde bij de balie met de mededeling dat ik was gevallen met de fiets had ik geen idee hoe mijn gezicht er aan toe was. Ik wist wel dat ik bloedde, maar niet waar dat bloed vandaan kwam. ‘Dat moet gehecht worden’, zei de assistente, ‘neemt u maar plaats in de wachtkamer.’
Ik moest denken aan die keer dat ik onder een bromfiets was gelopen. Toen was ik ook met mijn gezicht op straat terecht gekomen en had de arts mijn neus met schuurpapier behandeld om de kleine steentjes eruit te krijgen. Ik weet nog dat ik toen dagenlang met een rietje heb gedronken en dat eten heel pijnlijk was.
Twee weken geleden had ik nog lacherig gedaan over vallen. Nou ja, dan heb ik osteoporose, dacht ik, de kans dat ik iets breek door te vallen is verwaarloosbaar klein. Wanneer val je nou? De laatste keer dat ik echt was gevallen was op de middelbare school, toen er een dikke laag ijs op het wegdek had gelegen en ik in een bocht hard onderuit was gegaan met de fiets. Ik had nog wekenlang last van een pijnlijke heup.

Ik belde Frans om te vertellen dat ik was gevallen met de fiets en voor de zekerheid even bij de huisartsenpost was langs gegaan.
‘Zal ik naar je toe komen?’
‘Ja, dat vind ik wel gezellig.’
Er verstreken vijftien minuten en nog steeds geen Frans. Ik appte met de vraag of hij er bijna was.
‘Ik zit al in de wachtkamer.’
‘Eh???’
‘Dan zou ik je toch moeten zien, want ik zit daar ook.’
‘Ja, in de wachtkamer bij de spoedeisende hulp.’
‘Nee, ik zit bij de huisartsenpost.’

‘Mevrouw Huijsmans’, riep de jonge huisarts, terwijl hij een hand uitstak en me mee loodste naar een soort tandartsstoel. Met een doekje met water maakte hij de wond op mijn lip schoon. Ik ga het hechten, dat kan even zeer doen hoor. Het zijn maar twee hechtinkjes, dat is net zoveel als twee prikjes, dus ik zet geen verdoving.

Ik voelde de naald in mijn vlees snijden en een stukje verder er weer uit komen. Het naarste gevoel was echter het aantrekken van de draad. Er waren twee hechtingen nodig. Er rolde een traan uit mijn oog. De huisarts vroeg hoe het gebeurd was. Of ik uit mijn werk op weg naar huis was. Intussen plaatste hij de tweede hechting.
‘Ik zeg even niets’, beet ik hem toe.
‘Nu ben ik net een tandarts die van alles vraagt als hij in je mond bezig is hé?’, realiseerde de arts zich.
Hij boog zich over me heen om het resultaat te bekijken. ‘Helaas is het rafelig ingescheurd, dat blijft wel zichtbaar.’ Hij plaatste een derde hechting. Het aantrekken van de draad gaf een naar gevoel. Toch niet tevreden over het resultaat, haalde hij de derde hechting er weer uit.
‘Ik doe er toch maar wat lijm in’, zo mompelde hij in zichzelf. De lijm prikte in mijn wond. Ik had nog steeds geen idee hoe ik eruit zag.

Mijn pols kon gebroken zijn, daar twijfelde hij over. Ik kon het rustig twee dagen aankijken. Mocht het niet beter worden, kon ik altijd een foto laten maken. Voor het eindresultaat zou dat niets uitmaken. Mijn knieën waren blauw en gezwollen, maar leken nog goed te functioneren.
De assistente gaf me een tetanusprik en drukte me op het hart om het weekend vooral terug te komen als de wond zou gaan ontsteken.

Frans zat in de wachtkamer en samen wandelden we door de regen naar huis met de fiets aan de hand. In de spiegel in de hal zag ik onder mijn neus een rommelig tafereel van draadjes en korstjes bloed. Mijn bovenlip was opgezwollen, waardoor ik iets weg had van Katrien Duck.
Met een klein lepeltje hapte ik voorzichtig van de pasta die Frans had klaargemaakt. Het was lastig mijn mond vergenoeg open te krijgen om het eten binnen te krijgen. Net nu ik na dagen misselijkheid weer flinke trek had. Ik was blij dat ik tijdens de boekbespreking wat lekkere hapjes had verorberd.
Even later zat ik op de bank knus tegen Frans aan. Hij had een warme kruik gemaakt, want ik bleef maar bibberen. Ik had icepacks op mijn knieën en pols gelegd en in mijn mond klemde ik een koud, nat watje in de hoop dat mijn bovenlip wat zou slinken.

Een gevallen vrouw. Hoe wonderlijk en onverwachts kan het leven gaan.

Dilemma

Allereerst iedereen hartelijk bedankt voor de kaartjes en appjes met lieve, wijze en bemoedigende woorden die ik heb mogen ontvangen. Mijn vorige blog heeft een stroom aan reacties opgeleverd, waaraan ik veel steun heb ontleend. Ik heb verhelderende gesprekken gevoerd, ben extra geknuffeld, er zijn kaarsjes voor me gebrand en ik heb dolfijnen healingen gekregen. Dat alles heeft me enorm geholpen. Wat niet wil zeggen dat ik niet heb geworsteld om een goede, afgewogen beslissing te nemen, niet enorm opzag tegen de effecten van de behandeling en me niet beroerd heb gevoeld.

‘Vertrouw op Allah, maar bind wel je kamelen vast’, is een Arabisch gezegde dat uitdrukt dat het mooi is om vertrouwen te hebben, maar het ook goed is om daarnaast je verstand te gebruiken en praktische voorzorgsmaatregelen te treffen. In dat kader had ik mijn nieuwe oncoloog een mailtje gestuurd. Hoewel ik er vertrouwen in heb dat de borstkanker uit mijn lichaam is verdreven, moet ik ook de realiteit onder ogen zien. En die realiteit is dat de borstkanker tussen het vijfde en tiende jaar bij één op de vijf vrouwen terugkomt. In deze statistieken zijn alle vrouwen met borstkanker meegenomen, dus ook de vrouwen met een laag risico op terugkeer. Statistisch gezien heb ik veel kans dat ik die ene ben. Mijn risicoprofiel is hoog; borstkanker ontstaan voor het 50e levensjaar in zijn meest agressieve vorm met acht aangetaste okselklieren en angiogenese door de tumor.
Angiogenese is de aanleg van nieuwe bloedvaten. Tumorcellen kunnen andere cellen gijzelen en hen dwingen voor hen te werken. Zo had mijn tumor bloedcellen gegijzeld om nieuwe bloedvaten aan te leggen voor de bevoorrading van extra zuurstof en voedsel voor de tumor. Je kunt je voorstellen dat tumorcellen hierdoor gemakkelijk via het bloed door het hele lichaam kunnen bewegen en zich dus overal in het lichaam kunnen schuilhouden om zich, als de kans zich voordoet weer te gaan groeien en een nieuwe tumor te vormen. In de volksmond heet het dan dat de kanker is teruggekomen, maar eigenlijk waren de kankercellen al die tijd nog aanwezig in het lichaam en hebben ze gewoon gewacht op gunstige omstandigheden om weer te gaan groeien.
Gunstige omstandigheden waren voor mijn tumor bijvoorbeeld de aanwezigheid van vrouwelijke hormonen. Vandaar dat die hormonen via anti-hormoontherapie al vijf jaar lang worden geblokkeerd. Dit allemaal in de hoop dat de eventueel nog aanwezige kankercellen het niet zo lang volhouden en gestorven zijn tegen de tijd dat ik stop met de therapie. Maar wat is dan een goed moment om te stoppen? Moet je überhaupt wel stoppen?

Standaard wordt vijf jaar anti-hormoontherapie aanbevolen, maar voor vrouwen met een hoog risicoprofiel zoals ik, is dat twee tot drie jaar langer. Nog langer doorgaan levert geen voordeel op; de kankercellen die dan nog in leven zijn hebben inmiddels een andere manier gevonden om aan voedsel te komen. Ze hebben zich aangepast aan de omstandigheden.
De anti-hormoontherapie is een ware aanslag op het lichaam. Het zorgt voor een versnelde veroudering, onder andere van hart- en bloedvaten, huidcellen, botten en gewrichten. Eén van de bijwerkingen is dan ook vervroegde en vergrootte kans op osteoporose. Oftewel botontkalking.

Daarom had ik mijn oncoloog om advies gevraagd. Nu ik de standaard aanbevolen vijf jaar hormoontherapie er bijna op heb zitten, wilde ik graag zijn advies over stoppen of doorgaan met de therapie afgewogen tegen de risico’s op botontkalking. Ik wilde graag een goed overwogen beslissing nemen, zo informeerde ik hem.
Hij stelde voor een nieuwe botscan te laten maken en nodigde me uit voor een gesprek, waarin we één en ander konden bespreken. En zo zat ik op een vrijdagmiddag met een pijnlijk oog tegenover hem.

Uit de scan bleek dat mijn botdichtheid afgelopen anderhalf jaar met 11% was afgenomen. Een significante afname stond er met hoofdletters in het radiologisch verslag. Ik was er al een klein beetje bang voor, al had ik dat verdrongen. Mijn broekspijpen leken op onverklaarbare wijze langer geworden en ook het zadel van mijn fiets, dat ik vorig jaar zo zorgvuldig had laten afstellen, leek ineens te hoog te staan.
Ik had altijd wat lacherig gedaan over osteoporose; misschien zou ik krimpen tot formaat theelepelvrouwtje grapte ik dan. Maar de oncoloog verzekerde me dat ernstige osteoporose geen grapje is. Spontane wervelfracturen en blijvende invaliditeit met chronische pijnklachten kunnen het gevolg zijn.

Ik had verwacht te moeten kiezen tussen doorgaan met anti-hormoontherapie en leren leven met osteoporose óf stoppen met anti-hormoontherapie met een verhoogde kans op terugkeer van de kanker. Toen de arts echter vertelde dat er een middel is om de botontkalking af te remmen, leek me dat de perfecte oplossing. Het beste van twee werelden. Ik zei dan ook spontaan en zonder echt na te denken ja tegen de voorgestelde behandeling.

Het voorgestelde middel was echter wel een heftig medicijn. Mijn nieren zouden blijvende schade op kunnen lopen, ik zou kaaknecrose kunnen krijgen waarbij je kaakbot ontstoken raakt en je tanden en kiezen spontaan uitvallen, hartritmestoornissen en ernstige spijsverteringsproblemen. Daarnaast moest ik rekenen op een griepachtige periode van een aantal dagen met koorts, hoofdpijn, bot- en spierpijn, misselijkheid en diarree.
Het medicijn zou worden toegediend via een infuus en bleef een half jaar werkzaam. Dat maakte me bang. Als ik last zou krijgen van bijwerkingen was er geen weg terug. Het zat in mijn lichaam en ik zou niet zoals bij pillen kunnen besluiten om te stoppen.
Bovendien zou ik het middel voor enig effect drie jaar lang moeten gebruiken. Ik zag op tegen weer drie jaar lang behandeling, voelde weerzin om opnieuw te veranderen in een patiënt en weer ziek te zijn net nu ik me zo krachtig en gezond voelde. Ik dacht terug aan een jaar geleden. Wat voelde ik me toen fit en energiek door het fietsen. Vanaf dat moment werd ik bang dat dit medicijn net een stapje teveel zou zijn in mijn race om de kanker voor te blijven. Dat dit medicijn mijn lichaam blijvende schade zou toebrengen waardoor ik me nooit meer gezond en fit zou voelen.

Was het door de arts voorgestelde middel het juiste middel? Waren er alternatieven? Was het stoppen met hormoontherapie nog steeds een optie? Wat als ik blijvende nierschade zou oplopen? Zou ik dan nog achter mijn keuze kunnen staan of zou ik dan de rest van mijn leven mezelf verbitterd verwijten ‘had ik het maar niet gedaan’?
Ik wilde een keuze maken waar ik achter kon staan. Een keuze waarvan ik de mogelijk negatieve consequenties zou kunnen dragen. Ik wilde geen spijt krijgen. Niet tegen mezelf zeggen: ‘had ik het maar beter uitgezocht, had ik maar beter nagedacht, had ik het maar geweten.’ Het was een dilemma dat me ernstig in zijn greep had.
Ik voerde gesprekken met vriendinnen en deskundigen, ging naar de tandarts om een kaakfoto te laten maken, liet controleren of mijn oog helemaal genezen was, las allerlei onderzoeken over de verschillende middelen tegen botontkalking, deed een lijfopstelling, zette de verschillende voor- en nadelen op een rijtje en maakte uiteindelijk de beslissing om het te doen.

Frans ging mee naar het ziekenhuis. De dagbehandeling oncologie waar ik me moest melden was vernieuwd. Er was een mooie ruime wachtkamer. Trots stelde ik vast dat mijn ‘Expeditie Borstkanker’ in de boekenkast stond. De verpleegkundige kende me nog en vroeg of we plannen hadden om met  de camper op pad te gaan.  Het was een warm en persoonlijk weerzien. Opgetogen vertelden we dat we van het voorjaar voor langere tijd wilden rondtrekken met de camper.
Ze zette een bakje warm water op mijn schoot waar ik mijn handen in moest leggen, want ze kon geen geschikte ader vinden voor het infuus. Ik schijn hele kleine aders te hebben die moeilijk aan te prikken zijn.
Niet veel later druppelde het zakje met Zometa vloeistof via een ader in mijn hand mijn lichaam binnen. Ondertussen dronk ik verschillende glazen water om de kans op nierbeschadiging zo klein mogelijk te houden en kletste met de verpleegkundige over de veranderingen in de ziekenhuiswereld. Er waren sinds een paar jaar veel nieuwe middelen bijgekomen, vertelde ze, vooral immuuntherapieën op het gebied van hematologie en longkanker.

Het infuus riep herinneringen op aan de chemo. Ook toen wandelden we na de behandeling huiswaarts en was het wachten op het moment dat ik ziek zou worden. Ik vind dat mentaal  zwaar. De wetenschap dat je bewust iets in je lichaam spuit, waarvan je zeker weet dat je er beroerd van wordt. Uiteraard met een doel voor ogen, maar toch.
Eenmaal thuis voelde ik me prima. Ik had zelfs flinke eetlust en Frans haalde twee pizza’s die we gretig verorberden. Ik begon zelfs stille hoop te krijgen dat ik tot de zeldzame gevallen zou behoren die geen bijwerkingen kregen.
Van het één op het andere moment voelde ik me naar worden. Vreemde hartkloppingen, een knallende hoofdpijn, misselijk, buikkrampen, ijskoude rillingen, spierpijn, stekende pijn in mijn botten. Nu moest ik net als bij de chemo lijdzaam wachten tot het over zou gaan. Het uithouden. Afwachten en volhouden. Daar ben ik gewoon niet zo goed in. Ik vind ziek zijn zo’n verspilling van kostbare levenstijd. Tijd die ik veel liever aan leukere dingen besteedt.

Gelukkig knapte ik redelijk snel weer op. Af en toe krijg ik nog een aanval van misselijkheid en acute diarree waarbij ik het dan ijskoud krijg. Net of al mijn bloed naar mijn maag en darmen trekt. Mijn hoofd is nog wat wazig en ik kan me nog moeilijk concentreren, maar ik ben weer mee geweest naar een verjaardag waar ik me tegoed heb gedaan aan taart en toastjes en heb genoten van het gezelschap.

Ik hoop dat de bijwerkingen langzaam wegtrekken en ik me vol kan gaan richten op onze rondrit door Europa, de presentatie over omgaan met kanker die ik aan het voorbereiden ben en niet te vergeten mijn pianoles….

Lichtschuw en levensbang

Afgelopen weekend lag ik op de bank met de gordijnen stijf dicht en een zonnebril op. Niet dat het zonnig weer was. Integendeel, het regende pijpenstelen, maar zelfs het door wolken gedempte winterlicht was teveel voor mijn oog.
Het was begonnen met een irritant gevoel, alsof er een zandkorrel in mijn oog zat. Al snel ging het oog heftig tranen en kreeg ik stekende pijnscheuten als er licht in mijn oog viel of als ik mijn hoofd naar links bewoog.
De opticien, waar ik voor de zekerheid mijn oogdruk liet meten, viel het op dat mijn pupillen ongelijk waren en verwees me door naar de huisarts. Die dacht aan een ontsteking. De antibiotica zou binnen een dag moeten werken. Bij toenemende pijn of lichtschuwheid moest ik niet aarzelen de volgende dag naar de huisartsenpost te gaan.
’s Nachts lag ik wakker van de pijn. Het was alsof iemand met een mes in mijn oog stak. Bij het opstaan kon ik mijn oog niet meer open krijgen. Op de tast liep ik naar de badkamer en verbaasde me erover dat ik zoveel spullen blind kon vinden. Met mijn ogen dicht smeerde ik crème in mijn gezicht, maakte een staart in mijn haar, ging naar het toilet en liep de trap af naar beneden. Mijn geheugen en mijn handen wisten alles prima te vinden, dat vond ik leuk om te merken.
Hoe zou het zijn om blind te zijn?, schoot het even door mijn hoofd. Zou ik daar aan kunnen wennen? Er zouden zoveel dingen afvallen, die ik heel graag doe. Zoals lezen, televisie kijken, sporten, genieten van mooie natuurlandschappen of uitdrukkingen op gezichten. Ik ben erg visueel ingesteld. Ik zou het verschrikkelijk vinden om niets meer te kunnen zien. Er zouden andere dingen voor in de plaats komen natuurlijk. Het luisteren naar muziek, de aandacht voor iemands stem, geuren, aanrakingen, maar toch. Zo’n akkefietje met mijn oog deed me weer even beseffen hoe heerlijk het is om te kunnen zien en hoe vanzelfsprekend ik dat meestal vind.
De arts van de huisartsenpost onderwierp mijn oog aan een uitgebreid en pijnlijk onderzoek. Om het vol te kunnen houden werd mijn oog verdoofd. Dat bracht een heerlijke, tijdelijke verlichting van de pijn. Er werd niets bijzonders gevonden en het advies was om de antibiotica voort te zetten. Mocht de pijn niet minder worden, moest ik de volgende dag terugkomen.
Thuis nestelde ik me op de bank met een kopje thee en een koptelefoon met mijn lievelingsmuziek. De telefoon die regelmatig rinkelde negeerde ik. Geen zin om op te nemen. Totdat Frans, die net aan het douchen was,  nat en naakt de trap af kwam rennen met de telefoon in zijn hand en me toefluisterde dat het de huisartsenpost was. De huisarts die me had onderzocht, zei dat hij me al drie keer had gebeld, maar telkens geen gehoor had gekregen. Sorry,  zei ik verontschuldigend, ik had geen zin om op te nemen.
De arts had het vanwege de heftige pijn toch niet vertrouwd en had contact opgenomen met een oogarts, die dacht dat het een ontsteking van de oogrok was. Scleritis, een ontsteking dieper in het oog en bijzonder pijnlijk. Er stond een ander medicijn voor me klaar. Ik voelde me ontroerd en dankbaar voor de betrokkenheid van de arts, die zo met mijn leed begaan was.
De pijn zakte al snel af en ook het tranen werd minder. Toch voelde ik me bang en somber. Ik had even helemaal nergens meer zin in. Ik was levensbang. Ik voelde me angstig voor alle nare dingen die het leven nog voor me in petto zou hebben. Ik wist wel hoe dat kwam.
Vrijdagmiddag, na het bezoek aan de huisarts, had ik een afspraak met de nieuwe oncoloog gehad. Enigszins ontredderd had ik daar gezeten met mijn heftig, tranende oog en mijn zonnebril op. Het was de oncoloog niet eens opgevallen volgens mij. Hij was vooral verdiept in mijn statistieken en mijn uitslagen. Ik had een meting van mijn botdichtheid gehad en die was niet goed. Door invloed van de anti-hormoontherapie worden mijn botten in rap tempo afgebroken. Ondanks de calcium en vitamine D supplementen is de afbraak groter dan de opbouw.
Om mijn kansen op overleving te vergroten adviseerde de oncoloog nog drieënhalf jaar door te gaan met de hormoontherapie. Dat was even slikken. Ik had gehoopt het kankertraject te kunnen afronden. Bovendien zou ik drie jaar lang elk half jaar een infuus krijgen met een middel om de botafbraak tegen te gaan. Goed nieuws natuurlijk dat er iets tegen de botafbraak gedaan kan worden. Bovendien beschermt het middel me tegen uitzaaiingen in de botten. Ik knikte dan ook instemmend toen ik tegenover de oncoloog zat, maar eenmaal thuis zakte de moed me in de schoenen. Weer aan het infuus. Weer ziek zijn. De bijwerking van het anti-botafbraak medicijn is drie dagen hoge koorts met griepachtige verschijnselen als spier- en botpijn, rillingen en hoofdpijn. Ik had daar zo helemaal geen zin in.
En toen ik zaterdag na het telefoontje van de arts van de huisartsenpost op zocht wat een scleritis eigenlijk is, schrok ik me een ongeluk toen ik las dat dit slechts zelden wordt veroorzaakt door een infectie, maar er meestal een auto-immuunziekte of een tumor aan ten grondslag ligt. Mijn maag kromp ineen en ik voelde een vlaag van misselijkheid opkomen. Zou ik een uitzaaiing in mijn hersenen hebben?
Dus ja, ik was levensbang. Niet doodsbang. De dood leek me eerder een verlossing, dan hoefde ik al die ellende die voor me lag niet mee te maken. Levensbang. Bang voor de risico’s die het leven nu eenmaal met zich meebrengt. Angst voor wat er mogelijk allemaal mis kan gaan. Angst voor alle nare dingen die me nog te wachten staan. Weg was het vertrouwen dat alles goed zou komen. Sinds de chemotherapie had ik me niet meer zo kwetsbaar en bang gevoeld. Ik heb de angst omarmd. Het mag er zijn. Net als mijn verdriet en onzekerheid.

En nu zit ik weer achter mijn computer, nog wel met mijn zonnebril op, maar het oog geneest goed. De gordijnen zijn weer open en voor volgende week dinsdag staat het anti-botafbraak infuus gepland. Ik heb weer nieuwe moed verzameld in de strijd tegen terugkeer van de kanker. Steek een kaarsje voor me op en bid, net als ik, dat de bijwerkingen meevallen, want ik zie er gigantisch tegen op. Ik ben niet meer lichtschuw, maar nog wel een beetje levensbang.

 

Dierenvriend

Als ik thuiskom van het boodschappen doen tref ik op ons grasveld een klein egeltje aan. Ze zit een beetje in elkaar gedoken en kijkt me vragend aan. Als ik op mijn hurken bij haar ga zitten, loopt ze waggelend naar me toe. Ze loopt moeilijk en lijkt verzwakt. Op internet zoek ik op wat egels eten, maar eenduidig is dat niet. Daarom bel ik Stichting Opvang Noach, een stichting die hulp biedt aan in het wild levende inheemse dieren, om ze na verzorging en revalidatie weer terug te zetten in de natuur. Hier krijg ik het advies om kattenvoer te geven. Het liefst kip of rundvlees, want egels zijn kieskeurige eters. Dus fiets ik terug naar de winkel om een blikje kattenvoer te kopen voor de hongerige egel. De egel is helemaal niet bang en komt snuffelend op het bakje kattenvoer af dat ik in mijn hand houdt. Ze ruikt aan de vochtige brokken en begint dan voorzichtig, proevend te eten. Ze eet langzaam en maakt hierbij smakkende geluiden. Als ik een uur later terugkom is ze verdwenen. Het bakje is nog half vol. Ik hoop dat ze sterk genoeg is om de winter door te komen.

Een week daarvoor liepen we naar onze auto op weg naar een verjaardag toen ik een zielige kauw zag zitten. De kauw hipte opzij toen wij eraan kwamen, zijn vleugel meeslepend over de grond. Ik kon niet zomaar in de auto stappen en hem aan zijn lot overlaten. Ik ging achter de computer zitten en vond Stichting Opvang Noach in Halle, waar we de kauw konden brengen om weer op krachten te komen.
Maar hoe vang je een kauw zonder dat deze je hele handen aan gort pikt met zijn snavel? Dat is verrassend eenvoudig als je een doek over de kauw gooit. Noach gaf ons het advies de kauw in een kleine doos te stoppen met een doek erover heen. Het donker en de kleine ruimte geven de vogel een gevoel van geborgenheid en dan wordt hij vanzelf rustig. En dus reden we met de zielige kauw in een doos op schoot naar Stichting Noach in Halle waar ervaren vrijwilligers zich over het dier ontfermden. We gaven een vrijwillige gift voor het goede werk van deze dierenvrienden en kwamen een ervaring rijker, een uur later dan gepland op de verjaardag aan.

Gelukkig houdt Frans net als ik van dieren en vindt hij het niet gek om een gewonde kauw naar de dierenopvang te brengen, extra voer voor een egel te kopen of eindeloos te tutten met een ziek konijn. Hij ondersteunt me altijd in dit soort acties. Sterker nog: zijn liefde voor dieren is de reden dat ik als achttienjarige voor hem viel. Hij vertelde zo enthousiast en liefdevol over zijn tamme muizen, dat mijn hart direct de dierenvriend in hem herkende.
Ik weet ook nog de keer dat we samen een dagje weg zouden gaan. Het was in het prille begin van onze relatie en we woonden allebei nog bij onze ouders. Toen ik bij hem thuis arriveerde zat Frans met een uit het nest gevallen spreeuw op schoot die hij met eindeloos geduld wormen zat te voeren. Overbodig te vermelden dat we die dag niet weg gingen, maar bij de spreeuw bleven tot hij doodging.

Dus toen we laatst in het dierenasiel in Doetinchem waren om een nieuw maatje voor Alwin te zoeken, wist ik wel hoe laat het was toen Frans met tranen in zijn ogen zei: ‘deze wil met ons mee’. Het ging om ‘Bommeltje’ een vergeten konijn dat ergens tussen twee kattenrennen zat weggemoffeld in een hokje. Ze zat daar al meer dan een jaar en niemand wilde haar hebben. En nu hebben wij een konijn met chronisch snot en een darmprobleem waardoor ze extra duur voer nodig heeft, maar ze is zo ontzettend lief dat wij en Alwin heel erg blij zijn met haar.
Bovendien weet ik weer heel goed waarom ik destijds verliefd ben geworden op Frans. Mijn hart maakt een extra sprongetje voor mijn lieve dierenvriend.

Wespennest

Een wespensteek kan venijnig pijn doen. Ik heb eens een steek in mijn kleine teen gehad van een wesp die zich in mijn schoen schuil hield en die uit puur zelf behoud een prik met zijn angel uitdeelde toen ik zijn lijfje met mijn voet dreigde te verpletteren. Ik meen me te herinneren dat ik dagenlang last heb gehad van een pijnlijke kleine teen.
Hoewel wespen irritant om je hoofd kunnen zoemen en hun steek pijnlijk is, ga ik er altijd vanuit dat ze mij nooit met opzet zullen steken. Toen ik vanaf augustus regelmatig wespen in ons huis aantrof, zag ik daar dan ook geen kwaad in en dirigeerde ze rustig door het open raam naar buiten. Ook de wespen die enigszins versuft op de treden van onze trap lagen, hielp ik liefdevol de frisse buitenlucht in. Ik pakte een velletje papier, hield dat voor hun neus en zodra ze erop zaten bracht ik hen naar buiten toe waar ik ze op een blad van een struik liet plaatsnemen.
Tot op een dag een vriend met een warmte camera in ons huis rondliep. Het viel hem op dat er in het plafond op onze overloop een vreemde warme plek zat. Hij dacht aan een nest. Een wespennest wist ik ineens zeker. Om dit te checken boorden we een rond gat door de hardboard plaat op de plaats waar de vreemde warme vlek zat. En ja, achter het gat vonden we de bewijzen van een wespennest. De vriend opperde een ongediertebestrijder in te schakelen. Hij kende persoonlijk iemand die gespecialiseerd is in het weghalen van wespennesten en zou eens voor mij informeren.
Bij weghalen dacht ik aan het verwijderen van het nest, maar in de praktijk betekende dit het nest volspuiten met gif. Het gif komt dan aan de pootjes van de wesp, waardoor hun zenuwstelsel wordt aangetast en ze langzaam doodgaan.
Ik zocht op internet naar een alternatief. Ik vond het een vreselijk idee om een gifwolk in mijn huis te spuiten, zeker omdat onze slaapkamer vlakbij is. En als het gif op de zenuwen van de wespen slaat waarom dan niet op die van ons?
Ik verdiepte me in het leven van de wesp en kwam erachter dat wespen heel nuttige dieren zijn. Ten eerste eten ze insecten zoals muggen en vliegen, maar ze ruimen ook kadavers op door stukjes van het rottende vlees te eten. Ze bouwen prachtige nesten van stukjes hout die ze mengen met hun speeksel, waardoor er een soort papier-maché ontstaat. Een nest bevat duizenden wespen, veruit de meeste zijn werksters, maar elk nest bevat ook koninginnen wespen. De koninginnen zijn groter en worden gevoed door de werksters. De koninginnen leggen de eitjes voor het volgende jaar. Rond november sterven de werksters een stille dood. Alleen de koninginnen overleven de winter en gaan in het voorjaar op zoek naar een plek om een nieuw nest te bouwen en eitjes te leggen. Een eenmaal verlaten nest wordt niet opnieuw gebruikt.
Ik dacht: mooi, probleem opgelost. De wespen gaan vanzelf dood en het nest wordt niet opnieuw gebruikt en kan dus blijven zitten. Mijn vriend voorzag toch een probleem en verbond me door met zijn persoonlijke wespendeskundige. Deze maakte me aan het schrikken met zijn verhalen uit de praktijk. Een wespennest zoals bij ons in het dakbeschot kan heel groot worden en zich door het hele huis verspreiden, de wespen knagen stukjes hout van de balken en ondermijnen daarmee de draagconstructie van de woning. Uit één nest kunnen wel tweehonderd koninginnen komen die in het voorjaar dus op tweehonderd nieuwe plaatsen een nest gaan bouwen. De schrik sloeg me om het hart. Ik zag ons dak al bezwijken door duizenden knagende wespen, die overal nesten hadden gebouwd.
‘Ja mevrouw, ieder jaar vallen er weer doden, doordat de wespen zich een weg vreten door zachtboard plafonds in slaapkamers en hun nest terechtkomt op de nietsvermoedende bewoners die in hun bed liggen te slapen’, deed de ongediertebestrijder er nog een schepje bovenop. Doodgestoken worden door duizenden wespen uit een nest. Het komt voor in Nederland. Ik begon nu te begrijpen waar de term ‘wespennest’ voor staat.
Het oude wespennest moest ook worden weggehaald. Het was een bron van uitwerpselen en bacteriën zo verzekerde de ongediertebestrijder me. Het zou gaan stinken en lekken.

En zo trokken mijn vriend en ik op een stoute dag in de herfst toen ik al een tijdje geen wespen meer had gezien, de hardboard platen weg en ontdekten we een magistraal wespennest. We konden niet anders dan vol bewondering naar dit enorme nest kijken. De kleurschakeringen waren als van een zandkasteel. De architectuur als een ingewikkelde torenflat alla Gaudi, met aan elkaar geknoopte verdiepingen en prachtige symmetrie.
We hakten het bouwwerk in kleine stukken en vulden er vier grote vuilniszakken mee. Gelukkig troffen we geen enkele levende wesp meer aan. De koninginnen waren blijkbaar uitgevlogen en de werksters waren dood. De rest van de dag besteedden we aan het doorzoeken van de woning op tekenen van wespenactiviteit en hingen we stinkende zeepblokjes op. Wespen hebben een hekel aan bepaalde geuren. Als ze deze ruiken zullen ze deze plaats niet snel uitkiezen voor het bouwen van een nieuw nest. Wespen bezitten een geweldig reukorgaan. Ze ruiken geuren op meters afstand. En een wesp in nood scheidt een geur af, een feromoon waarop zijn mede wespen worden gealarmeerd en naar hem op zoek gaan om hem te helpen. Deze vriendjes van de wesp in nood zijn agressief en trekken ten strijde om hun vriend te redden.

Het wespennest is ontmanteld. Ik ben vol bewondering voor deze bijzondere dieren, maar houdt ze vanaf heden ook nauwlettend in de gaten.

Tip: kijk vooral naar de prachtige bouwstijl!

Avonturen en praatjes op de fiets

‘Vind je het niet eng?’, vroeg mijn 84-jarige moeder, toen ik vertelde dat er een man naast me was komen fietsen. ‘Nee, hoor mam, helemaal niet’, stelde ik haar gerust. De betreffende man was naast me komen fietsen, toen ik de Amerongse  berg aan het beklimmen was en ik werd ingehaald door een peloton zwoegende mannen. ‘Hoeveel Watt trap je weg?, vroeg de sportieve grijsaard die zelf op een mountainbike zat. ‘Wat?’, grapte ik terug. ‘Geen idee’, voegde ik er aan toe, ‘ik doe altijd maar wat.’ ‘Ik heb zelf ook geen idee hoor’, antwoordde de man. Hij woonde in de buurt en maakte een rondje door de Utrechtse heuvelrug en het rivierenlandschap. Toen ik  terloops vertelde dat ik op weg was naar Noordeloos, waar mijn man aan het paragliden was, leverde me dat een bewonderende blik op. ‘Zo dat is nog wel een eindje weg’, zei de man. ‘Ja, nog zo’n 75 kilometer te gaan’, antwoordde ik enigszins trots en hijgend, omdat pratend een berg op fietsen me veel inspanning kost. Voordat ik het in de gaten had, deed ik verslag van mijn Col d’Aubisque avontuur en vertelde de mountainbiker me zijn fietservaringen. Boven aangekomen splitsten zich onze wegen; ik reed via de dijk naar Wijk bij Duurstede en de man verdween in de beboste heuvels.

Sinds ik fiets heb ik regelmatig van dit soort spontane, korte ontmoetingen van fietsers onder elkaar. Hoewel het eigenlijk bijna altijd om mannen gaat, die ik soms op wel heel afgelegen landweggetjes ontmoet, heb ik tot nu toe alleen maar positieve ervaringen. Even een praatje maken en dan fietsen ze weer door. Ik geniet van deze praatjes op de fiets.
Laatst stond ik even een boterhammetje te eten op een verlaten parkeerplaats, toen er een jongeman met flitsende zonnebril in een blauwe bolide op me af kwam rijden. Vlak voor me kwam hij tot stilstand, draaide het raampje open en glimlachte. ‘Gaat alles goed mevrouw? Ik zag u zo staan wrijven over uw arm en dacht misschien heeft u hulp nodig of bent u gevallen.’ ‘Wat ontzettend lief van je, zei ik verrast, ‘maar alles is prima in orde, dank je wel.’ ‘Nog een fijne dag, mevrouw, antwoordde de jongen die ik niet ouder schatte dan twintig jaar, terwijl hij van de parkeerplaats scheurde. Met een glimlach stapte ik weer op de fiets. Heerlijk van die galante mannen. En wie zegt dat de jeugd van tegenwoordig niet behulpzaam is, die heeft het dus mis.

Hoewel ik me na mijn val met de racefiets, streng had voorgenomen niet meer over zandpaden te fietsen (hoe aantrekkelijk ze er soms ook uitzien), ging ik toch direct de volgende keer dat ik op de fiets stapte weer voor de bijl. Dat kwam zo. Ik fietste in de buurt van Dinxperlo en wilde weer huiswaarts keren. Ik had een lange weg achter me liggen, toen ik een grote weg naderde waarop geen fietsers waren toegestaan. Voor me lag een weggetje dat na twee honderd meter over zou gaan in een onverhard pad. Mijn dilemma: omdraaien en het hele eind weer terug fietsen de verkeerde richting op of ….  De keuze was snel gemaakt. En zo bevond ik mij weldra op een smal zandpad dat overging in een bospad wat bezaaid was met takken, kastanjes en eikels. In het bos raakte ik het spoor bijster en stapte ik af om me te oriënteren. Een passerend echtpaar op de elektrische fiets vroeg waarheen ik op weg was. Ik antwoordde dat ik op zoek was naar een verharde weg, die geschikt was voor mijn racefiets. ‘Volg ons maar’. En hop daar vertrokken ze in rap tempo. Ik moest alle zeilen bij zetten om ze bij te houden, terwijl er af en toe een eikel onder mijn wiel vandaan sprong. Eindelijk dan kwamen we uit op een verharde weg. Het echtpaar wees me de weg richting Ulft en de vrouw zei, ‘nu kun je weer lekker los gaan.’ Daarop fietste ik er als een dolle vandoor, want ik wilde niet dat de twee oudjes op hun elektrische fiets me zouden inhalen.

Op de laatste zomerse dag van het jaar ging ik met Frans mee naar Sterksel in Brabant. Frans loopt hier stage bij vliegschool Action Air voor zijn opleiding tot paragliding instructeur. Ik pakte mijn racefiets uit de bus, die we op een verlaten weiland hadden geparkeerd, en begon – op aanraden van een fietsvriend – mijn tocht naar de Strabrechtse heide.
Op de knooppuntenborden had ik gezien welke route ik hiervoor moest volgen. Bibberend zat ik op mijn fiets, want het was om 9.00 uur ’s ochtends nog behoorlijk koud. Al snel stuitte ik op een onverharde weg. Ik keerde om en probeerde via een andere route naar de Strabrechtse heide te komen. Na vier pogingen die allemaal uitliepen op een onverhard pad gaf ik mijn voornemen om met mijn racefiets niet meer over onverharde paden te fietsen op. Ik volgde een knooppuntenroute dus uiteindelijk zou ik wel weer goed uitkomen. Halverwege het hobbelige keienpad, stapte ik af. Mijn armen waren trillerig van het opvangen van de schokken en ik besloot verder te wandelen met de fiets aan de hand. Er leek geen einde aan het pad te komen. Nu ik al zover was, vond ik omdraaien  geen optie meer.
Tot mijn verrassing eindigde het pad in een bos en was er nergens meer een knooppuntenbordje te bekennen.

Terwijl ik op mijn racefiets door het bos reed, bedacht ik dat ik wellicht toch een mountainbike aan mijn fietscollectie wil toevoegen. Ik vind door het bos fietsen gewoon super leuk. Toen ik het fietsen echt niet meer verantwoord vond, wandelde ik verder door een prachtig natuurgebied. Geheel onverwacht kwam ik uit op een weg en vond daar het knooppuntenbordje waar ik naar op zoek was. Ik vervolgde mijn tocht over een geasfalteerd fietspad en kwam na tien minuten aan bij de Strabrechtse heide.
Wijs geworden door mijn eerdere ervaring van die ochtend, bleef ik de grote weg volgen en liet mij niet verleiden om het gebied in te gaan. Dit ging goed, totdat ik een bordje met een LF-route zag. Van mijn vrienden weet ik dat LF staat voor langeafstandsroute en dat dit prachtige routes zijn voor de racefiets. Dus ik hop het bordje met LF volgen. Na een scherpe bocht kwam ik de eerste racefietser al tegen, dit was voor mij het teken dat ik op de goede weg was. Niet lang daarna verwerd het fietspad echter tot een soort crossbaan voor motoren. Het was een grote zandbak die ook nog eens omhoog en omlaag ging. Dus maar weer een stukje gewandeld. Ik ploegde voort door het losse zand, terwijl ik mijn fiets vooruit de helling opduwde. Op de stukjes die iets beter waren probeerde ik te fietsen. Ik hield wel mijn linkervoet los, zodat ik snel met mijn voet bij de grond kon wanneer mijn achterwiel weg slipte. Ik kwam een jongen tegen die net zo ongemakkelijk en gespannen op de fiets zat als ik, en riep hem lachend toe dat we wel op een uitdagend stukje van de route zaten. Na een kwartiertje voortploeteren, riep een mountainbiker me bemoedigend toe dat het weldra beter zou worden. En inderdaad bereikte ik snel daarna een verhard grindpad.
De steentjes waren scherp en ik was bang voor een lekke band. Ik heb nog steeds geen ervaring in het verwisselen van een bandje en dat wil ik graag zo houden, hoewel ik sinds kort wel een gaspatroon voor het weer op druk krijgen van een lege fietsband bij me draag in mijn wielershirt.
De Strabrechtse heide was prachtig, maar ik moest mijn focus op de weg houden. Het smalle fietspad was populair bij mountainbikers, wielrenners, e-bikes met zijspiegels die midden op het pad bleven fietsen en me bijna de berm instootten en wandelaars die geen zin hadden om op het mulle zandpad te lopen. Daarom nam ik op een bankje even pauze om het landschap in me op te nemen.

Via Someren en Asten fietste ik naar Nationaal Park de Grote Peel. Prachtige geasfalteerde paden hadden ze hier. Alleen heel jammer dat het verboden was voor fietsers! Omdat ik toch wel heel graag dit mooie gebied wilde verkennen, parkeerde ik mijn fiets bij een oude boerderij en wandelde over de verharde paden langs vogelrijke vennen. De verharde paden gingen over in houten vlonders en uiteindelijk in zachte zandpaden. Omdat fietsschoenen nu eenmaal niet heel prettig lopen, kreeg ik na een tijdje behoorlijk pijn aan mijn voeten. Op mijn blote voeten vervolgde ik de wandeling door dit vennengebied.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En toen had ik een heel bijzondere ontmoeting. Ik moest eerst even met mijn ogen knipperen of ik het wel goed zag. Op een omgevallen boomstam zat een man met een uil. Toen ik naderde schrok de uil en sloeg zijn vleugels uit. Ik schrok weer van de uil, die er enorm uitzag met zijn uitgespreide vleugels. De man fluisterde echter tegen de uil: ‘rustig maar Sacha, niets aan de hand’, waarop de uil weer rustig ging zitten op de gehandschoende arm van de man. De uil was wit en had pluimpjes op zijn hoofd. Hij keek me doordringend aan met zijn oranje ogen. De uil was een Siberische Oehoe zo vertelde de man me. Deze vogel kan op driehonderd meter nog een spitsmuis in de struiken zien lopen. Zijn gehoor is zo goed, dat hij de kleinste ritselingen opmerkt en feilloos weet waar zijn prooi zich bevindt. Na een klein minicollege van de man met de uil liep ik weer verder. Maar niet nadat ik eerst een foto van de uil had gemaakt. Toen ik weer bij mijn fiets was, die gelukkig nog tegen het hekje stond waartegen ik hem had aangezet, baalde ik ervan dat ik de man niet had gevraagd hoe hij aan de Siberische Oehoe was gekomen en waarom hij de vogel in zijn bezit had.

 

 

 

 

 

 

Nog een beetje onder de indruk van de ontmoeting lette ik niet goed op welke richting ik op fietste, om er na een tijdje achter te komen dat ik nog best een hele terugweg voor de boeg had.  Via google maps probeerde ik terug te komen naar het weiland waar onze bus geparkeerd stond. Helaas waren niet alle wegen die google aangaf verhard… Sterker nog na vele zigzag bewegingen te hebben gemaakt en voor mijn gevoel weinig te zijn opgeschoten in de goede richting, kwam ik wederom terecht op een bospad. Een pad dat zelfs een uitdaging zou zijn voor iemand op een mountainbike. En dus ging ik maar weer wandelen. Ik bedacht dat ik nog niet eerder zoveel had gewandeld met een fiets. Het was een heel lang, recht pad met alleen maar mul zand, maar het ging wel precies de goede richting op. Heel in de verte zag ik een geparkeerde auto staan. Dat werd mijn focus. Daar moest ik naartoe.

Bij de auto stond een jong stel dat mij nieuwsgierig aankeek toen ik met de fiets aan de hand voortploegend uit het zandpad tevoorschijn kwam. ‘Zo, de avontuurlijke weg gekozen?’, vroeg de man lachend. ‘Ja, ik ben op zoek naar mijn man’, antwoordde ik en ik realiseerde me dat mijn antwoord nogal vreemd moest overkomen, daarom toonde ik hen mijn mobieltje met daarop in google maps een rondje met de F van Frans in een groene vlek zonder wegen. Ik vertelde erbij dat mijn man aan het paragliden was en daarom in een verlaten weiland stond.
‘Oh, zei de vrouw, je man is aan het paragliden? Nou dat is bij ons achter het huis. Als je zo fietst, ben je er met twintig minuten. Het is wel onverhard. Is dat een probleem?’ Ik was zo moe en ik wilde maar één ding, rustig zitten en een zak chips leegeten, dat het me echt geen donder meer kon schelen of het verhard of onverhard was. Gretig fietste ik de aangewezen kant op en zag dat ik steeds dichter bij het rode vlekje in het groene weiland kwam.

De paragliders waren al uitgevlogen toen ik arriveerde en in een stoel neerplofte. Ik kreeg een drankje aangeboden en er lag een heerlijke zak zoute chips voor mij klaar, die ik dankbaar verorberde.

Onverharde wegen, ze komen telkens weer op mijn pad, net als ‘toevallige’ ontmoetingen met onverwachte wendingen. Dat maakt het (fiets)leven zo leuk.

 

Fietsen met Frans

Het ongelooflijke is gebeurd: Frans is ook aangestoken door het fietsvirus. Hij heeft zelfs een nieuwe fiets gekocht; een crossbike. Een fiets die de beste eigenschappen van racefiets en mountainbike combineert. Een flitsende fiets met een verende voorvork, stevige banden, schijfremmen en een grote range aan versnellingen.
Nu we samen fietsen is het me duidelijk geworden dat Frans niet van de grote, rechte stukken is. Hij houdt – net als met alle andere dingen in zijn leven – van afwisseling. Met Frans aan mijn zijde fiets ik dan ook niet verder dan vijftien kilometer zonder een terrasje aan te doen en we beginnen standaard met een koffiepauze. Met Frans fietsen is vooral relaxed en gezellig. Meestal halen we nog niet de helft van de route die ik vooraf globaal had gepland. Maar wat maakt het uit, het zijn altijd super gezellige dagen waar ik met een warm hart aan terug denk.
Op het vlakke land wil ik hem nog wel eens horen zeggen dat ik ‘de gang er flink in heb’. Wat me deugd doet, want ik fiets tenslotte al een jaar lang de longen uit mijn lijf en het is best frustrerend dat hij me zonder enige training moeiteloos bij kan houden. In de bergen is het anders. Dan lijkt Frans ineens extra kracht te krijgen en rijdt hij speels en vrolijk kirrend omhoog. Daarbij wil hij nog wel eens vergeten dat ik een racefiets heb en onverharde paden echt niet geschikt zijn voor mijn smalle bandjes. Toen we laatst in de buurt van Koblenz door de wijngaarden fietsten met uitzicht op de Rijn koos hij bij voorkeur steile bergwegen uit die steevast eindigden in een hobbelig keienpad.
Nu houd ik gelukkig ook van steile klimmetjes en een afwisselend parkoers, maar met de racefiets is het soms ook heerlijk om over een strak geasfalteerd fietspad te zoeven.
Nu ik samen met Frans fiets en hij niet meer als een veilig vangnet met de camper achter me aan rijdt, moet ik ervoor zorgen dat ik de hele route vol kan houden én moet ik bij iedere berg die ik beklim er rekening mee houden dat ik ook weer omlaag moet. Dat laatste komt mijn daaltechniek ten goede. Na een venijnige klim in de heuvels bij Koblenz, wachtte een kilometerslange afdaling met haarspeldbochten. Ik boog naar voren en plaatste mijn handen in de beugels, mijn wijsvinger en middelvinger losjes om de rem. Het was vreemd om zover met mijn hoofd naar beneden te liggen, maar tot mijn verrassing kon ik de snelheid heel goed reguleren en kreeg ik op deze manier geen kramp in mijn handen. In één van de bochten voelde ik mijn achterwiel wegglijden op het losse grint dat er lag, maar gelukkig bleef ik overeind.
Overmoedig geworden door de geslaagde afdaling, waarbij ik de wind langs mijn hoofd voelde suizen, kozen we voor een super steile laatste klim naar de camping. Een beklimming over kasseien, die alles in mijn lichaam in trilling brachten. Frans speerde er direct vandoor. Ik wilde me niet laten kennen en ploeterde, zwetend achter hem aan. Mijn benen verzuurden, mijn armen trilden, maar keitje voor keitje kwam ik boven, waar ik halfdood neerviel in het gras. Het zweet gutste van mijn lijf, terwijl ik het laatste restje water uit mijn bidon over mijn gezicht liet stromen. Ik keek naar Frans, die bekende dat hij ook ‘best wel moe’ was.

Iedere wielrenner valt wel een keer, zo was me verzekerd door ervaringsdeskundigen. Ik had besloten dat ik daarop de uitzondering zou worden, want ik was doodsbang om op mijn lymfoedeem arm te vallen en daar blijvend last van te houden. Daarom fietste ik erg voorzichtig. Bij elke kruising klikte ik mijn schoenen uit voorzorg al los, ik gaf iedereen voorrang en keek extra goed uit. Ik waagde me nauwelijks aan afdalingen en mijn snelheid lag laag (mijn snelheidsrecord staat op 46 km per uur bij een afdaling op de Holterberg). En toch ben ik gevallen.
Ik fietste met Frans in de buurt van Winterswijk op een weg die overging in een zandpad. Het eerste stuk was het pad nog hard, maar langzaam kwamen er steeds meer stukken met rul zand. Ik was er niet helemaal bij met mijn gedachten en ineens pats boem daar lag ik met mijn snufferd in het zand. Ik fietste heel langzaam en de val was niet hard, maar ik had overal zand zitten. In mijn mond, in mijn neus, onder mijn bril. Gelukkig was ik op mijn linkerarm gevallen en had ik alleen wat schaafwondjes en butsen op mijn knie. We maakten alles schoon met water en ontsmetten de wondjes met het kleine flesje dettol dat ik uit voorzorg altijd bij me heb. Later ontdekte ik dat de muis van mijn rechterhand pijnlijk en dik werd. Mijn lichaam heeft dit echter prima opgevangen en het vocht in mijn arm is niet heel erg toegenomen. Mijn eerste val met de fiets is een feit en was niet zo erg als ik me had voorgesteld. Desalniettemin wil ik het graag bij deze ene val laten.

Frans riep dat ik beter kan gaan paragliden, dat is een stuk veiliger dan fietsen…

Col d’Aubisque here we come: ‘Samen naar de top’

Vrijdag 28 juni is dan eindelijk de grote dag aangebroken; de dag dat ik samen met 170 andere deelnemers (106 fietsers, 50 wandelaars en 14 hardlopers) de Tristan Hoffman Challenge aan ga om voor Stichting Kanjers voor Kanjers de col d’Aubisque te beklimmen. Het is geen wedstrijd, maar een challenge, waarbij het doel is dat we er samen voor zorgen dat iedereen de top haalt.

Elke deelnemer heeft zijn eigen persoonlijke challenge; de een heeft zich ten doel gesteld om in een zo snel mogelijke tijd naar boven te racen en vanaf de top de andere deelnemers aan te moedigen bij de laatste af te leggen meters, voor een ander is het beklimmen van de berg een persoonlijke overwinning na ernstige ziekte, zoals voor mijzelf of voor de vrouw die na een herseninfarct met haar arm in de sling, ondersteund door vriendinnen de berg op wandelt. Weer anderen nemen zich voor vooral te genieten en lachend over de finish te komen, omdat dat er de vorige keren door alle indrukken bij in is geschoten.

Sinds een paar dagen logeren we met de hele groep bij hotel Alba in hartje Lourdes. Er hangt een sfeer van verbroedering, iedereen helpt elkaar, de ervaren deelnemers bemoedigen groentjes zoals mij en voorzien hen van tips. Er wordt veel gelachen en als vanzelf worden we opgenomen in de groep.
Ik heb bewondering voor het kernteam; een groep vrijwilligers die de hele organisatie van het evenement pico bello hebben verzorgd. Nu ik ter plekke ben realiseer ik me pas wat er allemaal bij komt kijken om zo’n grote happening te organiseren. Het transport, de logistiek, de verzorging op de dag zelf, het zorgdragen voor de veiligheid van de deelnemers, maar ook het verblijf en de heen- en terugreis.
Het kernteam is er op de dag van de challenge voor de deelnemers. Ze zetten zich in om iedereen op verantwoorde wijze naar de top te begeleiden; door aan te moedigen, door pauze plekken in te richten met drankjes, reepjes en bananen, door met motoren en auto’s de berg op en neer te rijden om te zien hoe het met iedereen gaat, om te kijken of het medisch nog verantwoord is om door te gaan, door foto’s te maken en door een fantastische ontvangst op de top van d’Aubisque, waar uiteindelijk Tristan Hoffman wacht om je de welverdiende medaille om te hangen.

Dinsdag is de dag dat de vrijwilligers zelf de challenge aangaan om de col d’Aubisque te bedwingen. Daarom staan Frans en ik net na de start  – ik in mijn Tristan Hoffman tenue voor de herkenbaarheid – bij de steile beginklim van de berg luid te klappen en te joelen ter aanmoediging van deze kanjers.
Dinsdag is ook de dag van Frans. Het weer is goed om te paragliden vanaf de top van de col de Couraduque. Met een groepje enthousiastelingen rijden we omhoog en geeft Frans uitleg over zijn geliefde sport. Margo, degene die me heeft aangezet tot fietsen, mag als eerste met Frans mee de lucht in. Als een vogel zweeft het grote, gele scherm door de lucht. Ik rijd met de bus naar beneden om Frans en Margo bij het landingsveld weer op te pikken. Margo heeft een grijns van oor tot oor op haar gezicht. We rijden opnieuw omhoog waar de tweede passagier al staat te popelen om de lucht in te gaan, hoewel het natuurlijk altijd spannend blijft om voor het eerst een tandemvlucht te maken. En zo geeft Frans die dag drie mensen een bijzondere ervaring die ze waarschijnlijk nooit meer vergeten. Daarna wordt de wind te hard en is het te gevaarlijk om nog te starten.

Donderdag is een snikhete dag, waarbij het kwik oploopt tot tegen de veertig graden. Op de trappen voor de Rozenkrans basiliek maken we een groepsfoto met het kernteam van vrijwilligers en alle deelnemers aan de challenge. Het ziet er imposant uit.
Daarna verkennen Frans en ik de verschillende kerken en gebouwen van Lourdes. Wegens de warmte zijn de pelgrimsoptochten afgelast. Ik krijg zelf ook last van de hitte en ben blij als ik op de koele hotelkamer op bed lig om even bij te komen. De rest van de middag gebruiken we om de laatste voorbereidingen te treffen: de spullen voor morgenvroeg klaarleggen, de banden van de fiets oppompen en natuurlijk het naambordje vastmaken aan het stuur. Ik heb last van mijn maag en darmen en voel me slap. Daarom brouwt Frans een speciaal maaltje voor mij in de camper en laat ik het viergangen diner aan me voorbij gaan.

De app-groep ‘Op naar de top Dorothé’ die we hebben aangemaakt, explodeert met aanmoedigingen en lieve woorden. Met zoveel support kan het niet meer stuk. Ik geniet er enorm van dat zoveel familie en vrienden met me mee leven en het leuk vinden me op deze voor mij speciale dag te volgen. Net als tijdens mijn ziekte voel ik me door vele handen gedragen. En net als tijdens mijn ziekte geeft me dat een enorme boost. Ik hoef het niet alleen te doen. Samen gaan we naar de top.

Naast alle support van het kernteam en mijn familie en vrienden zijn er twee mannen aan mijn zijde die er alles aan doen om mijn missie te laten slagen: Frans en Sander. Frans zorgt tijdens de challenge voor de foerage. Samen met Bianca en hondje Sandu, rijdt hij met de camper achter me aan, om me te voorzien van water, cola, sportdrank, reepjes, bananen, brood met pindakaas en wat je verder maar kunt bedenken. Daarnaast is er Sander, die toen ik me net had opgegeven voor de challenge, had aangeboden om me op de fiets te begeleiden. Hij fietst tijdens de challenge met me mee om me mentaal te ondersteunen. Een echte buddy.

Wanneer om zes uur de wekker rammelt, spring ik blij uit bed. Vandaag is de dag. Ik heb er zin in. Frans rijdt me met de camper naar het startpunt van de challenge waar Sander met zijn mountainbike al op me staat te wachten. Wanneer alle fietsende deelnemers van de C-groep (langzamere groep) zich hebben verzameld, knalt om 8.15 uur het startschot. De wandelaars en hardlopers zijn al eerder gestart en na ons komt nog een groep van snellere fietsers.
Na honderd meter begint al een klim van 8%. Ik heb het dringende advies van de fysio goed in mijn oren geknoopt: fiets je eigen tempo, laat je niet verleiden om te snel te gaan in het begin, als je te hard van stapel gaat verspeel je je krachten en is het lastig om te herstellen en je uiteindelijke doel te halen.
Uiterst langzaam ga ik van start en klim heel rustig omhoog. Het duurt niet lang voor ik samen met Sander en nog een andere deelnemer helemaal achteraan fiets. De wielrenners voor ons verdwijnen langzaam uit zicht. Het hindert me niet. Ik had zelf al verwacht dat ik de langzaamste deelnemer zou zijn. Dat had ik dus goed ingeschat. Ik ben wel licht geïrriteerd door de andere deelnemer die zich met zijn wiel tussen Sander en mij in wurmt. Hij blijft een beetje half tussen ons in rijden en zit voor mijn gevoel veel te dicht op me. Ik laat me wat afzakken en hoop dat hij ons inhaalt. Ik wil ruimte. In het voorbij gaan, roept hij naar me dat hij het zo fijn vindt dat hij iemand heeft gevonden die zijn tempo rijdt. Ik heb zelf helemaal niet het gevoel dat we hetzelfde tempo rijden: hij fietst heel onregelmatig, dan weer hard, dan weer zacht en hij stapt heel vaak af. Ik vind het juist fijn om gelijkmatig door te fietsen en niet te pauzeren.


Al na een paar kilometer merk ik dat ik vandaag niet mijn beste dag heb. Mijn benen voelen ‘zwabberig’ aan en ik ben een beetje trillerig. Misschien komt het van de diarree, die ik sinds twee dagen heb, of is het de hitte die als een klamme deken om ons heen hangt? Waarschijnlijk is het gewoon van de spanning, hoewel ik me niet bijzonder zenuwachtig voelde toen ik vanochtend wakker werd. Gelukkig werkt mijn brein nog goed: trillerig dat betekent bij mij meestal een te lage bloedsuikerspiegel en behoefte aan voeding. Dus even afstappen en de tijd nemen om een reepje naar binnen te werken.

De eerste kilometers fietsen we nog in de wolken. Dat lijkt lekker koel, maar ik vind het benauwd en kan mijn warmte niet goed kwijt. De andere deelnemer hijgt en puft alsof hij er bij neer gaat vallen en dat geeft mij nieuwe kracht, want ik heb mijn ademhaling onder controle en voel me langzaam sterker worden. Als we na twaalf kilometer aan de voet van de Soulor zijn aangekomen, heb ik zin in de klim. De fietsers uit de snelle groep zijn ons inmiddels onder luide aanmoedigingen allemaal gepasseerd. We bungelen aan de staart van de race. De ‘bezemfietser’ hijgt in onze nek. Ik voel me hierdoor enigszins opgejaagd. Gelukkig vraagt de bezemfietser even later wat wij prettig zouden vinden; als hij achter ons aan blijft fietsen of als hij wat heen en weer de berg op en neer fietst. Hij lijkt blij met ons antwoord en sprint er algauw met een vaartje van 16 km per uur vandoor.

De klim naar de top van de Soulor is zwaar. Het is verzengend heet. Het zweet gutst van mijn lijf en ik zou het liefst in een ijsbad gaan liggen om af te koelen. Het is nog twee steile kilometers naar de top, dan hebben we het moeilijkste deel van de challenge achter de rug, weet ik. Maar wat duren die twee kilometer gigantisch lang. Er lijkt geen einde aan te komen. Ik grap naar Sander, dat ik nu zelfs zin krijg om af te dalen, wie had dat gedacht. Er komt een kort steil stukje van 14%, waarvoor ik een korte sprint inzet, want als ik in mijn trage tempo blijf doorfietsen heb ik het gevoel achterover te kieperen. Het sprintje brengt mijn hartslag ongenadig omhoog en het lukt daarna niet meer om de hartslag in de gewenste zone te krijgen.
De andere deelnemer en ik hebben een verbond gesloten, we ondersteunen elkaar op weg naar de top. We hebben allebei kanker overwonnen en nu fietsen we uit dankbaarheid dat we weer gezond zijn deze berg op. Dankbaar dat we dit mogen en kunnen beleven. Dankbaar dat we er nog zijn. Dankbaar dat ons lijf dit weer kan. Een persoonlijke overwinning. Dat schept een band.
Sander is een voorbeeldige buddy, bescheiden op de achtergrond aanwezig, schuin achter me fietsend, het verkeer op afstand houdend, ervoor zorgend dat ik mijn eigen race rijd. Af en toe een humoristische opmerking of een komische anekdote om de spirit erin te houden.
Het uitzicht is formidabel. Ruige rotsen met besneeuwde toppen. Vooraf hadden mijn fietsmaatjes me gewaarschuwd om vooral ook te genieten van de tocht. Natuurlijk ga ik genieten, dacht ik toen. Nu ik echter de helling op zwoeg, moet ik mezelf eraan helpen herinneren om vooral ook om me heen te kijken en te genieten van deze prachtige berg. Ik merk dat ik toch vooral gefocust ben op blijven trappen, de benen rond laten gaan, doorgaan, volhouden, er zijn geen gedachten, en ik moet bekennen dat ik hele stukken van de beklimming volledig heb gemist. Sterker nog, Frans en Bianca staan net onder de top van de Soulor te juichen en te klappen om ons de laatste meters naar te top te begeleiden, maar ik heb ze niet gehoord noch gezien. Ik heb ze volledig gemist. Ik merk dat mijn lijf aan kracht begint te verliezen en ik voel me oververhit. Het lijkt of mijn brein niet goed meer functioneert. Op de top van de Soulor dirigeert de fyio me naar een schaduwplek om bij te komen. Ik krijg water en chips en ze controleert of mijn hartslag voldoende daalt.

Voor ik het weet begin ik aan de door mij gevreesde afdaling. Ik probeer niet in de afgrond naast me te kijken, maar focus me op de weg die voor me ligt. Ik heb mijn handen uit gewoonte boven op het stuur geplaatst, maar durf ze, nu ik naar beneden suis, niet meer over te pakken naar de beugels zoals ik van de week heb geleerd om met mijn wijsvingers de remmen te controleren. In plaats daarvan knijp ik met mijn hele hand in de remmen en krijg ik al snel kramp in mijn vingers. Voorzichtig laat ik de remmen even vieren om ze daarna weer snel in te knijpen. Nog even volhouden. Ik vind het teleurstellend om te zien dat er door de afdaling maar anderhalve kilometer bij zijn gekomen op de teller. Hierna volgt een stukje van maar twee procent stijging  en het fietst werkelijk formidabel. Ik weet nu dat ik het ga halen. Nog maar zeven kilometer klimmen naar de top van de Aubisque. Het aftellen is begonnen. Na twee kilometer, net voor een in de rotsen uitgehakte, onverlichte tunnel,  bereiken we pauzeplek nummer drie.

In de schaduw wordt met mij en de andere deelnemer overlegd. We hebben nog een dikke vijf kilometer voor de boeg. Met onze snelheid betekent dat dat we al snel nog een uur aan het klimmen zullen zijn en eigenlijk vinden ze het niet verantwoord de deelnemers op de top nog een uur in de brandende zon te laten wachten. Normaal gesproken wordt het koeler naarmate je hoger op de berg komt. Vandaag hangt er een inversielaag; de lucht boven is warmer dan beneden. Het is boven op de berg meer dan 30 graden en er is ook geen verkoelend briesje. We krijgen de keuze voorgelegd om door te gaan in ons eigen tempo, maar dan gaan de andere deelnemers wel alvast afdalen of we worden een stukje met de auto gebracht. Ik twijfel. Ik had in mijn hoofd vrolijk gedacht dat het nog maar een uurtje klimmen was. Dat ging ik echt wel volhouden. De andere deelnemer kiest voor de auto. Hij heeft zijn doel al bereikt. Het is al prachtig dat hij dit weer kan. Bovendien wil hij zichzelf niet nog een uur blootstellen aan de hitte. Daar heeft hij een punt. Voor mijn lichaam is nog een uur in de zon misschien ook teveel van het goede. De organisatie zegt dat ze ons graag ons gloriemoment gunnen. Ik weet nog niet zo goed wat ik me daar bij voor moet stellen.

Als ik eenmaal in de auto zit, ben ik blij met mijn keuze. Pff, als ik dat hele stuk nog had moeten fietsen in die hitte. Tot verbazing van Sander, zeg ik tegen hem: ‘ik wil snel weer terug om de col d’Aubisque nog eens te beklimmen en er dan vol van te genieten’.
Een kilometer voor de top worden we uit de auto geladen en maken we ons klaar voor de laatste etappe. Ik begin nu te begrijpen wat ze bedoelen met gloriemoment. De bergtoppen staan vol met mensen die ons luidkeels aanmoedigen, er is opzwepende muziek, we worden binnengepraat met een microfoon. Het voelt als een triomftocht en als vanzelf ga ik harder fietsen. Net voor de top heb ik mijn moment van ontroering. Een paar tranen lopen over mijn wang. Wat een bijzonder moment.

De periode met borstkanker is definitief afgesloten. Met deze klim heb ik mijn expeditie borstkanker nog eens dunnetjes over gedaan. Ook de weg naar genezing was lang en zwaar, ook toen heb ik diep moeten gaan, wist ik niet zeker of ik het zou halen. Ook toen ben ik er doorheen gekomen door doorzettingsvermogen, steun van familie en vrienden en liefde voor het leven. En net als nu wachtte aan het eind de triomf: ik heb het gehaald!

Sander houdt zich bescheiden op de achtergrond en gunt mij mijn gloriemoment. Als ik op de top aankom steek ik als triomf mijn arm in de lucht. Voor ik het goed en wel in de gaten heb krijg ik van Tristan Hoffman mijn medaille omgehangen en komt Margo me feliciteren. En dan is er natuurlijk Frans die me huilend en lachend tegelijk omhelst en van de grond tilt, terwijl hij roept dat hij zo ontzettend trots op me is. Wat een kanjer. Wat een fantastische man heb ik toch!

Vele handen hebben me naar de top gedragen. Zoveel support, zoveel zorg, zoveel vertrouwen, het is overweldigend. Heel veel dank aan iedereen die me afgelopen tijd heeft ondersteund. Samen naar de top, dat is zoveel mooier dan alleen. Samen de hoogte- en dieptepunten van het leven vieren. Ik ben een dankbaar mens. Dankbaar voor mijn lichaam die dit weer aankan, dankbaar voor mijn geliefde familie en vrienden en dankbaar dat ik zo’n mooi leven mag leiden.


Op de top krijg ik van Sander twee hardgekookte eieren met zout die ik gretig verorber. Wat is dat lekker. Sander die de hele tocht in dienst van mij heeft gereden en nooit zijn eigen tempo kon fietsen. Die zo langzaam moest rijden dat hij bijna omviel.
Wanneer ik in de camper zit en we de Aubisque en de Soulor naar beneden rijden ben ik verbaasd. Heb ik dat hele stuk echt helemaal (nou ja, bijna helemaal) gefietst? Hele stukken zijn uit mijn geheugen verdwenen. Ik was zo onder de indruk van het hele gebeuren, dat ik niet echt het gevoel heb dat ik het zelf heb meegemaakt. Ik heb nauwelijks genoten van de omgeving, van de prachtige berg.

Terug in het hotel voel ik me behoorlijk beroerd. Ondanks de koude douche voel ik me verhit, terwijl  tegelijkertijd de koude rillingen over mijn lijf lopen. Ik heb het koud en warm tegelijk. Ben moe en onrustig. Door de medicijnen die ik gebruik heeft mijn lichaam moeite met de regulatie van de temperatuur. Ik kan niet goed meer tegen warmte en vandaag was een erg hete dag.
Pas als ik een tijdlang een fles koud water in mijn nek houdt, trek ik weer een beetje bij. Margo die bij me op de rand van het bed zit, vraagt of dit het allemaal waard was. Mijn hersenen willen een nee als antwoord geven, maar uit de grond van mijn hart komt een onverwacht ja uit mijn mond. Ik ben er zelf verbaasd over.

’s Avonds heb ik weer energie om te genieten van het vijf gangendiner en de ontroerende foto’s die de fotografen hebben gemaakt. Volgend jaar staat de Gavia in Italië op de planning. En na tien jaar wordt het evenement omgedoopt van de Tristan Hoffman Challenge in de Kanjer Mountain Challenge. In dit jubileumjaar hebben we met zijn allen € 116.449,54 bij elkaar gebracht voor Kanjers voor Kanjers. Alle sponsoren geweldig bedankt. Het geld zal worden besteed aan mooie projecten waar kinderen met een beperking blij van worden.

Wanneer ik de volgende ochtend wakker word, heb ik tot mijn eigen verwondering nergens last van. Geen stramme, stijve spieren, geen zere knieën, geen vermoeidheid. Sterker nog. Het eerste wat ik denk als ik mijn ogen open, is ‘ik heb zin om te fietsen’. Echt waar!

Inmiddels heb ik mijn eerste rondje door het Montferland alweer gemaakt. Ik was benieuwd hoe ik de Peeskesbult zou ervaren. Zou dit nu een betekenisloos heuveltje zijn? Of toch nog steeds een pittige klim? Ik ben door mijn training in de Ardèche veel krachtiger geworden. Mijn lijf is sterk en in vorm en het geniet van het fietsen. Ik ben blij dat het fietsen zo goed heeft uitgepakt voor mijn lichaam. Dat mijn arm zich zo goed heeft gehouden en dat ik geen last meer heb van mijn knieën met fietsen. Ik dender de helling bij de molen bij Zeddam op met ongekend gemak. Ik neem de Peeskesbult met twaalf kilometer per uur. Ik ben trots op mijn lijf.

Ik heb ongelooflijk veel zin om volgend jaar de Tourmalet, de Mont Ventoux, de Aspin, pont d’Espagne en natuurlijk de Aubisque te beklimmen. Want het is precies zoals Margo al had voorspeld: de beklimming van de Aubisque is niet het einde, maar slechts het begin.

Iedereen die dit avontuur met mij heeft meebeleefd: heel erg bedankt!

 

Oei wat gaaf!

Na drie keer de Col de Mas de L’Arye op te hebben gefietst in de Ardèche, was het tijd voor een nieuwe uitdaging. Tot nu toe had Frans me telkens met de camper naar het centrum van Les Vans gebracht en was ik van daaruit gestart. Nu fietste ik nog stijf en koud de camping af om direct de eerste heuvel van tien procent te slechten. Het was slechts een paar honderd meter, maar toch sloeg mijn hart al direct op hol na deze inspanning. En vlak er achteraan kwam mijn eerste korte afdaling, die gelukkig goed verliep. Bij de grote weg aangekomen, passeerde ik de rivier de Chasszac om daarna direct links af te slaan. Een vriendelijke medewielrenner had me gewaarschuwd om de fiets echt in het lichtste verzet te zetten nog voor ik de grote weg zou oversteken om de ‘muur van tien procent’ te nemen. Ik was heel benieuwd hoe mijn eerste echte pittige klimmetje zou bevallen. Of mijn benen de gewenste kracht konden leveren. Of mijn knieën het zouden houden.
Het viel me niet tegen. Ik probeerde mijn hartslag laag te houden en paste mijn tempo daar op aan. Op het rechte stuk viel mijn snelheid terug tot vijf kilometer per uur. Het laagste wat je kon halen op een fiets zonder eraf te vallen, zo was me verzekerd door ervaringsdeskundigen. Nou mensen, ik kan gewoon op de fiets blijven zitten bij een snelheid van vier kilometer per uur! Het was bijna een surplace. Ik besefte dat ik lopend sneller zou zijn dan fietsend met dit tempo. Toch leek lopen me op dit moment veel vermoeiender dan fietsen. Dus fietste ik uiterst langzaam de berg op. Daarna voelde ik kramp in mijn kuit aankomen. Ik legde mijn fiets in de berm en schudde mijn kuiten los. Te weinig brandstof tot me genomen. Snel werkte ik een reepje en wat appelsap met zout naar binnen. Daarna Frans gebeld die al snel met de camper de berg op kwam scheuren. Ik verorberde een halve zak chips, dronk nog wat en toen voelde ik me weer fit genoeg om door te gaan. Sterker nog, ik had echt zin om door te gaan. Al snel was het steile stuk voorbij en fietste ik over kleine landweggetjes door rustieke Franse dorpjes rustig omhoog naar Payzack en het dorpje Bres.
Hier stond Frans weer klaar om me te ondersteunen met een Frans stokbroodje met kaas. Zijn specialiteit; niet de stokbrood met kaas, maar mij ondersteunen.
Ik zag dat ik op de route van de Ardechoise was uitgekomen. Dat is een bewegwijzerde route van 660 kilometer langs de mooiste stukjes van de Ardèche. Ik volgde de bordjes naar de top van de berg in het dorpje Peyre. Echt een super mooie route, waarbij ik telkens even achterom keek om te zien hoe ver ik al gefietst had. Bordjes langs de weg gaven aan hoe ver het nog naar de top was en met welk stijgingspercentage ik omhoog ging. Het ging lekker.
Boven aangekomen had ik achttien kilometer geklommen waarvan een klein stukje met tien procent. Ik was een tevreden mens. Omdat ik honger had en ik eiwitten wilde eten voor het herstel van de spieren, gingen we lunchen in de ‘Auberge’. We kregen wat de pot schafte die dag; er was geen keus. We startten met brood en worst waar ik volgens Frans op aanviel als een hongerige tijger. Daarna volgde tot onze verrassing nog een omelet met champignons, een kaasplankje met vier soorten kaas en als toetje een versgebakken appeltaart met frambozen ijs. Wijn en water waren bij het menu inbegrepen. De wijn sloegen we beleefd af. Lust ik normaal graag een wijntje of een biertje, nu met het sporten heb ik er echt helemaal geen trek in. Loom van het sporten en het eten rolde Frans me de camper in en bracht me naar beneden.
Twee dagen later fietste ik de D113 van Gravières naar Pied-de-Borne. Een fraaie route die de rivier volgde en zacht golvend door het landschap liep. Ik fietste door een kloof en ging kleine stukjes omhoog en omlaag. De kilometers vlogen voorbij. En voor ik het wist was ik in Pied-de-Borne waar ik werd verwelkomt door gele en paarse vlaggetjes en onder een boog van papieren bloemen door fietste. Ik voelde me alsof ik de finish van een grote wielerronde had gehaald.
Eenmaal per jaar wordt de Ardechoise gefietst als toertocht van vier dagen. Het is een hele grote happening in de Ardèche. Vergelijkbaar met de Nijmeegse vierdaagse bij ons. De dorpjes waren bezig hun versiering aan te brengen voor de wielrenners, want de tocht begon over twee dagen. Op de vrijdag zou de toer de route volgen die ik vandaag een stukje had gereden.
Na Pied-de-Borne vervolgde ik mijn tocht richting Villefort. Ik vond het een beetje vreemd dat ik Frans nog nergens had gespot, maar hij zou me wel vinden, want we hadden de wegnummers duidelijk afgesproken. Dat vind ik het voordeel van Frankrijk, dat zelfs de kleinste wegen nog een nummer hebben.
Op een steil stukje naar Villefort toe, hoorde ik achter me het bekende geluid van de camper en zacht getoeter. Daar was Frans. Ik was zo snel gegaan, dat hij me op de kronkelige weg moeilijk in had kunnen halen…
Na een korte stop in Villefort, fietste ik door richting de top van Pre de la Dame. Een forse beklimming van veertien kilometer met stukjes van acht procent. Ik zou kijken hoever mijn lichaam vandaag nog zin had om door te fietsen. De eerste drie kilometer gingen voorspoedig, daarna namen mijn krachten langzaam af en voelde ik dat het tijd werd om te stoppen. Ik stapte af met een fraaie zesendertig kilometer op de teller. Wat een heerlijke fietstocht was dit.
De laatste trainingsdag kreeg ik gezelschap van Frans op de fiets. De dag tevoren waren we naar de Decathlon geweest en hadden daar voor hem een fietsbroek, shirt en helm gescoord. Ik had eindelijk ook sportdrankjes ingekocht en Isostar poeder om met water aan te lengen en isotone drank te kunnen maken.
En zo fietsten we samen hijgend en puffend de Pre de la Dame op vanuit Villefort. Ik voelde een mengeling van enthousiasme en frustratie. Enthousiasme omdat Frans net als ik leek te genieten van de fysieke uitdaging van het in de bergen fietsen en ik mogelijkheden zag voor een gezamenlijke fietsvakantie in de toekomst. Frustratie omdat hij mij zonder enige moeite en zonder enige voorbereiding, ongetraind en op een geleende fiets die niet op zijn lengte was afgesteld, kon bijhouden. Mijn held. Veertien kilometer geklommen naar de top, met gemiddeld 6,5% stijging!
Overmoedig geworden door het bereiken van de top, wilde ik me ook aan de afdaling wagen. Na drie kilometer in de remmen knijpen had ik echter kramp in mijn arm en handen. Als ik in de beugels ging hangen, kon ik de remmen weliswaar beter controleren, maar mijn handen zijn eigenlijk te klein. De remmen staan te ver weg om er goed bij te kunnen. Dus nam ik het wijze besluit om te stoppen. Ik legde de fiets in de berm, trok mijn beenwarmers aan en speelde op mijn telefoon een spelletje Solitair, terwijl Frans zich met veel plezier de berg af liet rollen en de camper omhoog reed.
Ik besef dat ik nog niet echt bergproof ben als ik voor de afdaling afhankelijk ben van iemand die me op de top wil ophalen met de auto. Ik ben gewoon in alle opzichten in mijn leven beter in klimmen dan in dalen.

We zijn aangekomen in de Pyreneeën en staan op een camping aan de voet van de Aubisque. In de Ardèche heb ik zes mooie bergtrainingen kunnen doen. Ik voelde me helemaal in topvorm en klaar voor de challenge, totdat we gisteren de route met de camper hebben verkend. Oh my god, dacht ik, dit is onmenselijk, dit gaat echt niet lukken, terwijl ik naast me de afgrond inkeek. De klimmetjes in de Ardèche waren kinderspel in vergelijking met deze machtige berg. Dit was het echte werk. Ik had ontzag voor de berg, wat een prachtige, spectaculaire plek om hier te mogen fietsen.

Door de trainingen in de Ardèche was ik vol goede moed voor de beklimming, maar nu ik deze machtige reus heb gezien, zijn ruige, rotsige top en zijn steile, groene flanken, ben ik ontzet. Oei, dacht ik alleen maar toen Frans me met de camper omhoog reed. Oei en tegelijkertijd ‘wat gaaf’. Wat een gave berg. Prachtig. Machtig. Woorden schieten tekort.
Van tevoren had ik het profiel van de berg bestudeerd. Eerst een steile klim van acht procent, dan wat glooiend terrein door kleine dorpjes, vervolgens de beklimming van de col de Soulor met acht kilometer lang een stijgingspercentage van gemiddeld acht procent het pittigste deel van de tocht, om vervolgens een stukje te mogen afdalen. Dat afdalen had me heerlijk geleken na die steile klim. Maar nu ik het live heb aanschouwd, slaat de verkramping toe. Dat steile stuk langs die afgrond durf ik echt niet af te dalen. Ik kan nu al zeggen dat ik meer opzie tegen dat stukje afdaling dan tegen de steile klim de Soulor op. Bibber, bibber. Slappe benen. Het stuk dat daarna komt, lijkt me echt geweldig. Het laatste stuk gaat echt door het hooggebergte, een grijs streepje weg ergens halverwege de immense rotswand, door in de rotsen uitgehakte, onverlichte tunnels, en dan een lange klim naar de top die je al heel ver voor je ziet liggen. Dat laatste deel is het machtigste deel om te fietsen. Maar daarvoor moet ik eerst het voorafgaande zien te overbruggen en ik ben heel benieuwd of dat gaat lukken. Ik heb gewoon geen idee.

Als je het leuk vindt om me op de dag zelf te volgen, meld je dan aan voor app-groep: op naar de top met Dorothé. Stuur mij dan even een appje dan voeg ik je toe.

Nogmaals Col du Mas de L’Arye

Mijn eerste bergbeklimming had geen pijn in mijn knieën veroorzaakt. Sterker nog, ik had nergens een centje pijn aan overgehouden, wat ik best wonderbaarlijk vond, na mijn fietservaringen op het vlakke land. Dit bood hoop voor de toekomst.

De buurman op de camping, een fervente wielrenner, nodigde me uit om op zijn laptop een aantal leuke beklimmingen te bekijken die hij op zijn Garmin had uitgezet met het programma Strava. Hij keek me verbaasd aan toen ik met mijn Michelin kaart kwam aanzetten en vroeg of ik geen Strava had. Ik moest bekennen dat Frans Strava wel op mijn mobiel had geïnstalleerd maar dat ik er nog geen moeite in had gestoken om ermee te leren werken. Te ingewikkeld. Op mijn Michelin kaart streepte ik de routes met pen aan. De rest van de avond spraken we over fietsen, voeding, hartslagmeters en andere fietswetenswaardigheden. Aan het eind van de avond kreeg ik een aantal zakjes magnesiumpoeder cadeau. ‘Nog net geen doping’, grapte zijn vrouw, ‘maar het scheelt niet veel.’

De volgende fietsdag koos ik niet voor de door mijn buurman geadviseerde routes, maar voor de bekende weg. Mijn doel was om de Col du Mas de L’Arye tweemaal achter elkaar te beklimmen. Een ambitieus plan.
De omstandigheden waren anders dan tijdens mijn eerste beklimming: de temperatuur was gestegen tot een benauwde 28 graden. Mijn lichaam had moeite met de omschakeling. Het zweet liep in straaltjes van mijn gezicht. Ik voelde me oververhit. Mijn hartslag was hoger dan de eerste keer, maar mijn benen draaiden soepel rond, die vonden de warmte wel prettig. In de kleine schaduwplekjes op de route genoot ik van het verfrissende briesje dat de klim draaglijk maakte.

We hadden de route verdeeld in vier stukken. De eerste twee delen verliepen soepel en na een kleine twee uur bereikte ik zonder problemen de top van de Arye. Frans stond al op de top te wachten om me met de camper weer naar beneden te brengen voor de tweede ronde. De afdaling liet ik mooi nog even zitten. De rit naar beneden met de camper was mijn pauze om bij te tanken.
De derde etappe verliep echter moeizamer. Misschien had ik te lang gepauzeerd. Ik had moeite om op gang te komen en ik merkte dat mijn hartslag veel sneller opliep. Ik had moeite om de hartslag laag te houden. De laatste kilometers van de derde etappe leken eindeloos te duren. Steeds langzamer kwam ik vooruit en toen ik bij de camper aankwam was mijn besluit genomen. Het was genoeg voor vandaag. Een verbetering van mijn bergafstand met de helft erbij was een prima resultaat, een verdubbeling van de afstand was nog iets teveel van het goede.

Frans mijn held bracht me weer naar beneden, masseerde mijn benen en maakte lekkere hapjes klaar om mijn lichaam klaar te stomen voor de volgende training. Aan de verzorging kon het niet liggen, die was optimaal. De volgende dag lastten we een rustdag in voor herstel. We luierden aan de oever van een rivier, namen een duik in het koele water en aten stokbrood met stinkende kaasjes. We slenterden door middeleeuwse stadjes, dronken thee op een terrasje en bewonderden de beroemde Gorges d’Ardèche.

De dag erop zou ik nogmaals proberen de Col du Mas de L’Arye tweemaal achtereen te beklimmen. Vanwege het weer – er werd heftig onweer voorspeld – zetten we de wekker op zes uur. Het plan was dat ik van zeven uur ’s ochtends tot ongeveer elf uur zou fietsen en net voor het onweer zou losbarsten weer veilig in de camper zou zitten. Als het noodweer eerder zou uitbreken zou Frans mij natuurlijk van de berg af plukken.

Om kwart voor zeven stapte ik in Les Vans op de fiets. Moe en chagrijnig was ik. ’s Ochtends vroeg ben ik niet op mijn best. Mijn hoofd was duf en mijn lijf was nog niet wakker. Trager dan traag fietste ik omhoog. Ik mopperde mezelf de berg op. Dit was zeker wat mijn fietsvriend had bedoeld met afzien, dacht ik toen ik meter voor meter mezelf omhoog trapte. Voor het eerst vond ik fietsen niet leuk. De zeven kilometer naar het eerste pauzepunt duurden eindeloos. Frans stond al buiten te wachten, want ik had er veel langer over gedaan dan de vorige keren.

De tweede etappe ging al niet veel beter. Knorrig werkte ik mezelf de berg op. Frans had twee dagen geleden gevraagd waar ik aan dacht tijdens de beklimming. Wat ging er door mijn hoofd? Nou, eigenlijk dacht ik helemaal nergens aan, behalve aan het fietsen. Het was anders als bij hardlopen, waar je in een soort trance kon raken en lekker kon wegdromen in fantasieën. Het bergop fietsen bracht me vooral in het hier en nu. Ik tuurde op het metertje voor me om te zien welke afstand ik al had afgelegd. Dat werkte beter dan kijken hoe ver het nog was, had ik gemerkt. Ik keek hoe hard ik fietste en luisterde of mijn hartslagmeter begon te piepen. Ik voelde of mijn hamstrings pijn gingen doen of dat ik de zeurende pijn in de knieschijven begon te voelen. Ik focuste op een rustige ademhaling. Ik bedacht wanneer het weer tijd werd om een slokje water of siroop te nemen. Ik was alert op het verkeer dat achter me omhoog kwam. Ik hoorde de vogels fluiten, ik keek naar de nevel die in het dal hing, ik snoof de geur op van wilde kamperfoelie, ik genoot van het frisse groen van de bloeiende kastanje bomen, ik probeerde de kruipende insecten op het wegdek te omzeilen, ik zag een grote slak met een huisje en overwoog om af te stappen en hem in veiligheid te brengen, ik besloot al fietsend een banaan te eten, ik genoot van de cadans van mijn benen. Dat waren de dingen waar ik mee bezig was toen ik twee dagen geleden de berg op fietste. Nu was het een ander verhaal. Ik vroeg me knorrig af hoever het nog was, bedacht dat ik er geen zin in had vandaag, dat mijn benen van pap waren, dat het koud was, dat ik slaap had, dat ik er niet voor in de wieg was gelegd om zo vroeg op te staan en nog veel meer negatieve dingen, die ervoor zorgden dat het voelde als afzien om de berg op te fietsen in plaats van een leuke, sportieve uitdaging. Kortom ik ervaarde wat mindset kan doen. De juiste mindset maakt alles tot een mooie ervaring.

Boven op de col aangekomen, dirigeerde Frans me de camper in, negeerde mijn gemopper en reed me linea recta naar beneden. Ik had me vast voorgenomen om ermee te stoppen, maar beneden aangekomen, stapte ik toch weer gewoon op de fiets. Dat wil zeggen, Frans zette de fiets weer klaar en zei: en nu fietsen! Wat een slavendrijver dacht ik nog voor ik weer weg fietste.
De tweede ronde ging beter. Ik was opgewarmd, het zonnetje scheen, ik kreeg er weer zin in. Alleen was het ineens heel druk op de weg. De auto’s raasden voorbij en ik ademde de vieze uitlaatgassen in. Ik begon de route te herkennen; het huis met de paarse luiken, het bord van welkom in de Cevennen, het stuk met de steile bochten, de stenen bruggetjes, toch bleef de route me ook verrassen. De derde etappe ging soepel en ik besloot snel door te gaan voor de laatste acht kilometer naar de top.
Ik kwam langs een huis waar drie wielrenners zich klaar stonden te maken voor een tocht, ze zwaaiden naar me en riepen ‘courageux’, wat ik interpreteerde als dapper. Het bracht een glimlach op mijn gezicht en vervulde me met nieuw elan.
Niet veel later kreeg ik een vreemd gevoel in mijn benen. Gek genoeg wist ik direct wat het was: zout tekort. Ik parkeerde mijn fiets tegen een stenen muurtje en belde Frans dat ik zout nodig had. Even later kwam de camper eraan gescheurd om mij van zout te voorzien. Ik voelde me als een deelnemer aan de Tour de France, wat een service. Ik strooide een beetje zout op mijn hand, likte het op en vervolgde mijn klim naar de top. De laatste kilometers gingen tergend langzaam, ik voelde de kracht uit mijn benen vloeien. Wat kan honderd meter eindeloos ver lijken, dacht ik verwonderd. Eindelijk, eindelijk dan, bereikte ik die dag voor de tweede keer de top van de col du Mas. Het was gelukt. Op weg naar beneden barstte de regen los. Precies goed getimed. Mijn nieuwe bergrecord staat nu op achtentwintig kilometer klimmen!

 

Mijn eerste bergbeklimming

Enkele dagen geleden zijn we aangekomen op camping Lou Rouchetou in de Ardèche. Een rustige camping gelegen aan een rivier met uitzicht op wijnvelden en rotsige wanden.

Vooraf waren we met onze Belgische vrienden een paar dagen naar Willemeux, aan de Noordwest kust van Frankrijk geweest. Het stormde heftig aan de Franse kust. De zee was veranderd in een kolkende witte massa en de wind blies grote schuimbellen over het strand. De kitesurfers vlogen door de lucht en maakten adembenemende sprongen, terwijl wij moeite hadden om overeind te blijven staan en ons moeizaam voortbewogen over het strand. ’s Nachts beukte de wind met een kracht van 9 op de schaal van Beaufort op ons huisje, ramen en deuren sprongen open en ik had moeite om in slaap te komen door het geloei van de storm. Het samenzijn met onze vrienden was desondanks gezellig.

De Ardèche was een aanrader van fietsvakantieminnende vrienden van ons; gelijkmatige, lange klimmen met een laag stijgingspercentage. Ideaal voor een beginnende bergfietser zoals ik.
Opgewonden als een klein kind prepareerde ik me op mijn allereerste bergklim. Het doel was de Col de Mas de L’Arye te bereiken, een klim van 14 kilometer naar de top met een stijgingspercentage van 4%. Ik had geen idee hoe zwaar mij dit zou vallen, of ik het aan zou kunnen. Maar ik had zin om de uitdaging aan te gaan. Om eindelijk te fietsen in de bergen.
En zo bracht Frans me op een kille, regenachtige ochtend naar het centrum van Les Vans aan het begin van de klim. Ik fietste weg in het één na lichtste verzet en nam me voor zo licht en soepel mogelijk te trappen. Langzaam, zo hield ik mezelf voor. Mijn krachten sparen. Ik moest het lang zien vol te houden.
Al snel moest ik overschakelen op het lichtste verzet om mijn hartslag op peil te houden. Maar het viel niet tegen. Langzaam en gestaag kroop ik als een slak de helling op. Ik merkte dat iedere verstoring van de cadans kracht kostte. Het liefst fietste ik in één tempo door. De bidon pakken en een slok nemen, deed mijn hartslag direct met tien slagen toe nemen. Ik had twee bidons: een met water en een met siroop en zout. Vooral het pakken van de verticale bidon kostte veel kracht, omdat ik zo langzaam fietste dat ik bijna omviel als ik stopte met trappen om de bidon te kunnen pakken. Ik kiende het daarom zo uit dat ik op de iets vlakkere stukken waar ik iets meer snelheid had, ging drinken.
Eten op de fiets lukte echt helemaal niet. Ten eerste kreeg ik tijdens het fietsen met geen mogelijkheid de verpakking van de reepjes open. Een banaan lostrekken lukte nog net, maar eten tijdens de inspanning ging echt niet. Ik hijgde en pufte als een oude stoomwals als ik ging eten tijdens het fietsen. Dus dan stapte ik maar even af om een banaan naar binnen te proppen. Daarna had ik moeite om weer op gang te komen.
Eten en drinken tijdens de klim was belangrijk zo werd me door diverse fietsvrienden verzekerd. Niet alleen water, maar ook isotone dranken om de mineralen aan te vullen en de spieren te voorzien van brandstof. We hadden de Franse supermarkten al afgespeurd naar isotone dranken of poeders maar die nog niet kunnen vinden. Daarom vulde ik één bidon met siroop voor de suikers en een snufje zeezout. Ook experimenteerde ik met een favoriet drankje onder paragliders: water gemengd met appelsap. De biologische appelsap die we hadden gekocht rook echter nogal muf en ging me al snel tegenstaan.
Op de helft van de klim stond mijn foerage auto met Frans die zich volledig in dienst had gesteld van mijn fietsavontuur. Hij klokte mijn tijd op 45 minuten. Snel gooide ik mijn lange broek en regenjasje uit. Ondanks de schamele dertien graden en lichte regen, was ik veel te warm gekleed. Snel dronk ik wat karnemelk en at een boterham met kaas die Frans al voor me had klaargezet. Nog wat zoute chips er achteraan voor de zouten en klaar was ik voor deel twee van de klim. Mijn allereerste klim, ik voelde mijn trots groeien, want het leek erop dat mijn lichaam het aankon. Het voelde fijn om langzaam en gestaag omhoog te klimmen. Heel rustig en gelijkmatig fietsend. Ik zorgde ervoor dat mijn hartslag niet boven de 150 slagen per minuut uitkwam. Als de hartslagmeter begon te piepen, ademde ik rustig en lang uit en nam iets gas terug met trappen. En zo bereikte ik na weer vijftig minuten fietsen de top van de Mas de L’Ayre. Moe maar voldaan sloeg ik een glas karnemelk achterover en nam een bakje kwark om de eiwitten aan te vullen. Yes, mijn eerste klim was een feit. En het allerbelangrijkste: ik vond het super leuk om te doen.

 

Fietsmaatjes

Mijn oncoloog zei het eens terloops tegen mij, bijna aan het einde van mijn behandeling: ‘mensen die kanker hebben gehad, voelen vaak de behoefte hun reis nog eens over te doen. Dan gaan ze de Alpe d’Huez beklimmen of trainen voor een marathon.’ Ik dacht toen dat ik wel genoeg had aan mijn expeditie borstkanker, maar nu ik zo intensief aan het trainen ben voor de beklimming van de Col d’Aubisque vraag ik me af of ik inderdaad mijn reis met borstkanker op sportief gebied aan het herbeleven ben. Toen ik afgelopen weekend op de bank lag met overbelaste kniepezen en een zeurende pijn onder mijn knieschijven, barstte ik in tranen uit bij de gedachte dat ik misschien wel niet in staat zou zijn om de berg te beklimmen. Want ik wil de top bereiken. Ik wil zo graag de top bereiken, dat het voelt alsof mijn leven ervan af hangt.
Bij het overwinnen van de borstkanker moest ik afdalen naar het dal van de canyon, toestaan dat ik steeds minder en minder kon. Het was een uitputtingsslag en ik moest proberen overeind te blijven tot het eind van de behandeling in zicht was. Afdalen tot de bodem bereikt was.
Nu onderneem ik de reis in tegenover gestelde richting; ik ben onderaan de berg begonnen en klim langzaam naar de top. Het is een lange klim en net als de expeditie vraagt het voorbereiding, commitment en geduld. En vertrouwen op een goede afloop.
Dat vertrouwen is er niet altijd. Ook de reis naar de top gaat niet in één rechte, stijgende lijn omhoog, maar kent pieken en dalen, momenten van tegenslag, wanhoop en het verliezen van de moed. Gelukkig hoef ik de reis niet alleen te maken. Net als tijdens mijn expeditie borstkanker heb ik vele fietsmaatjes die me op mijn reis vergezellen en ondersteunen. Allereerst natuurlijk familie, vrienden en bekenden die vertrouwen in me hebben uitgesproken door me te sponsoren, daarnaast zijn er mijn fietsvrienden en mededeelnemers aan de challenge, die me – elk op hun eigen unieke manier – begeleiden tijdens het fietsen. De één heeft me enthousiast gemaakt voor het fietsen en me gestimuleerd om de uitdaging aan te gaan. Ze heeft me ingewijd in de wereld van het wielrennen en op haar fiets kreeg ik les in het vast- en losklikken van de pedalen. Samen met haar maakte ik de eerste tochtjes op mijn racefiets.
Ik kwam tot de ontdekking dat veel van mijn vrienden zich ontpopten tot wielrenmaatjes; de één nam me mee voor een trainingstocht door het glooiende landschap van Berg en Dal, de ander nam me op een gure vrijdagochtend mee de Holterberg op en met weer een ander ploeterde ik met windkracht zes door het kale weidelandschap van de uiterwaarden tussen Doesburg en Bronckhorst. Zonder morren stelden ze zich op als meesterknechten in dienst van mij; ze pasten hun tempo aan , zetten de koers uit, hielden me uit de wind, trakteerden me op thee of soep, leidden mijn gedachten af als ik het moeilijk had en boden een luisterend oor.
Anderen verrijkten me met tips en adviezen, leerden me behendigheid op de fiets, gaven me hun hartslagmeter, maakten een trainingsschema voor me, hielpen me bij de afstelling van de fiets, gaven instructies voor klimmen en dalen, hielpen bij het opbouwen van de conditie en lieten me kennismaken met hun favoriete Montferland trainingsrondje, terwijl we samen trainden voor hetzelfde doel.
En dan is er nog de support groep; echtgenoot en vrienden die meegaan om mij de berg op te schreeuwen, die me gaan voorzien van voedsel tijdens de klim, de camper ergens parkeren zodat ik tussentijds even kan uitrusten of iets van kleding kan aan- of uittrekken en er is zelfs een ultieme bondgenoot die me al fietsend naar de top wil begeleiden.

Met zoveel hulp en ondersteuning kan ik gewoon niet falen. Kanjers zijn het. Stuk voor stuk. Allemaal. Al die fietsmaatjes. Bedankt Kanjers! Samen zijn we sterk.

Ik wil heel graag de top van de Aubisque bereiken. Dat is mijn ultieme doel. Het voelt zo sterk dat het is alsof mijn leven ervan afhangt. Desondanks is het belangrijk mij te realiseren dat het om de reis zelf gaat. Dat het gaat om de beklimming, de deelname, de ervaring, het aangaan van de uitdaging, het genieten van mijn lichaam en de fysieke beproeving, het landschap, het gezelschap, de steun en de vriendschap. Het behalen van de top is slechts de kers op de taart.

Ook al zou ik de top niet halen, ik heb nu al volop genoten van de reis er naar toe. Ik heb nieuwe werelden ontdekt, vrienden gemaakt en intense ervaringen beleefd.
Niettemin kan ik, als ik mij voorstel hoe ik al fietsend aankom op de top, de mengeling van trots en vreugde, van ontroering en dankbaarheid, die als een orkaan door mijn aderen raast, al voelen. Ik zie mezelf al huilend in de armen van Frans vallen die op de top op mij staat te wachten. Een emotionele ontlading, die als een fontein naar buiten spuit.

Het bereiken van de top, ik had me dat tot op heden niet zo gerealiseerd, staat symbool voor het  einde van mijn expeditie borstkanker. Precies vijf jaar na dato!

Fietstraining

Na de informatieavond over de Tristan Hoffman Challenge 2019, waarbij de honderdtachtig deelnemers en hun aanhang uitleg kregen over de gang van zaken rond de beklimming op 28 juni en we het profiel van de beklimming te zien kregen, schoot ik in de stress. Nog maar vijftien weken, dacht ik verschrikt. Dat haal ik nooit. Dus stelde ik de volgende dag een strikt trainingsschema op. Het schema liet weinig ruimte over voor andere zaken dan fietsen. In het weekend stond steevast een lange rit gepland om de duur te trainen, donderdags zou ik een heuveltraining doen en de dinsdag werd gereserveerd voor intervaltraining, zou had ik bedacht. Maandag kon ik dan yoga doen om de spieren soepel te houden en de woensdag stond een zwemsessie op het programma om mijn arm te helpen het lymfevocht af te voeren. Vrijdag werd een rustdag, waarbij ik wat zou wandelen.

Ik kwam er al snel achter dat ik – zoals wel vaker in mijn leven – veel te hard van stapel was gelopen. Ik was voortdurend moe en hing na een fietstraining als een zombie op de bank, tot niets meer in staat. Bovendien gingen mijn knieën weer pijn doen. In plaats van vooruitgang te boeken, had ik het idee dat ik steeds minder aankon. Intussen naderde de eerste groepstraining van de Tristan Hoffman Challenge met rasse schreden. Ik voelde de spanning in mijn lijf opbouwen. Ik was bang dat het te zwaar zou zijn voor me, dat ik het tempo niet zou kunnen bijbenen en dat ik weer eens over mijn grens zou gaan. Ik wilde vooral goed naar mijn lichaam luisteren en in een groep is dat gewoon lastig. Bovendien was ik bang om te vallen. Ik was nog niet zo behendig met de fiets en valpartijen uit de Tour en de Giro waarbij de wielrenners als een grote kluwen op de grond lagen, brandden op mijn netvlies. Ik meldde me na lang twijfelen af voor de groepstraining. Het voelde een beetje als een gemiste kans. Alsof ik de aansluiting met de rest was verloren. De groepstraining was een mooie gelegenheid geweest om de andere deelnemers te leren kennen en om tips te krijgen voor het fietsen.

Gelukkig waren er ervaren wielrenners die mij onder hun hoede namen. Van de één kreeg ik een hartslagmeter, zodat ik gerichter kon gaan trainen. Een ander attendeerde me op het aantal ‘rounds per minute’ en adviseerde me om vooral licht en soepel te fietsen om mijn knieën te ontzien. De fysio van de Tristan Hoffman Challenge waar ik contact mee had gezocht, ontfermde zich over mij en bood aan samen een stukje te fietsen, zodat ze mij wat gerichte tips kon geven. Tijdens de eerste fietstocht samen viel het haar op dat ik hijgend naast haar fietste, een teken dat mijn hartslag te hoog was. Ik moest vooral rustiger gaan fietsen. Lang en langzaam fietsen. Dat voelde letterlijk en figuurlijk als een verademing. Er viel een last van me af. Ik ging nu op hartslag trainen in plaats van op snelheid en op souplesse in plaats van op kracht. Ook mocht ik even geen heuvels meer fietsen. Eerst een basisconditie opbouwen en dan pas de hellingen op, hoe verleidelijk dat laatste ook was.

Tweede paasdag deed ik samen met drie andere deelneemsters en de fysio van de Tristan Hoffman Challenge mee aan de Achterhoekse Molentocht. Het was mijn eerste wielrentocht en ik had geen idee wat ik kon verwachten. Ik had het idee van een grote drukte in mijn hoofd, zoiets als de avondvierdaagse waarbij je in een grote file naar de finish loopt, maar toen wij om half negen startten waren er in de verste verte geen andere wielrenners te zien. Het leek alsof het parcours speciaal voor ons was uitgezet. Af en toe werden we ingehaald door een klein groepje renners dat ons voorbij zoefde, maar dat gebeurde maar sporadisch. Ondertussen peddelden we rustig voort met zijn viertjes, waarbij ik leerde om in het wiel te rijden en zo mezelf te ontzien. Het was een heerlijk gevoel om mee gezogen te worden door mijn voorganger. We wisselden regelmatig van koppositie en de snelsten van ons pasten het tempo aan, zodat iedereen gemakkelijk mee kon komen. Af en toe begon mijn hartslagmeter te piepen ten teken dat ik het iets rustiger aan moest doen.
Fietsend in het kleine groepje leerde ik de tekens die wielrenners elkaar geven; hand op de rug ten teken dat er een obstakel als een geparkeerde auto of een voetganger met hond nadert en hand omhoog om te stoppen.
Bij de molen in Zeddam kregen we ons eerste klimmetje. De ervaren dames instrueerden me de fiets in de lichtste versnelling te zetten en om vooral rustig naar boven te fietsen. Straks bij de Aubisque zou dat de tactiek zijn: langzaam en geduldig naar boven klimmen. Als je direct in het begin al je energie verspilt met een sprint bergopwaarts dan red je het niet. Het is een kwestie van geduld en lange adem. Energie sparen. Je benen het werk laten doen. Licht en soepel fietsen.
Ik vond het verrassend gemakkelijk op deze manier en ik kreeg er echt lol in. Toen we even later de Peeskesbult beklommen groeide mijn zelfvertrouwen. Dit kon ik dus gewoon.

De tweede groepstraining van de Tristan Hoffman Challenge was een behendigheidstraining op een wielrenbaan in Eibergen. Hier wilde ik graag aan meedoen, want mijn behendigheid op de fiets kon nog wel wat verbetering gebruiken. Helaas werd deze training door te slechte weersomstandigheden afgezegd. De fysio nam mij en een ander fietsmaatje echter mee naar de Posbank voor een behendigheids- alias bergtraining. Zo leerde ik om in de bochten altijd het buitenbeen omlaag te drukken, waardoor je gemakkelijk de bocht door stuurt. En om net als bij het autorijden door de bocht heen te kijken en niet naar het asfalt op de weg. Een goede tip voor mij is om ook in de bochten door te blijven trappen. Hierdoor ga ik veel sneller en soepeler door de bocht.
Mijn behendigheid is flink gegroeid. Ik stop niet meer standaard bij elke kruising, maar kijk van tevoren of ik door mijn snelheid aan te passen op de fiets kan blijven zitten. Het losklikken gaat nu ook heel snel, terwijl ik daar eerst veel tijd voor nodig had en het me dan niet lukte om ook nog op het verkeer te letten. Ik ben nog aan het oefenen om zonder te kijken mijn bidon te pakken, er een paar slokken uit te drinken en dan wederom zonder te kijken de bidon terug te plaatsen en ondertussen gewoon door te fietsen.
Bergopwaarts gaat het erom de juiste cadans te vinden. Bergafwaarts heb ik geleerd om mijn remmen af en toe in te knijpen en dan weer los te laten. Eerst de achterrem inknijpen, dan de voorrem erbij en dan weer loslaten. Pompend remmen noemen ze dat. En ja, wat ik nooit had gedacht: ik vind afdalen echt superleuk. Het heerlijke gevoel naar beneden te suizen, de wind die door je haren waait, het zoeven van de banden op het asfalt. Een magistrale ervaring.

Ik bewaar goede herinneringen aan die eerste bergtraining op de Posbank, waarbij we drie hellingen bedwongen en ik leerde klimmen en dalen. Sinds die tijd heb ik diverse ‘bergen’ beklommen, waaronder de Eltense berg, de Holterberg en de Amerongse berg. Natuurlijk zijn dit dwergen van bergen in vergelijking met de toppers uit de Pyreneeën en de reusachtige col d’Aubisque. Maar vele kleine klimmetjes maken samen één grote. Het motto wordt: de benen laten draaien dan kom je vanzelf een keer boven.

 

Slaapdronken

Ik ben iemand die slecht tegen alcohol kan. Zo kan ik soms al na één glaasje wijn een draaierig hoofd en slappe, elastieken benen ervaren. Het is dan net of de wereld om me heen verdwijnt in een bubbel, de geluiden worden minder hard, ik zie wat wazig en er stromen vreemde zinnen uit mijn mond waar ik geen controle over lijk te hebben. Meestal voel ik me op zo’n moment vrolijk en ongeremd.
Hetzelfde gevoel kan me echter overvallen als ik erg moe ben. Ook dan voel ik me vreemd zweverig in mijn hoofd en is mijn waarneming minder scherp. Mijn coördinatie en reactievermogen zijn beduidend minder als ik overmand ben door vermoeidheid. Slaapdronken is dan ook een begrip dat ik duidelijk herken. Het is letterlijk: dronken zijn van de slaap. Een relaxte staat van zijn waarbij ik niet meer goed op mijn benen kan staan en niet meer helder kan denken.
Laatst reed ik na een gezellige dag samen met familie alleen in het donker naar huis. Het was nog niet eens zo laat, maar ik voelde me plotseling draaierig van de slaap. Ik concentreerde me op de weg. Zolang ik mijn hoofd stil hield ging het goed, maar wanneer ik mijn hoofd over mijn schouder draaide duurde het even voor ik de wereld om me heen weer helder zag. Ik draaide het raampje een stukje open voor wat frisse lucht en zette een pittig muziekje op om mijn brein wat te activeren. De koude lucht bracht me weer wat bij mijn positieven.
Net toen ik Doetinchem wilde binnenrijden, zag ik een politieagent op de weg staan zwaaien met een rood stop bord. Voorzichtig remde ik af. Aan de zijkant van de weg stond nog een agent. Ik draaide het raampje open en hij gebaarde dat ik iets verder door moest rijden. Alcoholcontrole schoot het door mijn hoofd.
En inderdaad. Een vriendelijke agent zei tegen me: ‘wilt u even blazen?’ en hield een soort glas voor mijn mond. Ik verwachtte een pijpje om op te blazen en wilde mijn mond al om de uiteinden klemmen, maar had net op tijd in de gaten dat dat niet de bedoeling was. Ik hoefde alleen van een afstandje in het glas te blazen.
Ik inhaleerde en ademde uit in het glas dat de agent voor mijn mond hield. Althans dat dacht ik. Maar volgens de agent blies ik ernaast. Vol goede moed probeerde ik het nog een keer, maar nu blies ik niet hard genoeg. Bij de derde poging blies ik zo hard als ik kon, maar nu moest ik volgens de agent langer uitblazen.
Inmiddels had zich een kleine file achter mij gevormd. De agent werd een beetje ongeduldig. Hij zei: ‘u draait uw hoofd telkens weg, zo kan ik er niet goed bij.’ Ik was me daar helemaal niet van bewust en bedacht wat voor indruk ik nu op de agent maakte. Hij dacht vast dat ik dronken was. Althans ik kon me goed voorstellen dat hij dat dacht. En dat idee vond ik hilarisch. Ik kreeg de slappe lach en hikte tegen de agent dat ik het echt niet wist hoe ik moest blazen. Ik probeerde nogmaals in het glas te blazen, maar het leek wel of ik helemaal geen controle meer over mijn adem had. Ik kreeg het niet voor elkaar om hard en lang in het glas te blazen. Dat ik de slappe lach had, maakte het alleen maar erger.
Tenslotte kwam er een tweede agent bij, een forse, potige man, die me een ouderwets blaaspijpje onder de neus hield. Ik omklemde het pijpje met mijn lippen en blies zo hard ik kon. Ik zag de agent verbaasd en langdurig naar het schermpje staren en was bang dat het weer niet goed was gegaan met blazen, maar tot mijn verrassing zei hij: ‘het is goed, rijdt u maar door.’
Omdat ik vergeten was de auto in de vrij te zetten, had ik al die tijd met blazen krampachtig de koppeling ingetrapt gehouden. Ik voelde een lichte kramp in mijn voet opkomen en reed ongecontroleerd en met piepende banden weg. Ik schoot weer in de lach. Shit, wat voor belabberde indruk zou ik nu maken. De agenten hadden gedacht dat ik dronken was, en daar hadden ze wel een klein beetje gelijk in. Ik was slaapdronken.

Mochten jullie nu denken dat ik een gevaar op de weg ben en dat je beter niet bij mij in de auto kan stappen, dan kan ik jullie verzekeren dat ik meestal rustig en veilig rijd. Alleen als ik slaapdronken ben, dan zou ik het stuur van mij over nemen als ik jullie was.

Lente in Drenthe

‘Welkom op camping Molenzicht’, grapt een goede vliegvriend van Frans, als we ons camperbusje in zijn achtertuin parkeren. De oude molen grenst aan zijn tuin en torent hoog boven ons uit. Liggend op bed zie ik de enorme wieken, die vanavond gelukkig stil staan.
We maken kennis met zijn vrouw en wandelen dan met zijn viertjes het centrum van Coevorden in waar we druk kletsend en etend de avond doorbrengen in een Japans restaurant. Het is super gezellig en de tijd vliegt voorbij.
De volgende ochtend heeft de gastvrouw een heerlijk ontbijt voor ons gemaakt. We genieten van warme broodjes en verse jus alvorens we naar Borger rijden waar Frans aan de slag gaat bij een klant van hem.
Ik heb de dag voor mezelf. Mijn voornemen is om vandaag tachtig kilometer te fietsen door het Drentse landschap. Ik rijd de camper naar een parkeerplaats in het bos, zodat ik in alle rust en ongezien mijn fietskleding aan kan trekken. Dat voelt toch iets relaxter dan op de krappe parkeerplaats voor het bedrijf waar ik Frans heb afgezet.
Ik start met de band van de hartslagmeter die ik sinds kort heb, daarna volgen de sport bh, de steunkous voor mijn arm, het shirt en natuurlijk de fietsbroek. Het is nog fris zo ’s ochtends vroeg en ik besluit mijn beenstukken aan te doen. Na een tijdje passen en prutsen kom ik erachter dat de stukken die ik heb meegenomen voor de armen bedoeld zijn en bij lange na niet over mijn dikke dijen passen. Dan maar met blote benen vandaag. Het is niet anders.
Op een paar reepjes en een banaan na heb ik vandaag geen proviand bij me, maar ik ga ervan uit dat ik onderweg wel iets eetbaars tegen zal komen. Nog even mijn windstopper aan en dan ben ik klaar voor de tocht. Ik heb de route niet voorbereid, maar besluit gewoon maar wat op gevoel te gaan rondfietsen. Ik ben benieuwd waar mijn benen me brengen.

De fietspaden liggen bezaaid met takken en dennenappels, het asfalt bolt op door onderliggende boomstronken. Behoedzaam fiets ik over het kronkelende fietspad tussen bomen met sprankelend, fris groen. Mijn benen voelen stijf aan van de kou.
Na een kilometer of zes verlaat ik het bos en fiets door de open velden naar het mooie plaatsje Rolde waar ik mijn ogen uitkijk naar de grote, oude landhuizen en de vrolijke bollenvelden met tulpen. 
Het fietsen gaat bijna vanzelf en dat doet me realiseren dat ik alsmaar omlaag ga en ook nog eens de wind in de rug heb. Geen verstandige combinatie om mee te starten, dat snap ik ook wel, maar de keuze is al gemaakt.
Al snel fiets ik door de buitenwijken van Assen. Wanneer ik bordjes met ‘ TT Racecircuit Assen’ zie, besluit ik een bezoek te brengen aan dit vermaarde racecircuit. Misschien kan ik wel een rondje over het circuit fietsen, schiet het door me heen, net zoals ik dat samen met Margo bij het Varseller ring circuit in de Achterhoek heb gedaan. Deze gedachte brengt een lichte opwinding bij me teweeg en ik ga als vanzelf een beetje harder fietsen. In eerste instantie lijkt het terrein niet toegankelijk. De tribunes met lichtblauwe stoeltjes en de torens met wapperende vlaggen liggen achter grote afgesloten hekken. Maar dan zie ik een doorgang.

 

 

 

 

 

 

Wat onhandig manoeuvreer ik mijn fiets over het terrein dat duidelijk niet bedoeld is voor fietsers. Overal zijn hoge stoepranden en blokkades aangelegd om een soepele doorgang te verhinderen. Ik nader een groepje jongeren dat hier onder leiding van een coach aan het baseballen is. Als ik mijn fiets weer eens stuntelig over een blokkade probeer te tillen, roept één van de jongens uit de grond van zijn hart: ‘wat doet die kutfietser hier eigenlijk?!!’. Ik schiet in de lach, want ik stel me voor hoe misplaatst ik hier als wielrenner over moet komen en na een voorzichtige blik op de VIP tribune, houd ik het voor gezien. ‘De kutfietser’ passeert nog eenmaal de jongeren en maakt zich dan snel uit de voeten.

Een prachtig fietspad brengt me naar het Hijkerveld, een heide- en vennengebied waar een grote schaapskudde mijn pad doorkruist.

 

 

 

 

 

 

Het loopt tegen de middag en ik begin trek te krijgen. Een banaan en een reepje zijn niet voldoende om mijn honger te stillen. In de verre omtrek is niets van bewoning, laat staan horeca te vinden. Ik tuur op het knooppuntenbord en kies op goed geluk een plaats uit voor mijn eerste break. Mijn oog is gevallen op Hoogersmilde, de enige wat grotere plaats in de omgeving. Ik fiets nu langs het kaarsrechte Oranje kanaal met de wind in de rug. De wind is sinds vanochtend flink toegenomen. Met meer dan dertig kilometer per uur zoef ik voort en ik probeer er niet aan te denken dat ik dat hele stuk straks weer terug moet ploeterend tegen de wind in. Eten is nu mijn hoogste prioriteit.
Hoogersmilde ligt uitgestrekt langs een grote weg en de Drentse Hoofdvaart. Aan de overkant van het water zie ik iets dat op een café lijkt. Ik moet nog een stukje verder fietsen voor er een mogelijkheid is om het kanaal over te steken.  Over een gebogen wit bruggetje bereik ik de overkant en fiets weer terug, richting het café dat ik meende te hebben gezien. Nu maar duimen dat ze iets te eten hebben. Een beetje wankel van de honger parkeer ik mijn fiets tegen de muur van het verwaarloosde pand en loop naar binnen. Het is donker en het ruikt bedompt en zurig. Aan de bar zitten twee mannen aan een grote pul bier. Een derde staat aan een grote fruitautomaat. Niet kieskeurig zijn nu, houd ik mezelf voor, als je maar iets te eten hebt. Neem genoegen met frites of desnoods een frikandel. Ik groet de mannen aan het bier en wacht tot er iemand komt. Een Aziatische vrouw steekt verbaasd haar hoofd om de deur en kijkt me vragend aan. Ik vraag of ze misschien iets te eten heeft. Ik krijg een menukaart toegeschoven en zie tot mijn verrassing dat ze soep hebben.  Ik bestel champignonsoep en een cola. Om niet bij de mannen te hoeven zitten, wandel ik naar buiten en neem plaats aan één van de twee tafeltjes die daar wat verloren staan. De wind waait met heftige stoten midden in mijn gezicht. Het wachten op de soep duurt lang. En ik vraag me af waarom ze er zolang over doen om een soep uit blik op te warmen. Maar dan wordt toch eindelijk mijn maaltijd geserveerd: een heerlijke versbereide champignonsoep met bieslook. Dat was wel het laatste dat ik hier had verwacht.
Gesterkt stap ik weer op de fiets. Er staat negenenveertig kilometer op de teller en ik besef dat het tijd is om de terugtocht te aanvaarden. De harde wind langs het kanaal is niet aanlokkelijk, dus besluit ik toch nog een stukje om te fietsen met de hoop in het bos minder last van de wind te hebben.
Ik kom langs een zandwinningsgebied met een voor Nederlandse begrippen onnatuurlijk blauwe kleur. Op het water drijven talloze watervogels. Daarna fiets ik over een onverhard bospad verder. Het rulle zand trapt zwaar met mijn dunne racefietsbanden, maar ik heb nauwelijks last van de wind. Als ik uit het bos kom, zijn er alleen maar rechte, vlakke akkers zover als ik zien kan en een onmetelijk harde wind die me bijna omver blaast. Langzaam ploeter ik voort. Lage versnelling, rustig fietsen, verstand op nul.

 

 

 

 

 

 

Gevoelsmatig probeer ik de juiste richting te vinden, want mijn mobiel is bijna leeg en daarom durf ik niet te vaak op google maps te kijken. In geval van nood wil ik nog wel kunnen bellen.
Het lijkt alsof de verlaten wegen me niet dichterbij brengen. In mijn hoofd hoor ik een nummer van Blof:
Vreemde wegen, brachten me tot hier,
en nog verder en verder, en verder van huis,
Zou je me vinden?,
Het antwoord is ja, jij zou me vinden.

Ja, Frans zou me wel weten te vinden. Hij kan me volgen op Google maps. Alleen heeft hij geen auto, die heb ik ergens in een bos geparkeerd en de sleutels zitten in mijn fietsshirt. Dus ik zal het echt alleen moeten zien te rooien.
Via de Dwingeloose Heide, een prachtig gebied waar ik toch nog wel van kan genieten, koers ik richting Westerbork. Ik ben de afgelopen anderhalf uur niets en niemand tegen gekomen en ik ben weer toe aan een rustplek. Ik heb mijn kaarten gezet op Westerbork.

 

 

 

 

 

Ik plof neer bij het eerste het beste terrasje en bestel een thee en een broodje kroket om weer op krachten te komen. Ik heb ineens heel erg veel zin in chips. Het